Struinen langs de Berkel

Dinsdag 7 mei was de vijfde lezing van het Achterhoek College door het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, in Almen deze keer. Een Achterhoeks dorp waar ik eerlijk gezegd nog nooit eerder in of rondom was geweest. De autorit ernaartoe was al een beleving op zich! Prachtige landelijke en verlaten weggetjes, met overigens heel veel schitterende oude schuurtjes en kippenhokken. Vanaf Stichting Ons Huis Almen, het dorpshuis en letterlijk middelpunt van Almen, zijn we onder leiding van Jaco van Langen die dit vijfde college verzorgd naar de oever van de Berkel gewandeld. Binnen enkele minuten stonden we in een schitterend stukje natuur!

Jaco van Langen studeerde cultuurtechniek, en kan ons enorm veel vertellen over water-, en natuurbeheer. Als projectmanager bij Waterschap Rijn en IJssel werkt hij onder andere aan de inmiddels vierde Berkelverbetering. De eerste Berkelverbetering was al in 1882, het jaar dat ook in het oosten van Nederland het Waterschap werd opgericht (in het westen gebeurde dit al enkele eeuwen daarvoor). Met name bij Eibergen vonden enorme wijzigingen plaats, waardoor de Berkel steeds verder van het dorp kwam te liggen. De werkzaamheden van 1882- 1899 bestonden vooral uit het afsnijden van de bochten, en het breder maken van de Berkel. Tijdens de tweede Berkelverbetering (1921- 1945) werd o.a. het Twentekanaal aangelegd en bouwde men stuwen in de rivier. Tegenwoordig liggen er nog 22 stuwen in de Berkel. De derde naoorlogse Berkelverbetering vond plaats van 1963- 1977. Bij Borculo, dat in 1960 nog helemaal blank had gestaan, kwam een omleiding en het aquaduct. Bij Lochem kwam een aflaat, in Zutphen het gemaal Helbergen en bij Rekken de zandvang. Gedurende al die jaren veranderde de Berkel in een rechte saaie rivier, was eigenlijk meer een kanaal geworden. De laatste jaren werd er gelukkig een hermeandering tot stand gebracht. Door het terugbrengen van bochten in de rivier zijn er verloren gegane stukken natuur opnieuw toegevoegd waardoor er in totaal nu 2500 meter meer Berkel is ontstaan. Op deze manier kunnen er weer veel meer plant-, en diersoorten in en bij de Berkel leven en het water is er bovendien ook veel schoner van geworden. Eigenlijk wordt er al vanaf de middeleeuwen aan de Berkel gewerkt, met name de Berkelcompagnieën speelden hierbij een belangrijke rol. Het voornaamste doel was om hem beter bevaarbaar te maken.

De Berkel is een 110km lange rivier, die zijn oorsprong heeft in het Duitse Billerbeck aan de voet van de Baumberge. Meerdere bronnen voegen zich onderweg bij het riviertje. Bij buurtschap Oldenkotte (vlakbij het Gelderse Rekken) komt de rivier de Achterhoek binnen, om vervolgens bij Zutphen uit te monden in de IJssel. Heel vroeger stroomde de Berkel van oost naar zuid waar hij in de Rijn uitmondde! In Duitsland stroomt de Berkel onder andere door Coesfeld, Stadtlohn en Vreden. Het hoogteverschil is enorm, ruim 100 meter! De Berkel ontspringt zoals gezegd in het Duitse Billerbeck op 125 meter boven N.A.P. Bij de uitstroom in de IJssel is de bodemhoogte nog maar 4 meter boven N.A.P. De Berkel werd door watermolens dankbaar gebruikt als energieleverancier. Watermolens waren het centrum van ambacht, hier ontstond handel (handel in de landbouw was toen nog erg kleinschalig). De oudste watermolen op de Berkel is die van de hof te Vaarwerk in Olden Eibergen (buurtschap in gemeente Berkelland), die al in 1188 genoemd wordt. Slechts twee overleefden de tand des tijds, de De Mallumsche Molen en de Oliemölle in Borculo. Vanaf het jaar 1670 waren de Berkelzompen (een kleiner model zomp) een belangrijk vervoermiddel op de Berkel, die overigens pas sinds 1600 enigszins bevaarbaar was. De zomp ontstond uit de vraag naar een vervoermiddel dat meer kracht en laadvermogen had dan paard en wagen, en waarmee men minder hinder zou ondervinden van de vaak slecht begaanbare zandpaden in de Achterhoek. Het platbodem scheepje dat zo’n 40 cm diep in het water lag was heel erg geschikt voor de toen smalle, bochtige en ondiepe Berkel. De Berkelscheepvaart kwam eind 1700 goed op gang. Hout en katoen was het belangrijkste product dat door zo’n 80 schepen werd vervoerd tussen Zutphen en het Duitse Vreden. Een aantal natuurgetrouwe replica’s van de Berkelzomp varen nu de Berkel op en neer als toeristische attractie.

Van Almen tot Warnsveld mag de Berkel dus weer slingeren. De oevers wisselen elkaar af van steil en kaal tot slechts heel licht hellend en moerasachtig. Dood hout wordt niet meer verwijderd, in sommige gevallen zelfs expres aangebracht. Op deze manier ontstaat er meer verschil in waterdiepte en stroomsnelheid. De Besselinkstuw bij Almen en de Warkenstuw bij Warnsveld zijn zo gemaakt dat ze passeerbaar zijn voor vissen. Heel belangrijk omdat vissen zich van nature door beken en rivieren heen en weer bewegen, ook tegen de stroming in. In de stuw zorgt een kunstmatig opgewekte waterstroom ervoor dat de vissen naar de vispassage worden gelokt, deze nagemaakte stroming is iets sterker dan de natuurlijke stroming vanuit de stuw, wat de voorkeur van de vissen heeft. Inmiddels is zelfs de in Nederland zeldzame waterspreeuw (vogel) in de Berkel waargenomen. Waterspreeuwen gebruiken hun vleugels om onder water te zwemmen en kunnen over de bodem lopen om daar naar voedsel te zoeken. In de toekomst zullen de Berkelverbeteringen zich vooral richten op het op orde krijgen van de natuur zonder dat de landbouw hierbij in het geding komt. Er wordt nagedacht over de vraag hoe we het neerslagoverschot beter vast kunnen houden voor tijden van droogte en hoe het water beter gezuiverd kan worden van medicijnresten.

Zo aan de oever van de Berkel begrijp je meteen waarom het een favoriete en veelbeschreven plaats is van de Achterhoekse dichter en landbouwkundige Anthony Staring. Het is er werkelijk schitterend! In Almen kun je bij Zwembad en kanocentrum De Berkel o.a. kano’s en waterfietsen huren. Aan de oever staan bovendien sinds 2017 drie prachtige lichtblauwe trekkershutten. Ik zie meteen een prachtige schrijfplek! Hier kom ik zeker nog eens terug.

DSC_4563-HDR

Streekverbetering

Het derde college van het Achterhoek College 2019 had als thema: de moderne Achterhoek en architectuur. Het eerste deel: “De moderne Achterhoek – de maakbare samenleving in een achtergesteld stukje Nederland” werd gegeven door Joanne te Winkel uit Winterswijk. Zij studeerde geschiedenis aan de universiteit en maakt deel uit van het projectteam ‘Een Nieuwe Tijd! Wederopbouw in de Achterhoek’. Dit programma is samengesteld door 11 gemeenten in de Achterhoek met als doel het bijzondere erfgoed uit de wederopbouwperiode dat de Achterhoek bezit, groots onder de aandacht te brengen. Dit zal gebeuren in het jaar 2020, aansluitend op 75 Jaar Vrede en Vrijheid in de Achterhoek. Eigenlijk is er maar weinig belangstelling voor de wederopbouw architectuur. Met dit project hoopt men een herwaardering teweeg te brengen met het erfgoed als inspiratie.

Sicco Mansholt was twaalf jaar (1945-1958) minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Hij voorzag al vroeg dat de Nederlandse landbouw gereorganiseerd moest worden. Hij wilde bedrijven die kleiner waren dan vijf hectare samenvoegen waarmee hij een gevoelige snaar raakte, aangezien zeventig procent van de boeren vlak na de oorlog een bedrijf van vijf hectare of kleiner had. Ondanks dat de boeren zich vrij snel hersteld hadden van de oorlog (in 1950 zat men alweer op hetzelfde productieniveau als voor de oorlog) bleef Nederland achter bij andere landen. Mansholt wilde dat de boeren in achtergebleven gebieden zoals Winterswijk, hetzelfde welvaarts-, en welzijnspeil zouden bereiken als de arbeiders in de industrie. Tussen 1962 en 1968 stond Winterswijk in het teken van het Streekverbeteringsprogramma , dit zou hieraan gaan bijdragen. Een groot deel van de voorlichting werd uitgevoerd door lokale boerenstandsorganisaties, deze moesten de eigen achterban helpen bij de mentaliteitsverandering (zij hadden tenslotte het vertrouwen van de boeren al). Er werd zelfs een speciaal maandblad uitgegeven om informatie over het programma in Winterswijk te verspreiden, ’t Olde Wenters’.

Men wilde de boeren moderniseren door middel van voorlichting. Zo was er bijvoorbeeld veel aandacht voor het huishouden, dat moest moderner en makkelijker. Zo hield je namelijk tijd over! Tijd over om de man te helpen. De Nederlandse Bond Voor Plattelandsvrouwen ging het land door met een reizende woon-tentoonstelling. In twee jaar tijd moest het hele platteland op de hoogte worden gebracht van moderne huishouding. Het had met name betrekking op de moderne woninginrichting, huishoudelijke apparatuur en voeding. Landbouwkundige voorlichting  (ruilverkaveling, mechanisatie, bankleningen) zou de boer helpen zijn bedrijfsstijl te optimaliseren. Agrarisch-sociale voorlichting (bedrijfsopvolging, vrijetijdsbesteding) moest een boer en zijn gezin helpen met een betere positie in de samenleving. De traditionele samenleving in het oosten van Nederland moest ook op de schop. Drie generaties die onder één dak wonen, werd gezien als afwijkend en niet iets voor ‘de moderne tijd’. Voorlichting over samenwonen was dus ook onderdeel van het Streekverbeteringsprogramma. De juiste mentaliteit om veranderingen in het bedrijf aan te brengen werd minstens zo belangrijk gevonden, anders zouden zij de voorgestelde veranderingen helemaal niet toe kunnen passen! Boeren moesten geholpen worden om zich te ontworstelen aan het traditionele cultuurpatroon want deze droegen allesbehalve bij aan vooruitgang.

Het streekverbeteringsprogramma leek aan het einde van de jaren 1960 steeds meer achterhaald, in 1970 kwam er dan ook landelijk een einde aan het programma. De infrastructuur was verbeterd, er waren meer onderwijsmogelijkheden, de industrialisatie was niet meer weg te denken en met de komst van de auto en televisie  was het blikveld van de boer vergroot. De voorlichting richtte zich nu vooral nog op geldzaken. Met enige teleurstelling werd er teruggekeken op de resultaten van het Streekverbeteringsprogramma in Winterswijk. De polder had bewezen dat de samenleving maakbaar was en ook de kleine boeren in het oosten moesten gemaakt worden tot moderne agrarische ondernemers. Nieuw land kon de overheid helemaal naar smaak inrichten, maar oud land veranderen bleek moeilijker. Het is gebleken dat je een idee niet zomaar even landelijk kunt uitrollen. In Winterswijk was dan ook niet heel veel veranderd na afloop van het streekverbeteringsprogramma. De Achterhoek hield vast aan de traditionele gewoonten, en hoe mooi is dat eigenlijk! Deze streek heeft duidelijk een sterke eigen identiteit.

Een deel van mijn eigen familie woont in de Noordoostpolder, gemaakt op de tekentafel. De hele opzet kent een duidelijke hiërarchie. Het wegen-, en watersysteem loopt van groot naar klein, de ordening van de agrarische bedrijven aan de hand van de grootte. De grote polderbedrijven liggen hierbij centraal, de kleinere aan de randen. De opzet van de tien dorpskernen was al even nauwkeurig uitgetekend. De bijna ronde vorm van de polder, maakte het logisch om in het geografische midden het streekcentrum te projecteren met voorzieningen als een ziekenhuis, schouwburg en scholen voor voortgezet onderwijs. Dit voorzieningencentrum werd de Noordoostpolder-stad Emmeloord. De fietsafstand tussen alle kernen mocht hooguit 10 kilometer bepalen. Want iedereen moest kunnen fietsen: de arbeider naar zijn werk, de kinderen naar school en de vrouw naar de winkel. Negen dorpen waren door een ringweg met elkaar verbonden (Rutten lag aan een uitloper van de kring), Emmeloord ligt in het midden op het kruispunt van de vier hoofdwegen die de polderstad dus met vier polderdorpen verbind. Deze hele theorie werd overigens razendsnel achterhaald, ook hier ging men mechaniseren en autorijden.

Het tweede deel van dit college: “Sober en solide –  Architectuur van de wederopbouw in de Achterhoek”, werd gegeven door Roger Crols. De architectuurhistoricus vertelde over de vormgeving van de moderne Achterhoek, de onbekende ruwe diamanten van de wederopbouw in onze eigen regio. Wederopbouw is meer dan alleen het herstellen van oorlogsschade. Het heeft ook te maken met modernisering, nieuwe uitbreidingswijken om de woningnood het hoofd te bieden en de ruilverkaveling in landelijk gebied. Met name Beltrum was in de Achterhoek een wederopbouwgebied van nationaal belang. Men hield hier namelijk rekening met het historisch landschap en waterwegen. Joanne vertelde ons al dat ook de Achterhoek zulke uitbreidingswijken kent, bijvoorbeeld in Zelhem aan de Abraham Kuyperstraat. Mensen van het platteland, vanuit de agrarische sector, gingen werken in de groeiende industrie. Zelhem koos voor een landelijke woonstijl, zo was de ingang bijvoorbeeld aan de achterzijde. Er was ruimte voor een moestuin, en daarnaast nog voldoende voor het houden van kippen en een varken. De keukens waren groot, zoals de woonkeukens in de boerderijen. Een kelder vond men vaak onprettig, een waterleiding veelal overbodig. De huizen aan de Prinses Beatrixstraat in Zelhem waren al wat moderner.

Zelf ben ik geboren in Bilthoven, in een portiekflat. Drie woonlagen, het aanzicht van een enorme legbatterij is mij bespaard gebleven. Buiten dat had ik gelukkig mijn grootouders in de Achterhoek wonen, waar ik dan ook iedere vakantie en lang weekend doorbracht. Ook deze portiekflats zijn uit de wederopbouwperiode. Bilthoven zelf ligt tegen de Utrechtse heuvelrug aan, ik had de natuur gelukkig om de hoek (Biltse Duinen). Veel omringende plaatsen zijn begin jaren ’70 systematisch uit de grond gestampt om Utrecht te ontzien, ik zou er voor geen geld willen wonen! Nieuwegein, Houten, en Maarssenbroek spant denk ik nog wel de kroon: 8500 woningen in 14 wijken in alfabetische volgorde langs de vier zijwegen van de hoofdweg. De meeste wijken ook nog eindigend op -kamp.. Ik ben heel dankbaar dat mijn grootouders mij de liefde voor de Achterhoek met de paplepel hebben ingegoten! Hier ben ik thuis.

Ik had er nog nooit van gehoord: de Melkflessen-test uit de jaren ‘50? De inrichting van het moderne huis klopte pas wanneer je in elke ruimte een glazen melkfles zou kunnen plaatsen, zonder dat deze uit de toon zou vallen. De wederopbouwperiode was eigenlijk best heel bijzonder, en kent ook heel wat overeenkomsten met de huidige tijd. Het project waar Joanne aan werkt, ‘Een Nieuwe Tijd’, slaat dan ook niet voor niets een brug naar het heden zoals verduurzaming van de niet zo energiezuinige gebouwen uit die wederopbouwperiode.

De Achterhoek gaat laten zien hoe dat kan: samen anpakken! Want een nieuwe tijd maak je samen. Dat levert ongetwijfeld mooie nieuwe Fotovertelsels op. Ik zeg Klomptgoed!

DSC_3636-2
Joanne te Winkel geeft college.

 

Attamottamotta!

Een Achterhoek College over topsport kan natuurlijk maar op één plaats gegeven worden: bij de Vijverberg, thuisbasis van voetbalclub De Graafschap. Het mag dan wel niet de rijkste voetbalclub zijn en ook niet de allerbeste voetbalclub, het is wel de mooiste en boegbeeld van de Achterhoek! Hans Martijn Ostendorp, algemeen directeur van De Graafschap, was aangenaam verrast door het verzoek om deel te nemen aan het Achterhoek College 2019. Hij hoefde er echter geen moment over na te denken, De Graafschap is zoveel meer dan voetbal alleen en daar valt heel veel over te vertellen. In iedere Achterhoeker schuilt wel een blauwwit hart volgens Hans Martijn, want de Graafschap is een Volksclub. Superboer ben je bij winst en verlies, bij promotie en degradatie, en in voor-, en tegenspoed. De gedrevenheid van Hans Martijn begreep ik pas echt goed toen hij ons zijn verhaal vertelde.

Hans Martijn Ostendorp heeft zijn roots in Dinxperlo. Het voetbalstadion van De Graafschap betrad hij al op jonge leeftijd, aan de hand van zijn vader. Sindsdien kleurde ook zijn hart blauw-wit. Hij verkoos werken boven studeren en vond een baan als junior-vertegenwoordiger (het ganse land door om naar eigen zeggen spuuglelijke kleding te verkopen aan marktkooplui). Daar leerde hij de fijne kneepjes van zaken doen en wist al snel op te klimmen. Zijn politieke carrière begon met een ingezonden brief naar de  plaatselijke gemeente, een keer spreken op een raadsvergadering, zitting in een commissie en uiteindelijk wethouder van de gemeente Aalten. De politiek ging hem goed af, Hans Martijn werd zelfs burgermeester van Bunnik. Desondanks is hij altijd trouw gebleven aan De Graafschap, juichen voor een andere club is best mogelijk, maar niet vanuit het (blauw-wit) hart. Iedereen in Bunnik wist dan ook: onze burgermeester is een Superboer! Na acht jaar was het tijd voor een beslissing, burgermeester worden van een grotere gemeente of toch iets heel anders? Een langgekoesterde wens van Hans Martijn was om ooit nog eens iets voor de Achterhoek te doen. Die kans kreeg hij toen De Graafschap hem aanbood om algemeen directeur van de voetbalclub te worden. Het was niet een beslissing die over één nacht ijs ging.. Een zeker bestaan als burgermeester opgeven voor een onzeker voorzitterschap? Na het zien van een YouTube filmpje werd de knoop doorgehakt: we gaan de uitdaging aan, op naar de Achterhoek!

Hans Martijn wilde graag een blanco agenda wat betreft sociaal maatschappelijke verankering, het verduurzamen van de voetbalclub. De club was niet gewend om zo te denken, het ging eigenlijk om maar één ding: hoe verkopen we zoveel mogelijk stoelen. Dat Hans Martijn de taal van ondernemers sprak kwam goed van pas, net als zijn ervaring als bestuurder. Dat hij dialect verstaat en ook spreekt heeft zeker voordelen, het ‘houwtje touwtje’ stadion, zoals Hans Martijn de Vijverberg wel eens omschrijft, kent niet voor niets dat gemuudelijke sfeertje. Spelers die niet begrijpen hoe we leven in de Achterhoek passen hier niet vind hij, we zoeken echt naar het Graafschap DNA. En ja wat dat dan precies is? Nou gewoon: DRAN! Volgens Hans Martijn laat het zich nog het beste omschrijven in drie woorden: onverzettelijkheid, passie en strijdlustig. Zelfs bij de spelers met Afrikaans bloed, zie je iets gebeuren in de Vijverberg, ook in hen zie je al snel dat DRAN-DNA. Die sociale maatschappelijke betrokkenheid van De Graafschap uit zich door bijdragen te leveren waar de gemeente niet kan geven. Hans Martijn verwacht dan ook van de spelers dat ze drie dagdelen per maand inzetbaar zijn, dat maakt dat De Graafschap overal zichtbaar is en die rol kan vervullen. Zo is er het talentenpodium waar jongeren zich kunnen presenteren aan sponsors uit het bedrijfsleven. Hoe mooi zou het zijn, vertelt Hans Martijn, als we met onze Graafschap bus naar Groningen of Eindhoven zouden rijden om daar jongeren op te halen, zodat ook zij zich hier kunnen presenteren aan de Achterhoek! Zo hebben die sponsors en ook de businessleden de kans om de beste talenten binnen te halen. De Graafschap legt ook verbindingen tussen de leden en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zo proberen we hen weer betekenis in het leven te geven.

Na een grondig onderzoek op alle mogelijke fronten is gebleken dat de voetbalclub in de basis prima op orde is, het negatieve eigen vermogen is gelukkig al flink terug gebracht. De Graafschap staat statistisch gezien op de 16e plaats van Nederland, eigenlijk net in een té kwetsbare positie. Het streven voor de toekomst is dan ook om met hele kleine stapjes nog iets verder te stijgen. Het stadion stamt uit hetzelfde jaar als de oprichting van De Graafschap, 1954. De ligging van de Vijverberg, midden in een woonwijk, maakt uitbreiding best lastig, vanuit zijn supportershart gezien wil Hans Martijn dit liever ook niet. Hoe mooi is het dat we nu met regelmaat kunnen roepen “het is kats uutverkocht!” Het contact met de buurt is erg goed, het grootste gedeelte is hartstochtelijk supporter of zelfs werkzaam bij de club, zoals Hans Martijn zelf. Zolang je maar in gesprek blijft met elkaar, en bruggen bouwt in tijd van vrede, komt het wel goed volgens Hans Martijn. Wat een geweldige verteller! Onverzettelijkheid, passie en strijdlustig, een man met het Dran-Dna in heel zijn lijf! Een Achterhoeker die niets liever doet dan zo nu en dan, wanneer de Vijverberg leeg en verlaten in het schemerdonker nagalmt van emotie, de grasmat oplopen om zijn blauw-wit hart opnieuw te vullen met trots.

Ik vond het in elk geval een onmundig mooie avond! Een mooie rondleiding door De Vijverberg en via de schitterende spelerstunnel naar het veld. Attamottamotta spat daar van de muur! Geniaal, die spreuk vergeet ik niet meer (bijna net zo leuk als Klomptgoed). Zou er dan toch ook een beetje blauw-wit in mijn hart schuilen? In ieder geval blauw-wit genoeg om nu ook de expositie ‘Superboeren 65 jaar de Graafschap’ in het Stadsmuseum van Doetinchem te willen zien.

DSC_3176-3

Achter de Coulisse.

Het Achterhoek College 2019 is van start gegaan, en deze keer ben ik ook van de partij. De zes colleges worden op verschillende locaties gegeven, de allereerste bij het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers. Een perfecte manier om de Achterhoek beter te leren kennen! De meeste deelnemers bleken dan ook, net als ik, geen geboren en getogen Achterhoekers. Gelukkig onder ons een paar authentieke exemplaren, het dialect klonk me dan ook als muziek in de oren tussen het zeer beschaafde Nederlands (mijn rollende R verraad me nog dagelijks). Tijdens het eerste college stond het landschap centraal, de focus op het coulisselandschap. Vorig jaar volgde ik de trainingen voor Gastvrouw van het Landschap gemeente Oost Gelre, dit college sloot daar prachtig bij aan.

In  november 2018 besteedde het programma Nieuwsuur er uitgebreid aandacht aan, het Hollandse landschap verdwijnt! Zo ook het typische Achterhoekse coulisselandschap. Wat is dat eigenlijk, een ‘coulisselandschap’? Hier vind je kleine lapjes grond, omgeven door bomen en/of struiken en vaak ook een greppel. Doordat je maar een beperkte afstand kunt kijken, zie je telkens weer iets anders wanneer je dit landschap doorkruist. Op het toneel blijft het ook vaak een verrassing wat zich achter de coulissen afspeelt, vandaar de naam ‘coulisse’. Door de schaalvergroting in de landbouw, vind je de authentieke houtwallen alleen nog om grote percelen. Greppels zijn verdwenen en de  lange boomrijen onderbroken. Anno 2019 staat duurzame energie op de loer, gaat dit niet ten koste van ons mooie landschap? Is het terecht dat de overheid alleen geld in de grote natuurprojecten stopt en de kleinere landschapsmonumenten laat verslonzen? Gelukkig ontstaan er steeds meer lokale initiatieven om de eigen landschapsidentiteit te behouden.

André Kaminski, voorzitter van organisatie Stichting Achterhoek weer Mooi (stAM), verzorgd dit eerste Achterhoek College in een reeks van zes. De stAM probeert de doelstelling die centraal staat in het Deltaplan voor het Landschap (boek ‘Nederland weer Mooi’) na te streven, of in elk geval onderdeeltjes hiervan, zoals de aanleg van kruidenrijke bermen en akkerranden. Het boek dat in 2005 werd gepubliceerd vertelt hoe het moderne landschap weer mooi kan worden, met aandacht voor de identiteit van een streek en de geschiedenis. In zo’n landschap zullen dieren en planten die nu dreigen te verdwijnen zich weer thuis voelen. De Vereniging Nederlands Cultuurlandschap stelt dat wanneer we in 20 jaar tijd een bedrag van 12 miljard zouden investeren, we erin kunnen slagen om het Nederlands landschap weer karakteristiek te maken. Uiteindelijk zou het zelfs 18 miljard opleveren! Als de overheid bijna 5 miljard kan uitgeven aan een Betuwelijn, die overigens jaarlijks flink verliest leidt, verdient ons mooie Hollandse landschap dan niet minstens zoveel investering! Uit onderzoek is gebleken dat het niet alleen goed is voor de economie, het draagt ook bij aan een goede gezondheid en het welzijn van de mens.

Als we het hebben over cultureel erfgoed, hoort het coulisselandschap daar ook bij. De Achterhoekse streek barst van de landschapsmonumenten! Wat te denken van de monumentale eik bij de Radstake, de Varsseveldse kopjes en het zandpadenstelsel in Zelhem. Ze maken deel uit van onze identiteit en vertellen vaak vele verhalen. Als mensen het landschap waar ze wonen waarderen, gaan ze het meestal vanzelf beschermen. Maar waarderen we ons landschap wel genoeg? Of vinden we het eigenlijk heel gewoon dat we in deze prachtige groene zone wonen? Stel dat een boer die bereid is om die schitterende monumentale boom die hij midden in zijn weiland heeft staan (hartstikke onpraktisch) te behouden, ter compensatie een geld-busje ophangt, hoeveel mensen zouden er dan daadwerkelijk wat geld in doen? Om het cultureel erfgoed van bijvoorbeeld buurtschap de Meuhoek (bij Halle) te handhaven is €500.000 nodig. Hier vind je het laatste authentieke (kleinschalig) coulisselandschap. Op een oppervlakte van 3 km² vind je een diversiteit van grasland, akkers, landweggetjes en 3000 knotelzen. In de moderne landbouw kan zo’n stuk landschap niet gehandhaafd worden, het vraagt teveel onderhoud. De Elzen moeten allemaal geknot worden om het typische coulisselandschap in stand te houden. Vinden we dat €500.000 waard? Het bekendste schilderij van Rembrandt, De Nachtwacht, wordt dit jaar voor het eerst sinds 1976 gerestaureerd, naar verwachting kost dat 3 miljoen euro. Hetzelfde bedrag wat is berekent voor het restaureren van de Gouden Koets. Ik zou zeggen omsmelten dat ding en de opbrengst investeren in het Hollandse landschap.. 😉.

In onze groep cursisten bevind zich onder andere een agrariër en campingeigenaar. Best verhelderend om die verschillende ervaringen te horen! De grond onder onze voeten wordt door vele aspecten beïnvloed zoals cultuur, recreatie en economie. Iemand die zijn boterham moet verdienen met land-, en akkerbouw bekijkt het gehele plaatje toch echt heel anders als de campingeigenaar die het van de recreatie moet hebben. In de Achterhoek is die recreatie inmiddels minstens zo belangrijk geworden als de landbouw. De hele regelgeving zou volgens de agrariër best wat ‘gemuudelijker’ mogen. Als een boer bereid is mee te helpen om het aantal soorten dieren en planten op zijn landbouwgrond te vergroten door hier een leefgebied voor kwetsbare soorten te creëren, moet hij daarvoor eerst een gebiedsaanvraag doen bij de provincie. Dit soort stukken grond worden namelijk provinciaal toegewezen. De beheersovereenkomst die dan eventueel wordt aangegaan, is aan strenge regels gebonden. Er wordt exact bekeken hoeveel kwetsbare soorten er zich per m² bevinden, pas daarna komt een boer eventueel in aanmerking voor compensatie van dit voor hem onbruikbare stuk landbouwgrond. Volgens de boer zou het mooi zijn als de maatschappij de boer tegemoet zou komen, als in de naaste bewoners en de bezoekers.

Ik ben helemaal voor. Adopteer een boom, sponsor een bermrand en help zo mee de Achterhoek weer mooi te maken. Het was beslist een boeiende avond! Heel fijn ook om te zien dat de mannen toch echt niet zonder vrouwen kunnen als het aankomt op moderne elektronica!

DSC_2859
Femia Siero, directeur van het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers.