Buffelboerderij Arns

Na het bezoeken van een geiten-, schapen-, en koeienboerderij in verband met de Week van de Achterhoekse en Liemerse kazen georganiseerd door Slow Food Achterhoek ging ik zaterdagmiddag een kijkje nemen bij de boerderij van Anita Arns in Zevenaar waar zo’n 300 waterbuffels worden gehouden. Ik kende het dier alleen uit natuurfilms, dat wil zeggen de wilde waterbuffel die voornamelijk in Azië voorkomt. In safaripark de Beekse Bergen vind je de Kaapse Buffel, één van de Big Five en ook één van de gevaarlijkste dieren van Afrika. De huisdierwaterbuffels in Zevenaar zijn zo gefokt dat hun eigenschappen zijn aangepast op een leven in dienst en de nabijheid van mensen.

In 2003 kocht familie Arns de eerste 53 waterbuffels. Hiervoor hadden zij een melkveebedrijf. Inmiddels is de kudde van Waterbuffelboerderij Arns zevenaar gegroeid tot zo’n 300 waterbuffels waarvan er 180 melkgevend zijn, goed voor 1800 liter melk. De waterbuffels worden twee keer per dag gemolken. Net als schapen zijn ook waterbuffels lastiger te melken. Ook zij houden hun melk soms op en moeten de uiers eerst een beetje opgeklopt worden. Op het erf ging ik natuurlijk een kijkje nemen bij de stro-potstal waar een nieuwsgierige waterbuffel mij al stond op te wachten. Wat een imposant dier! De meesten lagen heerlijk rustig in het stro. Bijna allemaal hadden ze ook een laagje stro op hun rug? Het blijkt dat de dieren een erg gevoelige huid hebben die nagenoeg kaal is of bedekt met maar een dun laagje haar. Een laagje modder of stro geeft het dier een beschermend en daardoor rustgevend gevoel. In de stal wordt daarom tweemaal daags (na het melken) van bovenaf vers stro gestrooid. De hoorns van de waterbuffel groeien hun hele leven door. Hoe meer deukjes in de hoorn, hoe ouder ze zijn.

In de buffelshop vertelde Anita Arns mij meer over de producten die zij verkoopt, waaronder natuurlijk de geliefde mozzarella kaas. Er wordt ook feta van buffelmelk verkocht: buffaletta. Behalve kaas verkoopt Anita ook buffelboter, vanille-, en chocoladevla met buffelmelk, yoghurt en natuurlijk verse buffelmelk. Met name de laatste twee producten zijn erg geliefd bij mensen met Turkse roots. Buffelmelk heeft namelijk een heel hoog vetpercentage waardoor het erg lijkt op Turkse yoghurt (8% vet waar koemelk meestal rond de 4% vet bevat). Terwijl ik in het winkeltje rondkeek was het inderdaad een komen en gaan van klanten die een meegebrachte jerrycan met buffelmelk lieten vullen! De zuivel wordt verwerkt in de kaasmakerij van Anita’s zwager die 1 boerderij verder woont. Behalve de zuivelproducten worden er in de boerderijwinkel ook vleesproducten van eigen waterbuffels verkocht. Wat na het slachten niet direct vers wordt verkocht wordt ingevroren. Pas als dat grotendeels is verkocht wordt er weer geslacht. Arns beschikt over een eigen ruimte om het vlees te verwerken. Over de bedrijfsvoering vertelde Anita mij dat zij “niet bio is maar wel ‘logisch’”. De dieren krijgen hier geen standaard medicijnen vanaf hun geboorte. Als ze ziek zijn en daarvoor een kuurtje nodig hebben, dan doet Arns dat net zoals je zelf en ieder ander met zijn huisdieren zou doen. In de boerderijwinkel worden ook streekproducten en verse groenten van collega boeren verkocht en je vind er zelfs een apart winkeltje in de winkel! Namelijk Tante Yo Personal Dogtraining & Dogfood. Hier worden o.a. zelfgemaakte snacks van buffelvlees verkocht en ook buffelbotten. Op deze manier wordt dus echt de hele waterbuffel benut.

Ik vond het een weer een prachtig bezoek! Thuis heb ik werkelijk gesmuld van de vanillevla. Het deed me meteen denken aan de dikke romige vla die mijn oma op de boerderij ook zelf maakte.

DSC_1118
De Buffels in de stro-potstal.
DSC_1199
Jao jao, ook de buffels weten alles van de AVG!
DSC_1160
De buffelkalfjes.

Schapenkaasboerderij.

Dinsdag 8 oktober bezocht ik in het kader van de Week van de Achterhoekse & Liemerse kazen wederom een kaasboerderij. Deze keer melkschapenbedrijf De Kooihoek in het Gelderse Laren. Nog niet zo lang geleden maakte ik een boeiende wandeling door deze prachtige omgeving, georganiseerd door de Agrarische natuurvereniging ’t Onderholt. Ook de schapenboerderij is omgeven door een schitterend stuk natuur! Eigenaren Freek Atema en Ellen Stam stonden ons al op te wachten voor een rondleiding. Slow Food Achterhoek organiseert deze week om te laten zien welke heerlijke kazen er worden gemaakt in de Achterhoek en Liemers. Vandaag dus aandacht voor schapenkaas.

Freek houdt zich sinds de jaren ’70 al bezig met schapen melken en schapenkaas maken. Tot 1988 had hij een boerderij aan de Waal in het Gelderse Brakel. Na een aantal jaren waarin hij te maken kreeg met flinke hoogwaterstanden en overstromingen besloot Freek zijn bedrijf te verplaatsen naar Laren. Op de boerderij zorgen momenteel 75 Friese Melkschapen voor melk. In de jaren ’70 en ’80 was het melkschaap bijna geheel verdwenen in Nederland, daarom is het officieel een ‘zeldzaam huisdier’. Ondertussen zijn er al weer wat meer melkschaapbedrijven, echter nog steeds minimaal vergeleken bij ander melkvee. Freek legde mij uit dat het melken van schapen ook best heel arbeidsintensief is. Het neemt ongeveer twee keer zoveel tijd in beslag als het melken van koeien of geiten en bovendien produceren ze maar de helft van de melk in vergelijking met een geit. Een schaap produceert ongeveer 500 liter melk per jaar, een geit daarentegen dus zo’n 1000 liter. Er wordt op De Kooihoek twee keer per dag gemolken in een melkstal met 12 melkplekken. In totaal kunnen er zo’n 40 schapen tegelijk in de melkstal. Via een gangetje komen ze de stal binnen en ja, dan ontstaat er wel eens file! Alle schapenmelk van De Kooihoek wordt in hun eigen kaasmakerij verwerkt tot rauwmelkse kaas. Zo ontstaat er een zeer smaakvolle schapenkaas met eigen unieke Kooihoek-smaak. Ellen legde uit dat er zelfs nog smaakverschil ontstaat wanneer je schapenkaas maakt van eerst gekoelde of juist ongekoelde schapenmelk! Dan is het nóg romiger. Er wordt voornamelijk biologische harde schapenkaas gemaakt, van jong tot overjarig. Daarnaast maakt Ellen ook feta, kwark en ricotta. Ik ben verzot op fetakaas! Dat heb ik echt pas leren eten in Griekenland, bestrooid met olijfolie en oregano. Vandaag zag ik dus gewoon grote verse blokken in een toepasselijke Grieks-blauwe emmer drijven.

Per week wordt er twee keer kaas gemaakt. Behalve door Ellen en Freek gebeurt dat één van beide keren door een vaste medewerker die wekelijks 5 uur op De Kooihoek helpt. Ongeveer de helft van de schapenkazen wordt verkocht op diverse biologische markten. Zelf staat Freek iedere vrijdag op de biologische markt op het Vredenburg in Utrecht. Dat vond ik wel weer toevallig om te horen aangezien ik in Bilthoven ben geboren en ontelbare keren over de (zaterdag) markt in Utrecht heb gestruind en soms ook werkte (in een kruidenkraam). De overige kaas van De Kooihoek gaat naar biologische kaaswinkels en verschillende groothandels in Nederland en ook België. De oudere schapen die nauwelijks of geen melk meer produceren worden door een kleine lokale slager geslacht. Het vlees wordt verwerkt tot schapenworst en deels teruggekocht door Freek die het dan weer op de markt verkoopt. Ook kan er lamsvlees worden gekocht op De Kooihoek. Op de vraag of er verschil is in het maken van schapenkaas en geitenkaas antwoordde Ellen bevestigend. De rijping van de wrongel gaat sneller omdat er meer vet en eiwitten in schapenmelk zit. Het is volgens haar zoeken naar de juiste balans. Roer je te kort, dan heb je een natte kaas. Bij teveel roeren wordt de schapenkaas juist droog en hard. “Het is een stukje beleving dat je na jaren pas echt goed in de vingers krijgt.”

Tijdens de rondleiding over het bedrijf zagen we in de weide ook een Blauwe Texelaar lopen. Dat viel wel op natuurlijk tussen al die witte wollige lijfjes! We vroegen ons af of de witte Friezen dat niet raar vonden zo’n donkere snoet in hun midden? Ellen schoot meteen in de lach. “Jazeker zei ze. Het leek wel alsof ze door een wolf op hun hielen werden gezeten! De eerste paar uur deden ze niets anders als wegrennen voor de Texelaar. Aangezien een schaap een kuddedier is, bleef de Texelaar juist instinctief achter de Friezen aanrennen!” Het is blijkbaar toch goed gekomen, want alle schapen lagen gemuudelijk bi’j mekare.

De hele manier van werken op de Kooihoek is biologisch. In het weideland worden bijvoorbeeld klavers en cichorei gezaaid. Er wordt geen gif gebruikt waardoor er ook veel andere kruiden groeien. Het graanland (dat voor een deel voorziet in het krachtvoer voor de schapen) voldoet aan de voorwaarden van agrarisch natuurbeheer als kruidenrijk akkerland. Naast dit perceel ligt ook nog eens een twaalf meter brede bloemenstrook. Op het dak van de grote stal liggen zonnepanelen, goed voor een derde van het elektriciteitsverbruik. Op de melkstal liggen zonnecollectoren die voor het warme water zorgen. Aan de achterzijde van de boerderij hadden we een schitterend uitzicht over de houtsingel die Freek in de jaren ’90 eigenhandig heeft aangelegd. Het hout wat hieruit komt wordt weer gebruikt in de houtgestookte cv-ketel die  het woonhuis en de kaasmakerij verwarmd. Best veel werk beaamde Freek maar het snoeiwerk vind hij mooi om te doen. Zo heeft hij ook een heel stuk houtwal zelf gevlochten. Het afvalwater van het woonhuis en de kaasmakerij wordt gezuiverd in een rietveldzuivering? Weer iets nieuws geleerd in mijn leven.

We verlieten de Kooihoek niet zonder een heerlijke kom thee (André had geluk, het was geen badwatersmaakje) met iets lekkers erbij. Vanaf de keukentafel hadden we een geweldig mooi uitzicht op de omliggende natuur. Binnen was er overigens ook genoeg te zien! Heel veel trofeeën en bokalen bovenop de schouw waaronder op een schitterend crèmekleurig Aga fornuis de koffie warm werd gehouden. Ik vind deze week van Slow Food Achterhoek nu al geslaagd! Mooi om op deze manier kennis te maken met een aantal bijzondere bedrijven in de Achterhoekse streek en mij bewust te worden van de prachtige streekproducten die zij maken.

 

DSC_1030
Kaasmakerij.
DSC_1024
Als hobby worden er soms ook huiden gelooid.
DSC_1045
Schitterende houtsingel achter de boerderij.

Geitenkaasboerderij.

Geitenkaasboerderij De Brömmels.

Camping en geitenkaasboerderij De Brömmels is gevestigd in het prachtige Winterswijkse Woold. De week van 6 t/m 13 oktober zet Slow Food Achterhoek alle Achterhoekse en Liemerse kazen in de spotlight. Ik ga diverse locaties bezoeken om foto’s te maken en te schrijven over het bedrijf en hun streekproduct. Zo mocht ik maandag 7 oktober meekijken bij het maken van geitenkaas in de kaasmakerij van De Brömmels. De kaasmakerij is spiksplinternieuw, dus had ik ook nog eens de primeur om hier de eerste reportage foto’s te mogen maken! Nu was ik nog niet eerder op deze boerderij geweest dus voor mij was het sowieso al heel bijzonder.

Bert Kots, de eigenaar van het bedrijf, maakt ondertussen al 41 jaar kaas. Als kind had hij al iets met kaas vertelde hij. Zo fietste hij toen al graag naar de nabij gelegen Harmienehoeve waar het heerlijk geurde naar verse kaas. De eerste geit op De Brömmels was Mieke (1995). Inmiddels worden er 130 geiten gemolken. Van die melk wordt voornamelijk kaas gemaakt. Geitenmelk wordt eigenlijk alleen op bestelling verkocht. In de kaasmakerij stond de grote tank al vol met geitenmelk, 1500 liter om precies te zijn. Twee keer week wordt hier kaas gemaakt van eigen melk en één keer per week door een buurman-boer uit het Duitse Bocholt. Hij is eigenaar van Büffelhof Kragemann en maakt zijn eigen buffelkaas in de kaasmakerij van Bert. Aan de melk wordt vloeibare stremsel toegevoegd en daarna in zijn geheel opgewarmd. De melk gaat vervolgens ‘stremmen’, de vaste stoffen (eiwitten) in de melk klonteren samen. Gestremde melk wordt wrongel genoemd. Terwijl Bert de messen bevestigde die de wrongel gaan breken (snijden) vertelde hij enthousiast verder over zijn bedrijf.

Zijn geiten hebben het goed. De laag stro in de stal moet zo dik zijn dat je er zelf ook lekker op kunt liggen. Als dat zo is heeft de geit het volgens hem ook naar zijn zin. Openheid is voor Bert heel belangrijk. “Ik heb een open bedrijf en een open boekhouding. Iedereen mag komen kijken wat ik doe en welke grondstoffen ik gebruik.” Geiten eten voornamelijk gras maar het zijn geen grazers zoals koeien. De meeste geiten bij De Brömmels vind je dan ook in de grote stal, waar ze zelf het allerliefste zijn. Op wat jongvee na, die kunnen naar hartenlust buiten rennen en gekke bokkensprongen maken. De geiten op stal voert Bert voornamelijk hooi van eigen land en een heel klein beetje brokken. Hij vind dat je streekproducten zoals de kazen van De Brömmels ook moet maken grondstoffen uit de streek. Dus wordt er zo min mogelijk hooi aangekocht. Het afvalwater van de kaas wordt ook weer verspreid over het weiland. Dit bevorderd de vertering van het stro, hierdoor valt het sneller uit elkaar legde Bert me uit. Het restproduct van kaas, de (kaas)wei, zou volgens hem nog veel beter benut kunnen worden. Het is bijvoorbeeld zeer geschikt om aan de varkens te geven.

Het kaasmaken doet Bert niet alleen. Meestal wordt hij geholpen door Iris. Toen zij een jaar of dertien was kwam zij als campinggast op De Brömmels. Op het gevarieerde bedrijf van Bert en Ellen is natuurlijk altijd wat te doen, zodoende begon Iris in 2012 met werken op de boerderij. Toen twee dagen per week en inmiddels werkt ze er fulltime. Er worden meerdere keren per week rondleidingen gegeven aan scholen en bedrijven. Wanneer Bert hier geen tijd voor heeft neemt Iris het over. Inmiddels weet ook zij heel wat over het kaasmaken te vertellen. Tijdens de koffie mochten we ook proeven van de diverse geitenkaasjes die hier worden gemaakt. De zachte geitenkaas met mierikswortel waar we volgens Bert mee moesten beginnen smaakte heerlijk. Daarna proefden we nog wat van de harde geitenkaas. Jong naturel, oud en gekruid. Het smaakte allemaal even lekker. De geitenkwark van de Brömmels wordt ook steeds populairder, met name in de horeca.

Deze ochtend werden er 50 pondjes gemaakt, kleine geitenkaasjes van 500 gram. Nu de kerstdagen in zicht komen worden deze weer meer geproduceerd omdat ze met name populair zijn als relatiegeschenk. Het meest gangbaar op De Brömmels zijn echter toch de 5 kilograms kazen, deze gaan naar de winkeliers. Toen de wrongel naar beneden was gezakt werd er 500 ml weivocht uit de tank gepompt. Zo ontstaat er ruimte om warm water toe te voegen wat nodig is om de juiste temperatuur te krijgen. Terwijl Bert de kaasnetten in de wrongel stopte vertelde hij meer over het pekelen van de kaas nadat ze uit de vormen zijn gehaald. De pondjes kaas hebben genoeg aan zo’n zes uur in het pekelbad. Dan is het zout doorgedrongen tot het binnenste van de kaas. De tonnetjes kaas van 5 kilogram gaan 2 dagen in het pekelbad. Zout is niet onderdeel van de smaak, het dient ook als conserveringsmiddel. Minder of geen zout gebruiken betekent dat er meer chemicaliën moeten worden gebruikt. Mooi om te zien hoe Bert en Iris met hun handen werken. Hoe Bert de kaasnetten vult boven de tank en deze vervolgens doorgeeft aan Iris die ze in de kaasvaten (vormen) doet en onder de pers legt om het laatste restje vocht eruit te persen. Om een mooie ronde vorm te krijgen werden de pondjes kaas al vrij snel gekeerd. Nee, dat was geen kwestie van gewoon even ‘op zijn kop leggen’! Eerst moesten alle kaasnetten weer uit de vorm worden gehaald, waarna het kaasje omgekeerd (deze keer zonder kaasnet) terug in het kaasvat gaat en ook weer opnieuw onder de kaaspers. Tijdens dit keren werden de kazen ook voorzien van hun eigen label met uniek serienummer. “Een track & trace code”, zei Bert lachend toen ik vroeg wat hij nu op de kaas plakte.

Tot slot mocht ik nog een kijkje nemen in de pekelruimte waar ook de koelcel en de kaasopslag zich bevind. Het rook er inderdaad heerlijk! Ik moet bekennen dat ik al heel erg lang niet meer in een kaaswinkel of bij een kaasboerderij ben geweest. Meestal ligt er een pakje uit de supermarkt met gesneden plakken kaas in de koelkast. Na deze ochtend vind ik eigenlijk dat daar nodig verandering in moet komen! Zeker nu ik gezien heb dat er bij De Brömmels Pistschekaas ligt te rijpen op de plank.

DSC_0945
Campinggasten kunnen altijd meekijken bij het kaasmaken.
DSC_0993
Keren van de geitenkaasjes.
DSC_1002
Het ruikt zalig in de kaasopslag!

Holle wegen van Barlo

Tijdens het Achterhoek College 2019 leerde ik heel wat nieuwe mensen kennen, zo ook André Kaminski van Stichting Achterhoek weer Mooi (StAM). Hij vertelde ons over de cursus ‘Lezen van Historisch Kaartmateriaal’, en dat het voor de deelnemers aan het Achterhoek College wellicht leuk zou zijn om de bijeenkomst in Barlo bij te wonen. Ik heb dat aanbod van harte aangenomen! Als Gastvrouw van het Landschap Oost Gelre vind ik het altijd leuk om een kijkje bij de buren te nemen.

Stichting StAM vraagt aandacht voor bijzondere gebieden in het gewone boerenland, zoals landschapsmonument De Meuhoek, met de bedoeling deze gebieden toekomstbestendig te maken. De omschrijving ‘landschapsmonument’ heeft niets te maken met een monumentenstatus. Het is eigenlijk een soort cadeautje aan de eigenaar, een buurtschap of de gemeente. Een stukje identiteit waar we met zijn allen zuinig op moeten zijn. Van alle gebieden worden de gegevens vastgelegd in een modelbeschrijving, een soort gereedschapskist waar alle basisinformatie in opgeborgen ligt. De doelstelling is om elkaar te vinden, te ontmoeten. Om samen te werken aan de landschapsmonumenten, want uiteindelijk wordt er wel een stukje inzet van iedereen verwacht. Het leukst is dan natuurlijk om in jouw eigen favoriete gebied aan de slag te gaan, daar waar jouw eigen interesse ligt.

René Luijmes liet ons zijn modelbeschrijving zien van de Ziegenbeek. De naam is afgeleid van de Siegenbok in het wapen van Sinderen. De Ziegenbeek is een oude grensscheiding richting Gendringen en mond uit in de Keizersbeek bij de Klompsbrug. Rond 1600 was de Ziegenbeek zo’n vier à vijf meter breed en mondde toen uit in de Aa-Strang. De originele loop werd grotendeels gewijzigd doordat men de beek rechttrok. Slechts enkele stukjes van de 15 km lange beek heeft nog zijn originele loop. Het was een typisch ‘slagenlandschap’, een lappendeken van lange smalle percelen en slootjes die haaks op de beek lagen. Voor de ruilverkaveling waren er zo’n veertig eigenaren, na 1970 nog maar zes! Belangrijke historische kaarten van dit gebied werden vervaardigd door Johan Heinrich Merner. Eén van de deelnemers vroeg René waar hij bij het invullen van de modelbeschrijving zoal tegenaan liep? Bij dit landschapsmonument liep hij vooral tegen de geschiedenis aan. Sommige archieven bevinden zich namelijk net over de grens in Duitsland. Aangezien de Ziegenbeek 15 km lang is, heb je ook te maken met veel grondeigenaren. Iedereen gaat weer anders met zijn stukje om, zo is het vegetatieverschil bijvoorbeeld heel groot. De Dotterbloem vind je sowieso volop langs de beek! De smalle stukjes zijn meestal eigen beheer, sommige stukken echter vallen onder het Waterschap. Gelukkig hebben zij veel oude archieven.

De bijeenkomst werd gehouden bij boerderij De Neeth in Barlo. Bij velen wellicht bekend door de speeltuin, het pannenkoekenhuis en boerderijmuseum. Zelf was ik er nog niet eerder geweest, terwijl het nog geen vijf kilometer van mijn huis af ligt! Melkveehouder Theo Sonderlo was aanwezig om meer te vertellen over zijn boerderij De Neeth, in Achterhoeks dialect uiteraard. De eeuwenoude boerderijnaam De Neeth is behoorlijk raadselachtig, net als het verhaal dat er niet ver van de boerderij een kasteel of havezate zou hebben gestaan uit de tijd van Karel de Grote! In de wei bevinden zich een beschermd stuk bodemarchief waar de vroegere grachten hebben gelegen, door de opa van Theo gedempt. In 1899 kocht de grootvader van Theo de hoeve (Dorus Lammers, Sonderlo ‘hef de konte er bie in gedraait’, aldus Theo…) Deze sloopte hij en bouwde in 1914 de huidige boerderij, met hergebruik van de gebinten. De oude put bleef staan waar hij stond. Een vroegere archivaris schreef dat De Neeth één van de oudste boerderijen van Barlo is, waarschijnlijk gesticht als hofboerderij van Karel de Grote. Het wegennet op historische kaarten laat zien dat De Neeth in het oude Barlo een centrale rol speelde, veel wegen kwamen daar namelijk samen.

Theo was altijd al gek van ‘old spul’, paarden en ook koetsen. De spullen moeten wel functioneel zijn en ook echt uit de Achterhoek komen. Vandaag hef ze niks meer verstand als vrogger, merkt Theo op. Mensen waren vindingrijk, alles werd met de handen gemaakt. Die oude trekkers, die kon je nog repareren met een hamer en nijptang! Hij laat ons een melkzeef zien, gemaakt van eikenhout en paardenhaar, onverwoestbaar. Gaandeweg kwamen Theo en zijn vrouw Truus erachter dat het oude boerenspul (met name bij bezoekers uit het westen) niet zo interessant wordt gevonden. Vooral oude keuken-, en slaapkamerspullen en gebruiksvoorwerpen voor de was trekt veel publiek. Een rondleiding duurt al snel anderhalf uur, koffiedrinken gebeurt in de museumboerderij. Dan krijg je de mensen aan het vertellen, glimlachte Theo. In 1950 bouwden de ouders van Theo een kar loods op De Neeth, voor de trekkers en koetsen. Deze loods werd omgebouwd, in 2016 opende hier de pannenkoekenboerderij die wordt gerund door Patrick. Theo sloot af met de opmerking dat je wel een beetje ‘een tik moet hebben’ voor je zoiets begint! Het is vooral een hobby die voornamelijk uit de eigen portemonnee komt. Samen met dochter Christel runt Theo het 120 koeien tellende melkveebedrijf dat sinds 2017 ook de officiële status van zorgboerderij heeft.

Die Holle Wegen van Barlo, die wilden we natuurlijk wel even in het echt zien! Gelukkig was dat ook onderdeel van het programma, een heuse veldexcursie. Vlak bij De Neeth ligt het Nijhofslaantje (door de Nijhof bewoners ’t Neeths-laantje genoemd),  hier stond het vroeger tot aan Lichtenvoorde vol met eikenbomen bestemd voor de leerindustrie in die plaats. De bast van de eik (eek) bevat namelijk looizuur. Door de hoge essen rondom De Neeth ligt er een schitterende holle weg, uitgesleten door smeltwater en later door de karrensporen. Het hoogteverschil tussen de hoogste es en De Neeth is ongeveer 15 meter! Bij een prachtige bloemenakker hielden we stil, onderdeel van het project ‘Samen voor de Patrijs’. Omdat de Patrijs langzaamaan lijkt te verdwijnen uit het landschap, is sinds 2013, het ‘jaar van de Patrijs’, een speciale werkgroep bezig om het tij te keren en de vogel terug te brengen. Als de Patrijs terugkomt, komen de andere vogels vanzelf, legde de gids ons uit. Met dit project gingen vijf partijen de samenwerking aan: Agrarische Natuurvereniging PAN, Vogelwerkgroep Zuidoost Achterhoek, Wildbeheereenheid Aalten e.o., Vogelbescherming Nederland en de gemeente Aalten. In de afgelopen vijf jaar is het aantal paartjes toegenomen van 3 naar 42! Mooi om te zien dat door samenwerking zoiets moois kan ontstaan. Als kroon op het werk heeft het project ‘Samen voor de patrijs’ de Gouden Mispel gewonnen (natuurbeschermingsprijs). Ieder van de bovengenoemde partijen zaait zijn eigen bloemenmengsel voor eigen doel. Bijvoorbeeld om natuurlijke vijanden te bestrijden zoals bladluizen, of zoals de gemeente Aalten voor het toerisme dat de afgelopen jaren een flinke groei doormaakt. Het project akkerrandenbeheer telt momenteel een kleine 200 deelnemers. Een kilo bloemrijk zaaimengsel (€25) wordt hen samen met de kennis van de vijf partijen beschikbaar gesteld, voor de machines zorgen de deelnemer zelf. De gidsen wezen ons de kruidige en geurige planten aan zoals Boekweit en Kaasjeskruid.

Een stukje verderop kwamen we bij het openluchttheater Markelink van Barlo. Toen het feestgebouw in Barlo te klein bleek voor het toneel, werd (vlak na de Tweede Wereldoorlog) achter boerderij Markerink een openluchttheater gemaakt voor zo’n 1500 toeschouwers. Hier zijn volgens zeggen heel wat relaties ontstaan, verliefde stelletjes verdwenen dan stilletjes achter de dichte coniferen die eromheen stonden! De zandweg liep tussen toneel en de tribune door. Onze gids vertelde nog een leuke anekdote: als de melkboer voorbij kwam, moest er even gestopt worden met het toneelspel. Rekwisieten, toeschouwers en toneelspelers gingen aan de kant zodat de melkboer kon passeren, daarna werd de uitvoering weer hervat. De wandeling ging via een stukje eigen erf (de eigenaar die buiten de krant zat te lezen grapte vrolijk: zovölle visite hebben wi-j niet op gerekend!) terug naar De Neeth. Ondanks de zinderende hitte was het beslist een boeiende wandeling.

Paul Heutinck, ontwerper van de Achterhoekse vlag, sloot de middag af. Dat was niet zomaar, want het ontwerp van deze vlag is terug te vinden in het Achterhoekse landschap. Sterker nog, het zou maar zo eens een luchtfoto van Barlo kunnen zijn! Paul haalde zijn inspiratie daadwerkelijk uit een luchtfoto die hij ooit zag. Een lappendeken met de felgroene kleuren van vers gras, de onregelmatige vormen van percelen en kromme weggetjes. Waren de lijnen in de vlag recht geweest, dan had het ook een polderlandschap kunnen zijn. Paul is er best trots op dat hij als Achterhoeker (geboren en getogen te Lintvelde, Beltrum) als winnaar is verkozen. Inmiddels zijn er vele duizenden exemplaren van de vlag verkocht, ook bij mij ligt hij natuurlijk op de plank.

IMG_9081
Holle weg vanaf De Neeth. 

 

 

Struinen langs de Berkel

Dinsdag 7 mei was de vijfde lezing van het Achterhoek College door het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, in Almen deze keer. Een Achterhoeks dorp waar ik eerlijk gezegd nog nooit eerder in of rondom was geweest. De autorit ernaartoe was al een beleving op zich! Prachtige landelijke en verlaten weggetjes, met overigens heel veel schitterende oude schuurtjes en kippenhokken. Vanaf Stichting Ons Huis Almen, het dorpshuis en letterlijk middelpunt van Almen, zijn we onder leiding van Jaco van Langen die dit vijfde college verzorgd naar de oever van de Berkel gewandeld. Binnen enkele minuten stonden we in een schitterend stukje natuur!

Jaco van Langen studeerde cultuurtechniek, en kan ons enorm veel vertellen over water-, en natuurbeheer. Als projectmanager bij Waterschap Rijn en IJssel werkt hij onder andere aan de inmiddels vierde Berkelverbetering. De eerste Berkelverbetering was al in 1882, het jaar dat ook in het oosten van Nederland het Waterschap werd opgericht (in het westen gebeurde dit al enkele eeuwen daarvoor). Met name bij Eibergen vonden enorme wijzigingen plaats, waardoor de Berkel steeds verder van het dorp kwam te liggen. De werkzaamheden van 1882- 1899 bestonden vooral uit het afsnijden van de bochten, en het breder maken van de Berkel. Tijdens de tweede Berkelverbetering (1921- 1945) werd o.a. het Twentekanaal aangelegd en bouwde men stuwen in de rivier. Tegenwoordig liggen er nog 22 stuwen in de Berkel. De derde naoorlogse Berkelverbetering vond plaats van 1963- 1977. Bij Borculo, dat in 1960 nog helemaal blank had gestaan, kwam een omleiding en het aquaduct. Bij Lochem kwam een aflaat, in Zutphen het gemaal Helbergen en bij Rekken de zandvang. Gedurende al die jaren veranderde de Berkel in een rechte saaie rivier, was eigenlijk meer een kanaal geworden. De laatste jaren werd er gelukkig een hermeandering tot stand gebracht. Door het terugbrengen van bochten in de rivier zijn er verloren gegane stukken natuur opnieuw toegevoegd waardoor er in totaal nu 2500 meter meer Berkel is ontstaan. Op deze manier kunnen er weer veel meer plant-, en diersoorten in en bij de Berkel leven en het water is er bovendien ook veel schoner van geworden. Eigenlijk wordt er al vanaf de middeleeuwen aan de Berkel gewerkt, met name de Berkelcompagnieën speelden hierbij een belangrijke rol. Het voornaamste doel was om hem beter bevaarbaar te maken.

De Berkel is een 110km lange rivier, die zijn oorsprong heeft in het Duitse Billerbeck aan de voet van de Baumberge. Meerdere bronnen voegen zich onderweg bij het riviertje. Bij buurtschap Oldenkotte (vlakbij het Gelderse Rekken) komt de rivier de Achterhoek binnen, om vervolgens bij Zutphen uit te monden in de IJssel. Heel vroeger stroomde de Berkel van oost naar zuid waar hij in de Rijn uitmondde! In Duitsland stroomt de Berkel onder andere door Coesfeld, Stadtlohn en Vreden. Het hoogteverschil is enorm, ruim 100 meter! De Berkel ontspringt zoals gezegd in het Duitse Billerbeck op 125 meter boven N.A.P. Bij de uitstroom in de IJssel is de bodemhoogte nog maar 4 meter boven N.A.P. De Berkel werd door watermolens dankbaar gebruikt als energieleverancier. Watermolens waren het centrum van ambacht, hier ontstond handel (handel in de landbouw was toen nog erg kleinschalig). De oudste watermolen op de Berkel is die van de hof te Vaarwerk in Olden Eibergen (buurtschap in gemeente Berkelland), die al in 1188 genoemd wordt. Slechts twee overleefden de tand des tijds, de De Mallumsche Molen en de Oliemölle in Borculo. Vanaf het jaar 1670 waren de Berkelzompen (een kleiner model zomp) een belangrijk vervoermiddel op de Berkel, die overigens pas sinds 1600 enigszins bevaarbaar was. De zomp ontstond uit de vraag naar een vervoermiddel dat meer kracht en laadvermogen had dan paard en wagen, en waarmee men minder hinder zou ondervinden van de vaak slecht begaanbare zandpaden in de Achterhoek. Het platbodem scheepje dat zo’n 40 cm diep in het water lag was heel erg geschikt voor de toen smalle, bochtige en ondiepe Berkel. De Berkelscheepvaart kwam eind 1700 goed op gang. Hout en katoen was het belangrijkste product dat door zo’n 80 schepen werd vervoerd tussen Zutphen en het Duitse Vreden. Een aantal natuurgetrouwe replica’s van de Berkelzomp varen nu de Berkel op en neer als toeristische attractie.

Van Almen tot Warnsveld mag de Berkel dus weer slingeren. De oevers wisselen elkaar af van steil en kaal tot slechts heel licht hellend en moerasachtig. Dood hout wordt niet meer verwijderd, in sommige gevallen zelfs expres aangebracht. Op deze manier ontstaat er meer verschil in waterdiepte en stroomsnelheid. De Besselinkstuw bij Almen en de Warkenstuw bij Warnsveld zijn zo gemaakt dat ze passeerbaar zijn voor vissen. Heel belangrijk omdat vissen zich van nature door beken en rivieren heen en weer bewegen, ook tegen de stroming in. In de stuw zorgt een kunstmatig opgewekte waterstroom ervoor dat de vissen naar de vispassage worden gelokt, deze nagemaakte stroming is iets sterker dan de natuurlijke stroming vanuit de stuw, wat de voorkeur van de vissen heeft. Inmiddels is zelfs de in Nederland zeldzame waterspreeuw (vogel) in de Berkel waargenomen. Waterspreeuwen gebruiken hun vleugels om onder water te zwemmen en kunnen over de bodem lopen om daar naar voedsel te zoeken. In de toekomst zullen de Berkelverbeteringen zich vooral richten op het op orde krijgen van de natuur zonder dat de landbouw hierbij in het geding komt. Er wordt nagedacht over de vraag hoe we het neerslagoverschot beter vast kunnen houden voor tijden van droogte en hoe het water beter gezuiverd kan worden van medicijnresten.

Zo aan de oever van de Berkel begrijp je meteen waarom het een favoriete en veelbeschreven plaats is van de Achterhoekse dichter en landbouwkundige Anthony Staring. Het is er werkelijk schitterend! In Almen kun je bij Zwembad en kanocentrum De Berkel o.a. kano’s en waterfietsen huren. Aan de oever staan bovendien sinds 2017 drie prachtige lichtblauwe trekkershutten. Ik zie meteen een prachtige schrijfplek! Hier kom ik zeker nog eens terug.

DSC_4563-HDR

Streekverbetering

Het derde college van het Achterhoek College 2019 had als thema: de moderne Achterhoek en architectuur. Het eerste deel: “De moderne Achterhoek – de maakbare samenleving in een achtergesteld stukje Nederland” werd gegeven door Joanne te Winkel uit Winterswijk. Zij studeerde geschiedenis aan de universiteit en maakt deel uit van het projectteam ‘Een Nieuwe Tijd! Wederopbouw in de Achterhoek’. Dit programma is samengesteld door 11 gemeenten in de Achterhoek met als doel het bijzondere erfgoed uit de wederopbouwperiode dat de Achterhoek bezit, groots onder de aandacht te brengen. Dit zal gebeuren in het jaar 2020, aansluitend op 75 Jaar Vrede en Vrijheid in de Achterhoek. Eigenlijk is er maar weinig belangstelling voor de wederopbouw architectuur. Met dit project hoopt men een herwaardering teweeg te brengen met het erfgoed als inspiratie.

Sicco Mansholt was twaalf jaar (1945-1958) minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Hij voorzag al vroeg dat de Nederlandse landbouw gereorganiseerd moest worden. Hij wilde bedrijven die kleiner waren dan vijf hectare samenvoegen waarmee hij een gevoelige snaar raakte, aangezien zeventig procent van de boeren vlak na de oorlog een bedrijf van vijf hectare of kleiner had. Ondanks dat de boeren zich vrij snel hersteld hadden van de oorlog (in 1950 zat men alweer op hetzelfde productieniveau als voor de oorlog) bleef Nederland achter bij andere landen. Mansholt wilde dat de boeren in achtergebleven gebieden zoals Winterswijk, hetzelfde welvaarts-, en welzijnspeil zouden bereiken als de arbeiders in de industrie. Tussen 1962 en 1968 stond Winterswijk in het teken van het Streekverbeteringsprogramma , dit zou hieraan gaan bijdragen. Een groot deel van de voorlichting werd uitgevoerd door lokale boerenstandsorganisaties, deze moesten de eigen achterban helpen bij de mentaliteitsverandering (zij hadden tenslotte het vertrouwen van de boeren al). Er werd zelfs een speciaal maandblad uitgegeven om informatie over het programma in Winterswijk te verspreiden, ’t Olde Wenters’.

Men wilde de boeren moderniseren door middel van voorlichting. Zo was er bijvoorbeeld veel aandacht voor het huishouden, dat moest moderner en makkelijker. Zo hield je namelijk tijd over! Tijd over om de man te helpen. De Nederlandse Bond Voor Plattelandsvrouwen ging het land door met een reizende woon-tentoonstelling. In twee jaar tijd moest het hele platteland op de hoogte worden gebracht van moderne huishouding. Het had met name betrekking op de moderne woninginrichting, huishoudelijke apparatuur en voeding. Landbouwkundige voorlichting  (ruilverkaveling, mechanisatie, bankleningen) zou de boer helpen zijn bedrijfsstijl te optimaliseren. Agrarisch-sociale voorlichting (bedrijfsopvolging, vrijetijdsbesteding) moest een boer en zijn gezin helpen met een betere positie in de samenleving. De traditionele samenleving in het oosten van Nederland moest ook op de schop. Drie generaties die onder één dak wonen, werd gezien als afwijkend en niet iets voor ‘de moderne tijd’. Voorlichting over samenwonen was dus ook onderdeel van het Streekverbeteringsprogramma. De juiste mentaliteit om veranderingen in het bedrijf aan te brengen werd minstens zo belangrijk gevonden, anders zouden zij de voorgestelde veranderingen helemaal niet toe kunnen passen! Boeren moesten geholpen worden om zich te ontworstelen aan het traditionele cultuurpatroon want deze droegen allesbehalve bij aan vooruitgang.

Het streekverbeteringsprogramma leek aan het einde van de jaren 1960 steeds meer achterhaald, in 1970 kwam er dan ook landelijk een einde aan het programma. De infrastructuur was verbeterd, er waren meer onderwijsmogelijkheden, de industrialisatie was niet meer weg te denken en met de komst van de auto en televisie  was het blikveld van de boer vergroot. De voorlichting richtte zich nu vooral nog op geldzaken. Met enige teleurstelling werd er teruggekeken op de resultaten van het Streekverbeteringsprogramma in Winterswijk. De polder had bewezen dat de samenleving maakbaar was en ook de kleine boeren in het oosten moesten gemaakt worden tot moderne agrarische ondernemers. Nieuw land kon de overheid helemaal naar smaak inrichten, maar oud land veranderen bleek moeilijker. Het is gebleken dat je een idee niet zomaar even landelijk kunt uitrollen. In Winterswijk was dan ook niet heel veel veranderd na afloop van het streekverbeteringsprogramma. De Achterhoek hield vast aan de traditionele gewoonten, en hoe mooi is dat eigenlijk! Deze streek heeft duidelijk een sterke eigen identiteit.

Een deel van mijn eigen familie woont in de Noordoostpolder, gemaakt op de tekentafel. De hele opzet kent een duidelijke hiërarchie. Het wegen-, en watersysteem loopt van groot naar klein, de ordening van de agrarische bedrijven aan de hand van de grootte. De grote polderbedrijven liggen hierbij centraal, de kleinere aan de randen. De opzet van de tien dorpskernen was al even nauwkeurig uitgetekend. De bijna ronde vorm van de polder, maakte het logisch om in het geografische midden het streekcentrum te projecteren met voorzieningen als een ziekenhuis, schouwburg en scholen voor voortgezet onderwijs. Dit voorzieningencentrum werd de Noordoostpolder-stad Emmeloord. De fietsafstand tussen alle kernen mocht hooguit 10 kilometer bepalen. Want iedereen moest kunnen fietsen: de arbeider naar zijn werk, de kinderen naar school en de vrouw naar de winkel. Negen dorpen waren door een ringweg met elkaar verbonden (Rutten lag aan een uitloper van de kring), Emmeloord ligt in het midden op het kruispunt van de vier hoofdwegen die de polderstad dus met vier polderdorpen verbind. Deze hele theorie werd overigens razendsnel achterhaald, ook hier ging men mechaniseren en autorijden.

Het tweede deel van dit college: “Sober en solide –  Architectuur van de wederopbouw in de Achterhoek”, werd gegeven door Roger Crols. De architectuurhistoricus vertelde over de vormgeving van de moderne Achterhoek, de onbekende ruwe diamanten van de wederopbouw in onze eigen regio. Wederopbouw is meer dan alleen het herstellen van oorlogsschade. Het heeft ook te maken met modernisering, nieuwe uitbreidingswijken om de woningnood het hoofd te bieden en de ruilverkaveling in landelijk gebied. Met name Beltrum was in de Achterhoek een wederopbouwgebied van nationaal belang. Men hield hier namelijk rekening met het historisch landschap en waterwegen. Joanne vertelde ons al dat ook de Achterhoek zulke uitbreidingswijken kent, bijvoorbeeld in Zelhem aan de Abraham Kuyperstraat. Mensen van het platteland, vanuit de agrarische sector, gingen werken in de groeiende industrie. Zelhem koos voor een landelijke woonstijl, zo was de ingang bijvoorbeeld aan de achterzijde. Er was ruimte voor een moestuin, en daarnaast nog voldoende voor het houden van kippen en een varken. De keukens waren groot, zoals de woonkeukens in de boerderijen. Een kelder vond men vaak onprettig, een waterleiding veelal overbodig. De huizen aan de Prinses Beatrixstraat in Zelhem waren al wat moderner.

Zelf ben ik geboren in Bilthoven, in een portiekflat. Drie woonlagen, het aanzicht van een enorme legbatterij is mij bespaard gebleven. Buiten dat had ik gelukkig mijn grootouders in de Achterhoek wonen, waar ik dan ook iedere vakantie en lang weekend doorbracht. Ook deze portiekflats zijn uit de wederopbouwperiode. Bilthoven zelf ligt tegen de Utrechtse heuvelrug aan, ik had de natuur gelukkig om de hoek (Biltse Duinen). Veel omringende plaatsen zijn begin jaren ’70 systematisch uit de grond gestampt om Utrecht te ontzien, ik zou er voor geen geld willen wonen! Nieuwegein, Houten, en Maarssenbroek spant denk ik nog wel de kroon: 8500 woningen in 14 wijken in alfabetische volgorde langs de vier zijwegen van de hoofdweg. De meeste wijken ook nog eindigend op -kamp.. Ik ben heel dankbaar dat mijn grootouders mij de liefde voor de Achterhoek met de paplepel hebben ingegoten! Hier ben ik thuis.

Ik had er nog nooit van gehoord: de Melkflessen-test uit de jaren ‘50? De inrichting van het moderne huis klopte pas wanneer je in elke ruimte een glazen melkfles zou kunnen plaatsen, zonder dat deze uit de toon zou vallen. De wederopbouwperiode was eigenlijk best heel bijzonder, en kent ook heel wat overeenkomsten met de huidige tijd. Het project waar Joanne aan werkt, ‘Een Nieuwe Tijd’, slaat dan ook niet voor niets een brug naar het heden zoals verduurzaming van de niet zo energiezuinige gebouwen uit die wederopbouwperiode.

De Achterhoek gaat laten zien hoe dat kan: samen anpakken! Want een nieuwe tijd maak je samen. Dat levert ongetwijfeld mooie nieuwe Fotovertelsels op. Ik zeg Klomptgoed!

DSC_3636-2
Joanne te Winkel geeft college.

 

Attamottamotta!

Een Achterhoek College over topsport kan natuurlijk maar op één plaats gegeven worden: bij de Vijverberg, thuisbasis van voetbalclub De Graafschap. Het mag dan wel niet de rijkste voetbalclub zijn en ook niet de allerbeste voetbalclub, het is wel de mooiste en boegbeeld van de Achterhoek! Hans Martijn Ostendorp, algemeen directeur van De Graafschap, was aangenaam verrast door het verzoek om deel te nemen aan het Achterhoek College 2019. Hij hoefde er echter geen moment over na te denken, De Graafschap is zoveel meer dan voetbal alleen en daar valt heel veel over te vertellen. In iedere Achterhoeker schuilt wel een blauwwit hart volgens Hans Martijn, want de Graafschap is een Volksclub. Superboer ben je bij winst en verlies, bij promotie en degradatie, en in voor-, en tegenspoed. De gedrevenheid van Hans Martijn begreep ik pas echt goed toen hij ons zijn verhaal vertelde.

Hans Martijn Ostendorp heeft zijn roots in Dinxperlo. Het voetbalstadion van De Graafschap betrad hij al op jonge leeftijd, aan de hand van zijn vader. Sindsdien kleurde ook zijn hart blauw-wit. Hij verkoos werken boven studeren en vond een baan als junior-vertegenwoordiger (het ganse land door om naar eigen zeggen spuuglelijke kleding te verkopen aan marktkooplui). Daar leerde hij de fijne kneepjes van zaken doen en wist al snel op te klimmen. Zijn politieke carrière begon met een ingezonden brief naar de  plaatselijke gemeente, een keer spreken op een raadsvergadering, zitting in een commissie en uiteindelijk wethouder van de gemeente Aalten. De politiek ging hem goed af, Hans Martijn werd zelfs burgermeester van Bunnik. Desondanks is hij altijd trouw gebleven aan De Graafschap, juichen voor een andere club is best mogelijk, maar niet vanuit het (blauw-wit) hart. Iedereen in Bunnik wist dan ook: onze burgermeester is een Superboer! Na acht jaar was het tijd voor een beslissing, burgermeester worden van een grotere gemeente of toch iets heel anders? Een langgekoesterde wens van Hans Martijn was om ooit nog eens iets voor de Achterhoek te doen. Die kans kreeg hij toen De Graafschap hem aanbood om algemeen directeur van de voetbalclub te worden. Het was niet een beslissing die over één nacht ijs ging.. Een zeker bestaan als burgermeester opgeven voor een onzeker voorzitterschap? Na het zien van een YouTube filmpje werd de knoop doorgehakt: we gaan de uitdaging aan, op naar de Achterhoek!

Hans Martijn wilde graag een blanco agenda wat betreft sociaal maatschappelijke verankering, het verduurzamen van de voetbalclub. De club was niet gewend om zo te denken, het ging eigenlijk om maar één ding: hoe verkopen we zoveel mogelijk stoelen. Dat Hans Martijn de taal van ondernemers sprak kwam goed van pas, net als zijn ervaring als bestuurder. Dat hij dialect verstaat en ook spreekt heeft zeker voordelen, het ‘houwtje touwtje’ stadion, zoals Hans Martijn de Vijverberg wel eens omschrijft, kent niet voor niets dat gemuudelijke sfeertje. Spelers die niet begrijpen hoe we leven in de Achterhoek passen hier niet vind hij, we zoeken echt naar het Graafschap DNA. En ja wat dat dan precies is? Nou gewoon: DRAN! Volgens Hans Martijn laat het zich nog het beste omschrijven in drie woorden: onverzettelijkheid, passie en strijdlustig. Zelfs bij de spelers met Afrikaans bloed, zie je iets gebeuren in de Vijverberg, ook in hen zie je al snel dat DRAN-DNA. Die sociale maatschappelijke betrokkenheid van De Graafschap uit zich door bijdragen te leveren waar de gemeente niet kan geven. Hans Martijn verwacht dan ook van de spelers dat ze drie dagdelen per maand inzetbaar zijn, dat maakt dat De Graafschap overal zichtbaar is en die rol kan vervullen. Zo is er het talentenpodium waar jongeren zich kunnen presenteren aan sponsors uit het bedrijfsleven. Hoe mooi zou het zijn, vertelt Hans Martijn, als we met onze Graafschap bus naar Groningen of Eindhoven zouden rijden om daar jongeren op te halen, zodat ook zij zich hier kunnen presenteren aan de Achterhoek! Zo hebben die sponsors en ook de businessleden de kans om de beste talenten binnen te halen. De Graafschap legt ook verbindingen tussen de leden en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zo proberen we hen weer betekenis in het leven te geven.

Na een grondig onderzoek op alle mogelijke fronten is gebleken dat de voetbalclub in de basis prima op orde is, het negatieve eigen vermogen is gelukkig al flink terug gebracht. De Graafschap staat statistisch gezien op de 16e plaats van Nederland, eigenlijk net in een té kwetsbare positie. Het streven voor de toekomst is dan ook om met hele kleine stapjes nog iets verder te stijgen. Het stadion stamt uit hetzelfde jaar als de oprichting van De Graafschap, 1954. De ligging van de Vijverberg, midden in een woonwijk, maakt uitbreiding best lastig, vanuit zijn supportershart gezien wil Hans Martijn dit liever ook niet. Hoe mooi is het dat we nu met regelmaat kunnen roepen “het is kats uutverkocht!” Het contact met de buurt is erg goed, het grootste gedeelte is hartstochtelijk supporter of zelfs werkzaam bij de club, zoals Hans Martijn zelf. Zolang je maar in gesprek blijft met elkaar, en bruggen bouwt in tijd van vrede, komt het wel goed volgens Hans Martijn. Wat een geweldige verteller! Onverzettelijkheid, passie en strijdlustig, een man met het Dran-Dna in heel zijn lijf! Een Achterhoeker die niets liever doet dan zo nu en dan, wanneer de Vijverberg leeg en verlaten in het schemerdonker nagalmt van emotie, de grasmat oplopen om zijn blauw-wit hart opnieuw te vullen met trots.

Ik vond het in elk geval een onmundig mooie avond! Een mooie rondleiding door De Vijverberg en via de schitterende spelerstunnel naar het veld. Attamottamotta spat daar van de muur! Geniaal, die spreuk vergeet ik niet meer (bijna net zo leuk als Klomptgoed). Zou er dan toch ook een beetje blauw-wit in mijn hart schuilen? In ieder geval blauw-wit genoeg om nu ook de expositie ‘Superboeren 65 jaar de Graafschap’ in het Stadsmuseum van Doetinchem te willen zien.

DSC_3176-3