Rise Up!

Tijdens zijn woord van welkom benoemde Sjors Tamminga het nog eens extra: ‘Voel u welkom in deze open kerk!’. En zo is het, iedereen is welkom in de Johanneskerk te Lichtenvoorde. Aan het begin van de dienst lichtte ds. Hinkamp alvast een tipje van de sluier op: het wordt een muzikale reis,  waarbij we uit een heel ander vaatje gaan tappen… Hij droeg dan ook niet voor niets het speciale AKZ T-shirt. Al weken kon men op de website en Facebook pagina van de Johanneskerk tegen de foto van Jeannine la Rose aankijken. Vandaag was ze er echt! Als speciale gast tijdens deze bijzondere Pinksterdienst. Mooi om te zien dat de kerkbanken vol zaten.

“Eens gaf de heilige geest aan vele helden moed. Bid dat hij ons vandaag verlicht met Pinkstergloed”. Na het samen zingen van deze woorden, was het tijd om Jeannine te introduceren. Hoe kwam de Johanneskerk er eigenlijk op om haar vanuit Amsterdam naar Lichtenvoorde toe te halen? De uitnodiging is voortgekomen uit een inspiratiedag voor de Kerkproeverij. Bert Baarsma en Willie Geesink gingen dit jaar wederom op pad. Vorig jaar kwamen zij terug met de Oud-Katholieke pastoor Rudolf Scheltinga, die op zondag 24 februari 2019 samen met dominee Hinkamp een bijzondere oecumenische kerkdienst in Lichtenvoorde heeft verzorgd. Dat is niet zonder gevolg gebleven! Zondag 30 juni gaan leden van de Johanneskerk met een bus vol leden naar Egmond aan Zee om daar de zondagsdienst van de Oud-Katholieke kerk te bezoeken. Dit jaar kwamen zij vol enthousiasme terug met Jeannine la Rose. Enthousiasme, het woord dat afkomstig is van ‘entheos’, wat wil zeggen ‘vervuld van God’. Dat gold zeker voor de Johanneskerk deze zondag, het was een bruisende dienst!

Het lied ‘Rise Up’ dat Jeannine voor ons zong bevatte prachtige zinnen als ‘the silence isn’t quiet’. De stilte is niet stil..  Hoe waar is dat! Hoe verbaasd was het volk destijds tijdens het Pinksterfeest toen zij allen de Galileeërs hoorde spreken in zijn of haar eigen moedertaal?! Ds. Hinkamp las ons voor uit het boek Handelingen met betrekking tot het Pinksterfeest. Deze zondag spraken vier kerkleden het woord uit de bijbel ook in hun eigen moedertaal. Carine, Geeske, Christina en Ester spraken tot ons in het Portugees, Fries, Frans en Cebuano (Filipijnen). Ook al begrijp je de woorden niet, iedereen voelt het: God is aan het woord. In welke taal het ook wordt gebracht, want taal is als muziek. Je voelt emotie, verbondenheid met elkaar. Met taal kun je elkaar omarmen. Of gewoon zoals Jeannine dat doet: met een dikke brasa, that’s the spirit!

Na deze inspirerende woorden had Jeannine alweer veel te lang stilgezeten en gezwegen. Daar is ze niet zo heel erg goed in, vertelde ze ons al. Ds. Hinkamp had het gelukkig al aangekondigd: het wordt een swingende kerkdienst die de tongen los zal maken! Het bleek al snel dat niet alleen de tongen werden losgemaakt. Ook nek, schouders, heupen en knieën werden soepel gemaakt. En dat met een beetje hulp van de buurman of buurvrouw! Even leek het of Jeannine wel héél pikante foto’s had meegenomen?! Een zucht van verlichting toen bleek dat het de stembanden waren die werden afgebeeld. Er volgde een korte workshop over het gebruik van onze stembanden, tenslotte is Jeannine zangpedagoog. Ds. Hinkamp zag het al helemaal voor zich. Voorbijgangers die elkaar aanstoten en opmerken: “Nou nou nou, wat is dat dan toch in die Johanneskerk? Ze zullen wel dronken zijn!”. Want ja, de Achterhoek en evenementen.. Zou het, in kerkelijk verband, een verwijt zijn? Of een belediging? Misschien is het wel een compliment.. De grens tussen een geest die bruist van God en te diep in het glaasje kijken is eigenlijk flinterdun. En wat is er mis met bruisen van enthousiasme, om naar buiten toe te treden en te spreken over het geloof. Dat is zo’n bezopen idee nog niet.

Jeannine sloot daarom af met het prachtige nummer ‘Go tell it on the Mountain’. Als geen ander liet zij vandaag zien dat positiviteit besmettelijk is. Het enige dat daarvoor nodig is, aldus Jeannine, is een glimlach en een knuffel. Haar enthousiasme was in ieder geval aanstekelijk, binnen enkele ogenblikken had zij een koor gevormd. Er was aandacht, er was respect. Precies dat wat niet alleen de kerk, echter ook de wereld om ons heen zo nodig heeft.

That’s the spirit!

DSC_5984

Sassafras op Kasteel De Wildenborch

Tijdens het zesde en tevens (helaas!) laatste Achterhoek College bezochten we Kasteel De Wildenborch in Vorden, of beter gezegd landgoed De Wildenborch. Al was het in tijden van weleer wel degelijk een kasteel, men heeft namelijk resten hiervan teruggevonden. Ooit was het kasteel in handen van de (roof) Ridders van Wish (1371). Zij werden erg vaak belegerd, alleen het poortgebouw is overeind gebleven. Het landgoed wordt sinds 2005 bewoond door Jennine de Plassche-Staring en haar echtgenoot Evert-Kees van de Plassche. Dinsdag 21 mei waren wij bij hen te gast.

Landgoed De Wildenborch, zoals dat er nu uitziet, lijkt amper nog op de middeleeuwse vesting zoals wij konden zien op oude tekeningen die het prachtige landhuis sieren. De Wildenborch lag in een verwilderd moerasgebied, wat het overigens een bijna onneembare vesting maakte. Men gaat ervan uit dat het huis oorspronkelijk uit een sterke vierkante woontoren bestond. De huidige toren bevat nog resten van het middeleeuwse poortgebouw. In de loop der eeuwen werd De Wildenborch meerdere keren verbouwd. Na 1650 raakte het kasteel snel in verval, toen het in 1700 werd verkocht was alleen de bewoonbare poorttoren nog over. Nadat het kasteel in verschillende handen was geweest, werd het in 1780 gekocht door V.O.C. kapitein Damiaan Hugo Staring en zijn echtgenote Sophia Wynanda Verhuell de Wildenborch. Het kasteel ging toen weer betere tijden tegemoet, Damiaan bouwde aan beide zijden van de toren een woonvleugel. Na het overlijden van Damiaan (1783) hertrouwde Sophia met W.C. Boers, samen kregen zij een zoon: Antoni Christiaan Winand Staring. Tot zijn overlijden in 1840 heeft Antoni op De Wildenborch gewoond. A.C.W. Staring is vooral als dichter bekend geworden, daarnaast hield hij zich bezig met bebossing, ontwatering en grondverbetering van het landgoed.

In 1907 werd het landgoed verkaveld en in verschillende percelen verkocht. Boeren uit de omgeving die aan het landgoed gehecht waren, kochten veel van die percelen op. In 1931 kocht de oudoom van Jennine Staring De Wildenborch terug. Zijn belangrijkste bijdrage aan het landgoed zijn de talloze prachtige beelden. In 1976 is De Wildenborch ondergebracht in een familiestichting voor het behoud van het landgoed, vererving is op deze wijze geen punt meer. Dat het landgoed nog steeds familiebezit is wordt soms best vreemd gevonden. Vaak worden landgoederen als deze geschonken aan bijvoorbeeld Gelders Landschap & Kastelen. In Nederland waren er ooit meer dan 6000 buitenplaatsen. De kleine 600 die daarvan zijn overgebleven zijn voor de helft in handen van Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer of één van de 12 Landschappen. Vaak in gebruik als musea, hotels of conferentieoorden. Er zijn dus nog zo’n 300 buitenplaatsen in particulier bezit. Meestal hebben families er een stichting zoals ook bij De Wildenborch van gemaakt. Hierdoor hebben het huis en omliggende gronden vaak nog hun oorspronkelijke functie. Het huis leeft, bijzondere verhalen komen uit de eerste hand en niets wordt echt zo goed beheert als door de eigenaar zelf! Het is onvervangbaar cultureel erfgoed, waar we trots op moeten zijn.

Waar het landgoed vroeger zo’n 1000 ha groot was, beslaat het nu nog zo’n 40 ha. Het merendeel hiervan, 30 ha, is parkbos wat vrij toegankelijk is. De 10 ha in Engelse landschapsstijl aangelegde tuinen zijn zo’n drie keer per jaar te bezichtigen op de Open Tuin Dagen. Zelf had ik de tuinen ook al eens eerder bezocht, een echte aanrader! Al was deze rondleiding door de bewoonster zelf natuurlijk extra bijzonder! Jennine wees ons bijzondere bomen als de Anna Paulownaboom, ook wel de Keizersboom genoemd, met zijn schitterende lilakleurige bloesem. Een andere bijzondere boom die ik heb onthouden is de Sassafras. Jennine vertelde dat de Sassafrasolie uit deze boom in de 17e eeuw na tabak, het belangrijkste exportproduct was vanuit Noord-Amerika naar Europa. Het was een belangrijk geneesmiddel en zat in diverse voedingsproducten. Omdat men ontdekte dat het in te hoge doseringen kankerverwekkend is, werd het gebruik ervan in 1960 verboden (tegenwoordig gebruikt men ethanol, 14 keer meer kankerverwekkend is als sassafras..). Alle kinderen, en ook kleinkinderen, kregen bij geboorte een eigen boom op het landgoed. Het behoud en onderhoud van het landgoed vraagt een enorme toewijding! Tuinman Bart van der Schoot is dan ook (samen met een stagiair) fulltime in dienst, net als zijn echtgenote Alma. Zij wonen ook op het landgoed. Jennine en Evert-Kees hebben drie kinderen, en kleinkinderen, die van jongs af allemaal al zijn betrokken bij de toekomst van De Wildenborch. Zo wordt het koetshuis verhuurd en verkoopt het landgoed openhaardhout. De komende jaren worden er plannen gemaakt om meer energie te besparen, bijvoorbeeld door het plaatsen van zonnepanelen. Stichting de Wildenborch werkt tevens nauw samen met Waterschap Rijn & IJssel om te onderzoeken hoe men ervoor kan zorgen om de (lage) waterstand op het landgoed te verbeteren. Landgoed de Wiersse in Vorden heeft hier minder last van omdat het aan de Baakse Beek ligt.

Ik vond het heel bijzonder dat we via de ronde toren aan de voorzijde het huis mochten betreden om een kijkje te nemen in de ontvangsthal en de tuinkamer. Zoals in de meeste landhuizen en kastelen, hangen ook hier prachtige schilderijen van (verre) voorouders en liggen er schitterende handgeknoopte tapijten op de vloer voorzien van het familiewapen. Vanuit de tuinkamer hadden we een prachtig uitzicht over het gazon, de vijver en achterliggende tuinen, hier en daar een statige pauw. Het mooist vind ik zelf toch wel de beuken loofgang (beukenberceau) op het landgoed, een van de langste van Nederland. In Arnhem op landgoed Mariëndaal vind je ook een beukenberceau, beter bekend als de Groene Bedstee. De loofgang op Wildenborch is echter wat hoger, en oogt wellicht daardoor nog imposanter. Op deze manier konden de dames van adel ook op zonnige warme dagen een wandeling door de tuin maken. Het schoonheidsideaal was in die tijden toch echt een zo wit mogelijke huid, een zongebruinde teint was iets voor landarbeiders en sloebers!

Gelukkig zijn er uit het Achterhoek College 2019 hele mooie nieuwe dingen voortgekomen! Zo mag ik onder andere mijn steentje bijdragen aan het project Een Nieuwe Tijd Achterhoek en ga ik met Stichting Achterhoek weer Mooi mee op veldexcursie in Barlo.

IMG_9026

Attamottamotta!

Een Achterhoek College over topsport kan natuurlijk maar op één plaats gegeven worden: bij de Vijverberg, thuisbasis van voetbalclub De Graafschap. Het mag dan wel niet de rijkste voetbalclub zijn en ook niet de allerbeste voetbalclub, het is wel de mooiste en boegbeeld van de Achterhoek! Hans Martijn Ostendorp, algemeen directeur van De Graafschap, was aangenaam verrast door het verzoek om deel te nemen aan het Achterhoek College 2019. Hij hoefde er echter geen moment over na te denken, De Graafschap is zoveel meer dan voetbal alleen en daar valt heel veel over te vertellen. In iedere Achterhoeker schuilt wel een blauwwit hart volgens Hans Martijn, want de Graafschap is een Volksclub. Superboer ben je bij winst en verlies, bij promotie en degradatie, en in voor-, en tegenspoed. De gedrevenheid van Hans Martijn begreep ik pas echt goed toen hij ons zijn verhaal vertelde.

Hans Martijn Ostendorp heeft zijn roots in Dinxperlo. Het voetbalstadion van De Graafschap betrad hij al op jonge leeftijd, aan de hand van zijn vader. Sindsdien kleurde ook zijn hart blauw-wit. Hij verkoos werken boven studeren en vond een baan als junior-vertegenwoordiger (het ganse land door om naar eigen zeggen spuuglelijke kleding te verkopen aan marktkooplui). Daar leerde hij de fijne kneepjes van zaken doen en wist al snel op te klimmen. Zijn politieke carrière begon met een ingezonden brief naar de  plaatselijke gemeente, een keer spreken op een raadsvergadering, zitting in een commissie en uiteindelijk wethouder van de gemeente Aalten. De politiek ging hem goed af, Hans Martijn werd zelfs burgermeester van Bunnik. Desondanks is hij altijd trouw gebleven aan De Graafschap, juichen voor een andere club is best mogelijk, maar niet vanuit het (blauw-wit) hart. Iedereen in Bunnik wist dan ook: onze burgermeester is een Superboer! Na acht jaar was het tijd voor een beslissing, burgermeester worden van een grotere gemeente of toch iets heel anders? Een langgekoesterde wens van Hans Martijn was om ooit nog eens iets voor de Achterhoek te doen. Die kans kreeg hij toen De Graafschap hem aanbood om algemeen directeur van de voetbalclub te worden. Het was niet een beslissing die over één nacht ijs ging.. Een zeker bestaan als burgermeester opgeven voor een onzeker voorzitterschap? Na het zien van een YouTube filmpje werd de knoop doorgehakt: we gaan de uitdaging aan, op naar de Achterhoek!

Hans Martijn wilde graag een blanco agenda wat betreft sociaal maatschappelijke verankering, het verduurzamen van de voetbalclub. De club was niet gewend om zo te denken, het ging eigenlijk om maar één ding: hoe verkopen we zoveel mogelijk stoelen. Dat Hans Martijn de taal van ondernemers sprak kwam goed van pas, net als zijn ervaring als bestuurder. Dat hij dialect verstaat en ook spreekt heeft zeker voordelen, het ‘houwtje touwtje’ stadion, zoals Hans Martijn de Vijverberg wel eens omschrijft, kent niet voor niets dat gemuudelijke sfeertje. Spelers die niet begrijpen hoe we leven in de Achterhoek passen hier niet vind hij, we zoeken echt naar het Graafschap DNA. En ja wat dat dan precies is? Nou gewoon: DRAN! Volgens Hans Martijn laat het zich nog het beste omschrijven in drie woorden: onverzettelijkheid, passie en strijdlustig. Zelfs bij de spelers met Afrikaans bloed, zie je iets gebeuren in de Vijverberg, ook in hen zie je al snel dat DRAN-DNA. Die sociale maatschappelijke betrokkenheid van De Graafschap uit zich door bijdragen te leveren waar de gemeente niet kan geven. Hans Martijn verwacht dan ook van de spelers dat ze drie dagdelen per maand inzetbaar zijn, dat maakt dat De Graafschap overal zichtbaar is en die rol kan vervullen. Zo is er het talentenpodium waar jongeren zich kunnen presenteren aan sponsors uit het bedrijfsleven. Hoe mooi zou het zijn, vertelt Hans Martijn, als we met onze Graafschap bus naar Groningen of Eindhoven zouden rijden om daar jongeren op te halen, zodat ook zij zich hier kunnen presenteren aan de Achterhoek! Zo hebben die sponsors en ook de businessleden de kans om de beste talenten binnen te halen. De Graafschap legt ook verbindingen tussen de leden en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zo proberen we hen weer betekenis in het leven te geven.

Na een grondig onderzoek op alle mogelijke fronten is gebleken dat de voetbalclub in de basis prima op orde is, het negatieve eigen vermogen is gelukkig al flink terug gebracht. De Graafschap staat statistisch gezien op de 16e plaats van Nederland, eigenlijk net in een té kwetsbare positie. Het streven voor de toekomst is dan ook om met hele kleine stapjes nog iets verder te stijgen. Het stadion stamt uit hetzelfde jaar als de oprichting van De Graafschap, 1954. De ligging van de Vijverberg, midden in een woonwijk, maakt uitbreiding best lastig, vanuit zijn supportershart gezien wil Hans Martijn dit liever ook niet. Hoe mooi is het dat we nu met regelmaat kunnen roepen “het is kats uutverkocht!” Het contact met de buurt is erg goed, het grootste gedeelte is hartstochtelijk supporter of zelfs werkzaam bij de club, zoals Hans Martijn zelf. Zolang je maar in gesprek blijft met elkaar, en bruggen bouwt in tijd van vrede, komt het wel goed volgens Hans Martijn. Wat een geweldige verteller! Onverzettelijkheid, passie en strijdlustig, een man met het Dran-Dna in heel zijn lijf! Een Achterhoeker die niets liever doet dan zo nu en dan, wanneer de Vijverberg leeg en verlaten in het schemerdonker nagalmt van emotie, de grasmat oplopen om zijn blauw-wit hart opnieuw te vullen met trots.

Ik vond het in elk geval een onmundig mooie avond! Een mooie rondleiding door De Vijverberg en via de schitterende spelerstunnel naar het veld. Attamottamotta spat daar van de muur! Geniaal, die spreuk vergeet ik niet meer (bijna net zo leuk als Klomptgoed). Zou er dan toch ook een beetje blauw-wit in mijn hart schuilen? In ieder geval blauw-wit genoeg om nu ook de expositie ‘Superboeren 65 jaar de Graafschap’ in het Stadsmuseum van Doetinchem te willen zien.

DSC_3176-3

Zelhem, Slachtvisite.

November staat van oudsher bekend als de slachtmaand, hoewel het weer eigenlijk meer van invloed was als de maand zelf. Mensen ging slachten als het kouder werd want de voorraad vlees was bedoeld voor de winter, om het vlees goed te kunnen drogen, moest het huis bovendien flink warm worden gestookt. Helder weer was ook belangrijk, mist en nevel zorgden voor een te hoge luchtvochtigheid waardoor het vlees zou kunnen bederven. Tijdens mijn jeugd werd er door mijn grootouders allang niet meer aan huis geslacht. Er werd wel eigen vee geslacht en gegeten, het uitslachten en verder verwerken gebeurde elders. Ik ben, net als velen waarschijnlijk, grootgebracht met elke dag een goed stuk vlees op tafel.

Iedereen is weer welkom op de slachtvisite bij Museum Smedekinck, voor mij de eerste keer. Zoals vroeger gebruikelijk was begint het ook hier met een borrel, een glaasje vlierbessenjenever. Alhoewel ik hem zou kunnen gebruiken om mezelf moed in te drinken, sla ik hem toch maar af. Je kon er eigenlijk niet omheen, het gehalveerde varken aan het hankholt op de ladder. Sowieso niet te vermijden voor iedereen die van het toilet gebruik wilde maken, het gigantische beest hing pal naast de wc’s! Ik moet direct denken aan de anekdote van Anjo die zij op Facebook met mij deelde, over het varken dat op de deel aan de ladder hing: “Dan hing dat beest daar, onder een wit laken. En dan moest jij als kind natuurlijk prompt plassen, midden in de nacht en aardedonker. Ik vond het vreselijk eng, de andere dag stonden we natuurlijk vooraan. Of ik er nu wat van zei of niet; niet zeuren, onmiddellijk plassen en je bed weer in!”.

Het vetgemeste varken (92,75kg) werd trots getoond aan alle belangstellenden die komen ‘vetpriezen’. Ik vond vooral de anatomie en uitleg welk stuk vlees waar zit erg interessant. Een vader nam zijn drie jonge kinderen ook mee naar het varken, alle vier luisterden net als ik geboeid naar de uitleg. Mooi om te zien, mooi dat het te zien is bij Smedekinck. Het museum is de enige waar tijdens de slachtvisite niet alleen het varken aan het hankholt op de ladder hangt en je gerelateerde streekproducten kunt kopen, hier wordt juist ook een groot gedeelte van het proces daartussen in gedemonstreerd. Het uitslachten van de andere helft van het varken, en verwerken tot eindproduct gebeurde in de museumschuur door de aanwezige (gepensioneerde) slagers. Tegenwoordig wordt er gewerkt op werkbanken van kunststof omdat dit hygiënischer zou zijn. Tijdens een huisslachting werd er meestal een deur uit zijn hengels getild, sopje erover en klaar was de werkbank. Eén van de slagers vertelde me dat het houten hakblok eigenlijk veel schoner was. Zelf heb ik, toen ik in de horeca werkte, ook nog op een houten werkbank gewerkt. Elke dag moesten we hem grondig boenen met gekookt water en afwasmiddel, elke zaterdag met chloor.

De slagers laten ook hier zien waar welk stuk vlees vandaan komt, langzamerhand herkende ik de karbonades, speklappen en ribbetjes. De volwassen dochter van één van de slagers staat met een nostalgisch gevoel en brede glimlach aan de zijkant haar vader gade te slaan. Ze vertelt me dat ze vroeger in de slagerij altijd achter de streep moest blijven staan, vanwege de scherpe messen. Toen ze wat ouder was mocht ze helpen. Mijn grootouders gebruikten het vrieshuis met klein abattoir in Corle, naast de smederij van te Welle. Ik mocht nooit mee naar binnen tijdens het uitslachten en verwerken, des te interessanter is deze slachtvisite. Even verderop in de museumschuur staan in klederdracht gehulde dames verse worst te maken, worststoppen zoals dat officieel heet. Twee vrouwen gebruiken de handgehaktmolen met vulpijpje, de andere vrouw duwt met haar duim het vlees door een worsthoorntje. Een precies werkje, want luchtbellen zijn niet gewenst. De vrouwen gebruiken hiervoor de darmen van het varken, de dunne darm. Een bezoekster vertelde me dat ze vroeger altijd moest helpen met het schoonmaken van de darmen (desalniettemin vond ze het altijd een ontzettend gezellige tijd). Eerst moest het plukvet er voorzichtig vanaf worden gehaald, op de mestvaalt kneep je vervolgens de darmen leeg. Daarna moest deze ‘krange getrokken’ (binnenste buiten gekeerd) met warm water en met een lepel moest het darmslijm ervan af geschraapt worden. Tot slot nog even opblazen om op gaatjes te controleren, en stoppen maar. Eén varken is goed voor dertig meter darm. Ik denk dat de verse worst wel mijn favoriete stukje vlees was. En gezouten kinnebakspek (varkenswang) als broodbeleg, ik was er dol op! Inmiddels ben ik eigenlijk al jaren een vleesverminderaar.

In de museumschuur werd behalve gezaagd, gehakt, gesneden en gestopt ook gebakken. De dames in klederdracht bereidden bakbloedworst, balkenbrij, kaantjes en smaltappels. De kinderen konden achter in de schuur hun eigen verse sappige hamburger bakken die met heel veel smaak werd opgepeuzeld. Ik vroeg aan twee meisjes of ze het varken aan de ladder toevallig ook al hadden gezien? Moeder moest lachen en zei dat ze dat ná het eten van de hamburger gingen doen, verstandige volgorde waarschijnlijk. WEET WAT JE EET is tegenwoordig van groot belang voor de gemiddelde consument, daarentegen ben ik benieuwd hoeveel volwassenen en kinderen het slachten, uitslachten en verwerken tot eindproduct daadwerkelijk al eens hebben gezien?  Ik zou zeggen: de slachtvisite bij Museum Smedekinck is een prima veldexcursie voor jong en oud!

Als je meer wilt lezen over een traditionele huisslacht, volg de veilige link hieronder

https://www.vers-inspiratie.nl/historie-van-de-huisslacht/de-huisslachting

klomptgoed_601
92 kilo en 750 gram schoon aan de ladder tijdens de Slachtvisite bij Museum Smedekinck

Bronckhorst, Applaus voor Doctor. J.H.TH de Jong

Tijdens een bezoek aan het Charles Dickensmuseum jaren geleden, was ik zelf getuige van de metamorfose die eigenaar Sjef de Jong regelmatig onderging. Een dikke laag make-up was absoluut niet nodig, de imposante man trok een lange zwarte jas aan, zette een hoge zwarte hoed op, pakte zijn houten wandelstok en Ebenezer Scrooge was geboren! Het was rond de kerstperiode, en Sjef alias Scrooge vertelde vol passie het kerstverhaal in het sfeervolle kleine theaterzaaltje van het Dickens Museum. Met name deze voordrachten waren zijn grote passie. Deze vonden het hele jaar door plaats, soms wel voor drie groepen per dag.

Charles Dickens werd geboren in 1812, en tijdens zijn 200e geboortejaar in 2012 vierden Sjef de Jong en zijn vrouw Alie het 25-jarig jubileum van hun museum. In 1987 kwamen zij in deze authentieke stadsboerderij te Bronckhorst wonen. Hier besloten zij hun lang gekoesterde droom te verwezenlijken: het inrichten en exploiteren van een museum geheel gewijd aan de Engelse schrijver Charles Dickens. In 1988 was de opening, beperkt tot de ruimte waar nu het winkeltje is. Uitbreiding volgde al snel en was mede mogelijk door de Londense Pickwick Bicycle Club (oudste Dickens vereniging ter wereld), die in 1988 een groot geldbedrag aan het museum schonken. In 2007 verhuisden Sjef en Alie drie huizen verderop, en kon het gehele boerderijtje als museum worden ingericht. Eigenlijk is het één grote Dickens-kijkdoos! Een rariteitenwinkel met in elk vertrek taferelen uit een bepaald Dickens boek. In 2004 werd het theaterzaaltje met zijn 50 zitplaatsen gerealiseerd, waar langs de wanden, achter glas, prachtige porseleinen tafereeltjes uit diverse Dickens verhalen staan. Deze zijn gemaakt door de Engelse kunstenares Eva Poray.

Na 30 jaar is op zondag 15 oktober 2017 het doek definitief gevallen voor het Dickens museum, vanwege leeftijd en bijkomende gezondheidsklachten van de nu 86-jarige Sjef. Sinds 2015 hebben zij intensief gezocht naar een opvolger voor het museum, eerst regionaal en later zelfs over de hele wereld. Dit is helaas niet gelukt. Het pand is verkocht, en voor de prachtige collectie, waaronder ook de originele handgesneden wandelstok ooit van Dickens zelf (gekocht bij Sotheby’s voor €25.000) , wordt nog een ander onderkomen gezocht. Zoon Dirk kan en wil het museum niet voortzetten. Hij is wel degelijk besmet geraakt met het Dickens-virus en de sluiting gaat hem natuurlijk aan het hart. Het is echter het levenswerk van zijn vader op zijn eigen specifieke manier, en is niet door iemand anders te evenaren. Het museum werd de laatste jaren draaiende gehouden door zeven vrijwilligers. Deze zondag heb ik voor de allerlaatste keer een bezoek gebracht aan Bronckhorst en dit bijzondere museum.

Op de zolder van het museum staan prachtige levensgrote beelden van karakters uit de verhalen van Charles Dickens, zoals de zakkenroller Fagin uit het verhaal Oliver Twist en Miss Havisham in haar door muizen aangevreten trouwjapon uit Great Expectations. Ze zijn door Sjef overgenomen van het Dickens Centre in het Engelse Rochester dat na 25 jaar hun deuren sloot. Rochester ligt in het graafschap Kent, en speelde een belangrijke rol in het leven van Charles Dickens. Hij bracht er zijn jeugd en tevens zijn laatste jaren door in het huis Gads Hill Place. Deze aankoop was erg belangrijk voor het museum in Bronckhorst, op het Europese vasteland is er geen uitgebreidere collectie te vinden. In Bronkhorst denken ze ook een nauwe band te hebben met Dickens. In The Pickwick Papers komt een koster Gabriël Grub voor (inspiratie voor het latere karakter Scrooge), die op dat moment ook in Bronkhorst te vinden is. Gabriël de Graaf was een doodgraver. Brompot, dronkaard en zo geobsedeerd door geld dat hij zelfs op kerstavond nog graven delfde! Op een kerstavond verdween hij spoorloos, om jaren later ineens weer op te duiken als een hervormd persoon.

De in Den Haag geboren Sjef de Jong richtte niet alleen het Dickens Museum op. In 1979 richtte hij de Kamer voor Consumenten-, en Burgerbelang op, naar aanleiding van zijn proefschrift waar hij als ziekenhuiseconoom op promoveerde tot doctor. Zelfs in dit werk ‘De maatschappelijke waarde van de onderneming’ verwerkte hij de ideeën van Charles Dickens. Tevens was hij directeur van het Slingeland ziekenhuis in Doetinchem. Door allerlei perikelen kwam hij aan de kant te staan. In deze periode groeide zijn waardering voor het werk van Charles Dickens uit tot een ware passie. Evenals de grote schrijver zette de Jong zich in voor de minderbedeelden door boeken te publiceren over economie en in Den Haag tegen allerlei dingen te protesteren, natuurlijk in 19e eeuws tenue. Zo was hij bijvoorbeeld in 2011 ook te vinden in Amsterdam op het Beursplein om de Occupiers een hart onder de riem te steken.

Het was een uitdrukkelijke wens van Sjef dat de collectie bij elkaar blijft, het liefst op Nederlandse bodem. Dat is gelukt, Het Land van Jan Klaassen in Braamt nam haast alles over. Echtgenote Alie de Jong- Krabbenbos ontving in september 2017 tijdens een vergadering over het Dickens evenement in Bronkhorst twee prachtige schilderijen als dank voor alles wat zij en Sjef gedaan hebben voor het Ondernemersgilde Bronkhorst. Met pijn in het hart moest de Achterhoek afscheid nemen van een heel bijzonder museum. Anderzijds kan Bronkhorst trots zijn dat het 30 jaar de thuishaven was van Ebenezer Scrooge!

DSC_0621

DSC_0607-2