Over oude Hessenwegen.

Vrijdag 21 februari was de eerste bijeenkomst in 2020 van Stichting Achterhoek weer Mooi. Op het programma stond een bezoek aan Hanzestad Doesburg. Zo’n dertig deelnemers, waaronder ikzelf, verzamelden zich bij De Roode Tooren. Het museum, dat sinds eind jaren ’70 is gevestigd in het voormalig politiebureau van Doesburg, heeft naast de permanente tentoonstellingen ook wisselende exposities. De huidige expositie ‘Hessenwegen en Kiepkerels in de Achterhoek’ is voor Stichting Achterhoek weer Mooi (kortweg StAM) met name interessant vanwege de oude hessenwegen/ handelspaden die her en der nog in het Achterhoekse landschap te vinden zijn.

Hessenwegen in Nederland zijn wegen die werden gebruikt van eind 17e eeuw tot begin 19e eeuw door Duitse handelaren. Van oorsprong kwamen zij hoofdzakelijk uit het Duitse Hessen en trokken zij via de Achterhoekse streek naar het westen, veelal naar Amsterdam. Al snel werden handelaren uit andere Duitse regio’s, vanwege hun taal en beroep, ook Hessen genoemd. De IJssel vormde voor de voerlieden (handelaren) een barrière. Alleen bij Zwolle, Deventer, Zutphen, Doesburg of Arnhem konden zij de rivier oversteken. De meest gebruikte route (oudste, gemakkelijkste en veiligste) liep via Zwolle. Toen in 1643 de schipbrug bij Doesburg in gebruik werd genomen, was dat voor veel voerlieden een reden om hun route te verleggen en hier de rivier over te steken. Dat het al snel één van de belangrijkste Hessenroutes in ons land werd, kan worden vastgesteld aan de hand van snel stijgende opbrengsten van tol-, en bruggelden.

Doordat sommige Hessenwegen (zandwegen) veel gebruikt werden, ontstonden er soms diepe sporen op de route. Meestal losten de voerlieden dat op door naast het bestaande spoor een nieuw spoor te gaan maken (er bestonden toen nog geen standaard as-breedten voor de karren). In sommige gebieden hadden de Hessenwegen dan ook een breedte van een paar honderd meter! De Hessenkerels waren in de Achterhoek legendarische figuren. Een aantal gezegden herinneren hier nog aan zoals: hi-j vret as ’n Hesse! In de Achterhoek vind je ook nog vele herbergen die met het Hessenverkeer verbonden waren, zoals Het Wapen van Heeckeren in Hummelo. Niet alle Duitse handelaren trokken door naar Amsterdam. Sommigen trokken rond langs de dorpen en afgelegen boerderijen met een grote korf (kiep) op hun rug om hun koopwaar te verhandelen. Zo kregen deze marskramers al snel de bijnaam ‘kiepkearl’. Deze kiepkearls gebruikten meestal een netwerk van bestaande voetpaden (kerkepaden/ lijkwegen) in plaats van de voor hen moeilijk begaanbare Hessenwegen. Het Doesburgsepad (tussen Hummelo en Drempt) was zo’n handelspad.

Na het bezoek aan de expositie bij het museum kregen we een rondleiding door de Martinikerk in Doesburg. De kerk, gewijd aan Sint Maarten, werd in 1235 gebouwd als Romaanse kerk. De kerk en toren werden in de loop der jaren door vele rampen getroffen. Op verschillende panelen in de Martinikerk wordt deze hele geschiedenis weergegeven. In 2015 werd de kerk opnieuw ingericht voor multifunctioneel gebruik, zo vind je nu achter in de kerk een keuken, toiletten en een winkeltje. Een prima plek dus voor STaM om de laatste stand van zaken betreffende de landschapsmonumenten te bespreken. Van iedere deelnemer wordt namelijk gevraagd een door hem of haar gekozen landschapsmonument in eigen omgeving te gaan onderzoeken en beschrijven.

Eén van de deelnemers, Bernard Berendsen, vertelde vandaag wat meer over zijn modelbeschrijving van een landschapsmonument. Het Brook is een stuk bos in buurtschap het Woold in de gemeente Winterswijk. Het bosperceel is onderdeel van Scholtengoed Het Roerdink. Oude historische kaarten geven een goed beeld van de grens en de landweren. Zo ontdekte Bernard dat op sommige plekken de aarden wal wel twee meter hoog was. Op de Algemene Hoogtekaart Nederland was de oude gracht van Het Roerdink nog te zien. In de brochure ‘Winterswijk: een nieuwe kijk op oude bossen’ vond Bernard informatie over de verschillende boomsoorten in het stukje monumentale bos. Bernard is nu ongeveer halverwege de modelbeschrijving van Het Brook. De volgende stap is in gesprek gaan met verschillende eigenaren.

Tot slot kregen we nog een boeiende presentatie van Davy Kastelein (archeoloog voor de gemeente Zutphen en de regio Achterhoek) over de Gasthuiskerk in Doesburg. De protestantse kerk werd gebouwd in de 14e eeuw, waarschijnlijk als ziekenzaal. Van oorsprong was het kerkje namelijk een gasthuis met kapel. In 1354 werd de eerste priester aangesteld en in 1402 kwam het eerste altaar waardoor het gebouw een specifieke kerkfunctie kreeg. Davy deed met zijn team verschillende opgravingen in en rondom de kerk. Langs de buitenmuur vond men vele skeletten. Nader onderzoek liet zien dat bijvoorbeeld één van hen een soldaat moest zijn geweest (vele verwondingen aan schedel en lichaam). Twee bijzondere skeletvondsten zijn permanent te zien in het museum De Roode Tooren. De meest bijzondere vondst was wel een zilveren penning uit Lund (nu Zweden, toen Denemarken). De munt werd geslagen tussen 1286 en 1319 onder koning Erik Menved, en vrij zeldzaam (er zijn enkele vondsten bekend in Zutphen en Kampen). Het toont de vroege handelscontacten aan van Doesburgse handelaren met Denemarken. Daar hadden we natuurlijk al van alles over gezien bij de expositie.

Het was weer een waardevolle en leerzame middag door Stichting Achterhoek weer Mooi! Ik weet in ieder geval alweer veel meer over die mooie Hanzestad Doesburg. Het museum De Roode Tooren is gratis toegankelijk en de expositie is zeker een bezoekje waard.

roodetooren
Expositie over Hessenwegen en Kiepkearls in museum De Roode Tooren.
Martinikerk
Rondleiding door de Martinikerk te Doesburg.

Design door andere ogen.

Donderdag 30 januari had ik een plekje gereserveerd voor de veelbesproken tentoonstelling in het Design Museum Den Bosch. De tentoonstelling ‘Design van het Derde Rijk’. Het museum exposeert allerhande design en kijkt daarbij verder dan het ontwerp. Welke invloed had en heeft het op ons dagelijks leven? De nazi’s waren meesters in het gebruik van design om hun doel te bereiken en massa’s mensen geloofden daarin. De museumdirecteur sprak de woorden: “Als je volmondig ‘dit nooit weer’ wilt kunnen zeggen, moet je de moeite nemen te onderzoeken hoe de processen van beïnvloeding destijds werkten. Dat is wat deze tentoonstelling doet.” Iets wat mij nog altijd verbaasd, hoe kon Hitler zoveel zieltjes winnen? Daarom wilde ik de tentoonstelling met eigen ogen bekijken.

Thuis had ik me al een beetje ingelezen, de zaalteksten staan namelijk ook op de website. Ieder ticket heeft een vaste starttijd. Zo kan het aantal bezoekers ineens gereguleerd worden en kan de aanwezige bewaking (verassend veel) zich concentreren op het alom geldende fotoverbod. Geen selfies met de nazivlag. Wat me direct opviel bij binnenkomst is de afwezigheid van kleur, grijs en wit zijn overheersend. De tentoonstelling begon met een korte film in een aparte zaal. Het aanwezige publiek was zeer divers. Tieners en pubers, vrouwen met hoofddoek en enkele ouderen die zich moeizaam voortbewogen met rollator (hoogstwaarschijnlijk de naziperiode heel bewust meegemaakt).

In de tentoonstellingsruimten was een passende ingetogen sfeer. Geen muziek of video’s. Ook hier weinig kleur, het weinige wat aan de muren hing spatte er beslist niet vanaf. Ook de bezoekers liepen allemaal heel bescheiden rond, bijna in stilte. Wat mij vooral opviel in de ontwerpen is dat de nazi’s enorm veel gekopieerd hebben van de klassieke vormgeving als machtsvertoon en dit net even anders toepasten als symbool voor het Derde Rijk. Hoe treurig dat de swastika (het hakenkruis) in de Romeinse oudheid en het Hindoeïsme juist symbool stond voor levenskracht en geluk. Het aantal tijdschriften was enorm, voor iedere doelgroep werd er een gemaakt. Mannen en vaders, vrouwen en moeders, jongens en meisjes, soldaten en buitenlandse bezoekers. Het beleid hierachter was dat iedereen op een specifieke manier moest worden aangesproken, zelfs met eigen lettertypen. Een sterk staaltje nieuwe techniek destijds was de ‘volksempfänger’ (radio) waarmee alleen Duitse zenders beluisterd konden worden, met wederom voor iedere doelgroep een programma. Mensen konden door middel van spaarzegels voor hun eigen Kdf-wagen (kraft durch freude, voorloper VW Kever) sparen. Geen van hen zou ooit een auto ontvangen. Kort nadat het Duitse leger in september 1939 Polen binnenviel, schakelde de Volkswagenfabriek over op militaire productie met een flink startkapitaal in de pocket. Niets was aan het toeval overgelaten. Het concept voor de auto werd overigens afgekeken van de joodse ingenieur Josef Ganz. Terwijl Hitler aan Porsche een mythische status toebedeelde, werd Ganz door de nazi’s uit de geschiedenis gewist.

De Duitse bevolking destijds was gefrustreerd en vooral bang voor het opkomende communisme. Daar werd handig op in gespeeld met de zogeheten ‘Blut und Boden-vormgeving’, romantiseren van oude tijden in de negentiende eeuw. Niemand kende eigenlijk het volledige partijprogramma van de NSDAP, het vleugje hoop en de beloftes waren al genoeg. Dat brengt het ineens wel akelig dichtbij. Ik durf te wedden dat dit heel vaak het geval is bij aanhangers van extreem rechtse partijen? Ook nu heerst er regelmatig grote ontevredenheid, de boosheid en verwensingen op social media zijn geen uitzondering meer. Wat dat betreft zou het in onze westerse wereld zo weer kunnen gebeuren…

Zouden de nazi’s ook zo succesvol zijn geweest zonder het zorgvuldig uitgedachte design? Mag je een ontwerp mooi vinden, het ontwerp zelf is immers niet schuldig? Als we aan design denken, denken we aan iets moois. Iets moois is goed, toch? Vormgeving beïnvloed ons denken. Design kan ook gevaarlijk zijn. Het kan verleiden om over te gaan tot het kwaad, soms zonder dat je het in de gaten hebt. Dat is het doel van deze tentoonstelling aldus het Design Museum: het publiek laten zien en begrijpen welke rol vormgeving speelde in het Derde Rijk. Zodat we er hopelijk voor de toekomst van kunnen leren.

Ik vond het een interessante tentoonstelling. Opvallend om te zien hoe ‘oud design’ dat eens mooi werd gevonden eenvoudig door de nazi’s werd gekopieerd. Net even anders vormgegeven werd het door hen hergebruikt. Design dat daarna nooit meer als ‘mooi’ zou worden beschouwd.

Meer over de tentoonstelling:

Design van het Derde Rijk

Project Autobahn, vijf gigantische foto's.
Foto: Design Museum Den Bosch.

Moedige Verzetsvrouwen van de Achterhoek

De vierde lezing van het Achterhoek College 2019 bracht ons naar het Onderduikmuseum in Aalten. Dat dit bijzondere museum, zonder tekstbordjes en vitrines, juist in Aalten is gevestigd is niet heel verwonderlijk. Aalten heeft veel onderduikers in het dorp opgenomen, maar liefst één op de vijf was gevlucht voor de oorlog. De achtergebleven vrouwen kregen veel voor hun kiezen, de man was vaak of langdurig van huis. De vrouwen werden daardoor de managers van het verzet, ook al was dat vrijwel altijd in de schaduw van de mannen. Hun verhalen en daden bleven eigenlijk altijd onbekend. 2018 is door het platform WOII uitgeroepen tot ‘het Jaar van Verzet’. Met de tentoonstelling ‘De Vrouw als spil van het verzet’, wil het Nationaal Onderduikmuseum het aandeel van de vrouwen in het verzet tijdens WOII belichten, het is van groot belang geweest.

Ik was nog niet eerder in het museum aan de Markt in Aalten geweest, en was aangenaam verrast door het authentieke binnenplaatsje aan de achterzijde waar ook de ingang van het museum is gevestigd. Het grote huis, een rijksmonument overigens, is ingericht zoals het er 1940- 1945 uit moet hebben gezien. De originele onderduikplek en schuilkelder zijn beide intact gebleven en toegankelijk. Ik moet dus beslist nog eens terug om alles te bekijken! In de educatieve kamer vertelde Dineke Stam ons meer over de expositie die zij samenstelde. Door middel van brieven, dagboeken, foto’s en voorwerpen worden deze moedige verzetsvrouwen uit de schaduw gehaald. Het is eigenlijk niet eens een gangbaar woord. In de Dikke van Dale vind wordt alleen de verzetsman genoemd. Dat terwijl Tante Riek uit Winterswijk, Helena Theodora Kuipers- Rietberg, het georganiseerde landelijke netwerk ‘Hulp aan Onderduikers’ (LO) opzette. Als bestuurslid (en medeoprichter) van de Gereformeerde Vrouwenvereniging in Nederland, beschikte zij over een groot netwerk. Veel Achterhoekse vrouwen hebben geholpen met kleine en grote verzetsdaden. Ze brachten bijvoorbeeld geheime boodschappen en pamfletten rond, vervoerden wapens en hielpen met het verplaatsen van de onderduikers naar een nieuw adres als er gevaar dreigde. Tante Riek overleefde de oorlog niet. Eind december 1944 stierf zij in het concentratiekamp Ravensbrück.

Stichting Aletta (Aletta Jacobs, een Joodse feministe die als eerste een universitaire studie succesvol afrondde, waarmee ze de eerste Nederlandse vrouwelijke arts werd) initieerde de reizende tentoonstelling ‘Palet van Verzet’. Deze expositie kijkt vooral naar de overeenkomsten in drijfkracht, relevantie van keuzes en dilemma’s over loyaliteit tussen de verzetsvrouwen van toen en de vrouwen die zich de laatste 75 jaar ook hebben ingezet voor een betere wereld. Dat zijn tenslotte aspecten van alle tijden. Onder hen is ook de Achterhoekse Mia Lelivelt, geboren in 1925 te Lichtenvoorde. Mia woont nog altijd in haar geboortehuis, de oorspronkelijke onderduikruimte is zelfs nog aanwezig. Dineke Stam vroeg ons op een papiertje de naam op te schrijven van een vrouw die je zelf heel moedig vind, die ook in verzet kwam of komt. Dat zijn er zoveel! Wat te denken van Malala Yousafzai, de Pakistaanse kinderrechtenactiviste die in 2014 de Nobelprijs voor de Vrede ontving. Ook niet onvermeld blijven Gerdi Verbeet en Khadija Arib, Nederlandse politica. Zelf denk ik al snel aan Sabine Dardenne, die een ontvoering door Marc Dutroux van 80 dagen overleefde. Ik las haar boek en was diep onder de indruk van de moed van het toen twaalfjarige meisje. Een ander (Engels) boek dat ik las, The Book of Negroes van Lawrence Hill, vertelt het verhaal van veel moedige Afrikaans Amerikaanse vrouwen. In de 18e eeuw werden zij ontvoerd vanuit Afrika, sommigen nog geen tien jaar oud, om in Amerika als slaaf te worden verkocht. In de lezing vertelde Dineke Stam ook over het kolonialisme, Nederland speelde tenslotte een dominante rol in de slavenhandel. Er zijn zo’n 500 koloniale oorlogen geweest, allemaal vormen van verzet. Bovendien hebben de nazi’s er veel van afgekeken. Uitbreiding van macht buiten de eigen grenzen werd als essentieel beschouwd.

Zo kent iedereen kent wel zijn eigen moedige vrouw. Misschien liep je in de jaren ’80 zelf wel mee in één van de massale demonstraties tegen de kruisraketten! Ik ga zeker terug om de tentoonstelling ‘De Vrouw als spil van het verzet’ uitgebreid te bekijken en ook de rest van het Nationaal Onderduikmuseum. Dat is wel het mooie van het Achterhoek College 2019, we komen op plekken waar ik en ook sommige anderen nog niet eerder waren, en zo dicht bij huis! Deze lezing en bijbehorende expositie geven een krachtig beeld van Achterhoekse vrouwen in oorlogstijd.

DSC_3914
Boeiende lezing door Dineke Stam
DSC_3920
Expositie De Vrouw als spil van het verzet, met prachtige portretten door Thea Zweerink.

Zelhem, Slachtvisite.

November staat van oudsher bekend als de slachtmaand, hoewel het weer eigenlijk meer van invloed was als de maand zelf. Mensen ging slachten als het kouder werd want de voorraad vlees was bedoeld voor de winter, om het vlees goed te kunnen drogen, moest het huis bovendien flink warm worden gestookt. Helder weer was ook belangrijk, mist en nevel zorgden voor een te hoge luchtvochtigheid waardoor het vlees zou kunnen bederven. Tijdens mijn jeugd werd er door mijn grootouders allang niet meer aan huis geslacht. Er werd wel eigen vee geslacht en gegeten, het uitslachten en verder verwerken gebeurde elders. Ik ben, net als velen waarschijnlijk, grootgebracht met elke dag een goed stuk vlees op tafel.

Iedereen is weer welkom op de slachtvisite bij Museum Smedekinck, voor mij de eerste keer. Zoals vroeger gebruikelijk was begint het ook hier met een borrel, een glaasje vlierbessenjenever. Alhoewel ik hem zou kunnen gebruiken om mezelf moed in te drinken, sla ik hem toch maar af. Je kon er eigenlijk niet omheen, het gehalveerde varken aan het hankholt op de ladder. Sowieso niet te vermijden voor iedereen die van het toilet gebruik wilde maken, het gigantische beest hing pal naast de wc’s! Ik moet direct denken aan de anekdote van Anjo die zij op Facebook met mij deelde, over het varken dat op de deel aan de ladder hing: “Dan hing dat beest daar, onder een wit laken. En dan moest jij als kind natuurlijk prompt plassen, midden in de nacht en aardedonker. Ik vond het vreselijk eng, de andere dag stonden we natuurlijk vooraan. Of ik er nu wat van zei of niet; niet zeuren, onmiddellijk plassen en je bed weer in!”.

Het vetgemeste varken (92,75kg) werd trots getoond aan alle belangstellenden die komen ‘vetpriezen’. Ik vond vooral de anatomie en uitleg welk stuk vlees waar zit erg interessant. Een vader nam zijn drie jonge kinderen ook mee naar het varken, alle vier luisterden net als ik geboeid naar de uitleg. Mooi om te zien, mooi dat het te zien is bij Smedekinck. Het museum is de enige waar tijdens de slachtvisite niet alleen het varken aan het hankholt op de ladder hangt en je gerelateerde streekproducten kunt kopen, hier wordt juist ook een groot gedeelte van het proces daartussen in gedemonstreerd. Het uitslachten van de andere helft van het varken, en verwerken tot eindproduct gebeurde in de museumschuur door de aanwezige (gepensioneerde) slagers. Tegenwoordig wordt er gewerkt op werkbanken van kunststof omdat dit hygiënischer zou zijn. Tijdens een huisslachting werd er meestal een deur uit zijn hengels getild, sopje erover en klaar was de werkbank. Eén van de slagers vertelde me dat het houten hakblok eigenlijk veel schoner was. Zelf heb ik, toen ik in de horeca werkte, ook nog op een houten werkbank gewerkt. Elke dag moesten we hem grondig boenen met gekookt water en afwasmiddel, elke zaterdag met chloor.

De slagers laten ook hier zien waar welk stuk vlees vandaan komt, langzamerhand herkende ik de karbonades, speklappen en ribbetjes. De volwassen dochter van één van de slagers staat met een nostalgisch gevoel en brede glimlach aan de zijkant haar vader gade te slaan. Ze vertelt me dat ze vroeger in de slagerij altijd achter de streep moest blijven staan, vanwege de scherpe messen. Toen ze wat ouder was mocht ze helpen. Mijn grootouders gebruikten het vrieshuis met klein abattoir in Corle, naast de smederij van te Welle. Ik mocht nooit mee naar binnen tijdens het uitslachten en verwerken, des te interessanter is deze slachtvisite. Even verderop in de museumschuur staan in klederdracht gehulde dames verse worst te maken, worststoppen zoals dat officieel heet. Twee vrouwen gebruiken de handgehaktmolen met vulpijpje, de andere vrouw duwt met haar duim het vlees door een worsthoorntje. Een precies werkje, want luchtbellen zijn niet gewenst. De vrouwen gebruiken hiervoor de darmen van het varken, de dunne darm. Een bezoekster vertelde me dat ze vroeger altijd moest helpen met het schoonmaken van de darmen (desalniettemin vond ze het altijd een ontzettend gezellige tijd). Eerst moest het plukvet er voorzichtig vanaf worden gehaald, op de mestvaalt kneep je vervolgens de darmen leeg. Daarna moest deze ‘krange getrokken’ (binnenste buiten gekeerd) met warm water en met een lepel moest het darmslijm ervan af geschraapt worden. Tot slot nog even opblazen om op gaatjes te controleren, en stoppen maar. Eén varken is goed voor dertig meter darm. Ik denk dat de verse worst wel mijn favoriete stukje vlees was. En gezouten kinnebakspek (varkenswang) als broodbeleg, ik was er dol op! Inmiddels ben ik eigenlijk al jaren een vleesverminderaar.

In de museumschuur werd behalve gezaagd, gehakt, gesneden en gestopt ook gebakken. De dames in klederdracht bereidden bakbloedworst, balkenbrij, kaantjes en smaltappels. De kinderen konden achter in de schuur hun eigen verse sappige hamburger bakken die met heel veel smaak werd opgepeuzeld. Ik vroeg aan twee meisjes of ze het varken aan de ladder toevallig ook al hadden gezien? Moeder moest lachen en zei dat ze dat ná het eten van de hamburger gingen doen, verstandige volgorde waarschijnlijk. WEET WAT JE EET is tegenwoordig van groot belang voor de gemiddelde consument, daarentegen ben ik benieuwd hoeveel volwassenen en kinderen het slachten, uitslachten en verwerken tot eindproduct daadwerkelijk al eens hebben gezien?  Ik zou zeggen: de slachtvisite bij Museum Smedekinck is een prima veldexcursie voor jong en oud!

Als je meer wilt lezen over een traditionele huisslacht, volg de veilige link hieronder

https://www.vers-inspiratie.nl/historie-van-de-huisslacht/de-huisslachting

klomptgoed_601
92 kilo en 750 gram schoon aan de ladder tijdens de Slachtvisite bij Museum Smedekinck

Bronckhorst, Applaus voor Doctor. J.H.TH de Jong

Tijdens een bezoek aan het Charles Dickensmuseum jaren geleden, was ik zelf getuige van de metamorfose die eigenaar Sjef de Jong regelmatig onderging. Een dikke laag make-up was absoluut niet nodig, de imposante man trok een lange zwarte jas aan, zette een hoge zwarte hoed op, pakte zijn houten wandelstok en Ebenezer Scrooge was geboren! Het was rond de kerstperiode, en Sjef alias Scrooge vertelde vol passie het kerstverhaal in het sfeervolle kleine theaterzaaltje van het Dickens Museum. Met name deze voordrachten waren zijn grote passie. Deze vonden het hele jaar door plaats, soms wel voor drie groepen per dag.

Charles Dickens werd geboren in 1812, en tijdens zijn 200e geboortejaar in 2012 vierden Sjef de Jong en zijn vrouw Alie het 25-jarig jubileum van hun museum. In 1987 kwamen zij in deze authentieke stadsboerderij te Bronckhorst wonen. Hier besloten zij hun lang gekoesterde droom te verwezenlijken: het inrichten en exploiteren van een museum geheel gewijd aan de Engelse schrijver Charles Dickens. In 1988 was de opening, beperkt tot de ruimte waar nu het winkeltje is. Uitbreiding volgde al snel en was mede mogelijk door de Londense Pickwick Bicycle Club (oudste Dickens vereniging ter wereld), die in 1988 een groot geldbedrag aan het museum schonken. In 2007 verhuisden Sjef en Alie drie huizen verderop, en kon het gehele boerderijtje als museum worden ingericht. Eigenlijk is het één grote Dickens-kijkdoos! Een rariteitenwinkel met in elk vertrek taferelen uit een bepaald Dickens boek. In 2004 werd het theaterzaaltje met zijn 50 zitplaatsen gerealiseerd, waar langs de wanden, achter glas, prachtige porseleinen tafereeltjes uit diverse Dickens verhalen staan. Deze zijn gemaakt door de Engelse kunstenares Eva Poray.

Na 30 jaar is op zondag 15 oktober 2017 het doek definitief gevallen voor het Dickens museum, vanwege leeftijd en bijkomende gezondheidsklachten van de nu 86-jarige Sjef. Sinds 2015 hebben zij intensief gezocht naar een opvolger voor het museum, eerst regionaal en later zelfs over de hele wereld. Dit is helaas niet gelukt. Het pand is verkocht, en voor de prachtige collectie, waaronder ook de originele handgesneden wandelstok ooit van Dickens zelf (gekocht bij Sotheby’s voor €25.000) , wordt nog een ander onderkomen gezocht. Zoon Dirk kan en wil het museum niet voortzetten. Hij is wel degelijk besmet geraakt met het Dickens-virus en de sluiting gaat hem natuurlijk aan het hart. Het is echter het levenswerk van zijn vader op zijn eigen specifieke manier, en is niet door iemand anders te evenaren. Het museum werd de laatste jaren draaiende gehouden door zeven vrijwilligers. Deze zondag heb ik voor de allerlaatste keer een bezoek gebracht aan Bronckhorst en dit bijzondere museum.

Op de zolder van het museum staan prachtige levensgrote beelden van karakters uit de verhalen van Charles Dickens, zoals de zakkenroller Fagin uit het verhaal Oliver Twist en Miss Havisham in haar door muizen aangevreten trouwjapon uit Great Expectations. Ze zijn door Sjef overgenomen van het Dickens Centre in het Engelse Rochester dat na 25 jaar hun deuren sloot. Rochester ligt in het graafschap Kent, en speelde een belangrijke rol in het leven van Charles Dickens. Hij bracht er zijn jeugd en tevens zijn laatste jaren door in het huis Gads Hill Place. Deze aankoop was erg belangrijk voor het museum in Bronckhorst, op het Europese vasteland is er geen uitgebreidere collectie te vinden. In Bronkhorst denken ze ook een nauwe band te hebben met Dickens. In The Pickwick Papers komt een koster Gabriël Grub voor (inspiratie voor het latere karakter Scrooge), die op dat moment ook in Bronkhorst te vinden is. Gabriël de Graaf was een doodgraver. Brompot, dronkaard en zo geobsedeerd door geld dat hij zelfs op kerstavond nog graven delfde! Op een kerstavond verdween hij spoorloos, om jaren later ineens weer op te duiken als een hervormd persoon.

De in Den Haag geboren Sjef de Jong richtte niet alleen het Dickens Museum op. In 1979 richtte hij de Kamer voor Consumenten-, en Burgerbelang op, naar aanleiding van zijn proefschrift waar hij als ziekenhuiseconoom op promoveerde tot doctor. Zelfs in dit werk ‘De maatschappelijke waarde van de onderneming’ verwerkte hij de ideeën van Charles Dickens. Tevens was hij directeur van het Slingeland ziekenhuis in Doetinchem. Door allerlei perikelen kwam hij aan de kant te staan. In deze periode groeide zijn waardering voor het werk van Charles Dickens uit tot een ware passie. Evenals de grote schrijver zette de Jong zich in voor de minderbedeelden door boeken te publiceren over economie en in Den Haag tegen allerlei dingen te protesteren, natuurlijk in 19e eeuws tenue. Zo was hij bijvoorbeeld in 2011 ook te vinden in Amsterdam op het Beursplein om de Occupiers een hart onder de riem te steken.

Het was een uitdrukkelijke wens van Sjef dat de collectie bij elkaar blijft, het liefst op Nederlandse bodem. Dat is gelukt, Het Land van Jan Klaassen in Braamt nam haast alles over. Echtgenote Alie de Jong- Krabbenbos ontving in september 2017 tijdens een vergadering over het Dickens evenement in Bronkhorst twee prachtige schilderijen als dank voor alles wat zij en Sjef gedaan hebben voor het Ondernemersgilde Bronkhorst. Met pijn in het hart moest de Achterhoek afscheid nemen van een heel bijzonder museum. Anderzijds kan Bronkhorst trots zijn dat het 30 jaar de thuishaven was van Ebenezer Scrooge!

DSC_0621

DSC_0607-2