Een Hapje van de Kerk

De 11e van de 11e vond er een bijzondere kerkdienst plaats in de PKN Kerk Lichtenvoorde: een Kerkproeverij. Iedereen is natuurlijk altijd van harte welkom in de kerk, vandaag werd dit nog eens extra benadrukt met de bedoeling om mensen, jong en oud, voor het eerst of opnieuw, te laten proeven aan de kerk. Want hoe gaat dat nu eigenlijk tegenwoordig? Vroeger hield de dominee zijn preek waar je naar luisterde, en dat was het dan. Nu zijn er veel meer vrijwilligers betrokken bij de kerk, er is ruimte om samen vorm te geven aan de dienst en de verdere ontmoeting nadien. Volgens een onderzoek van het CBS dat nog niet zo lang geleden in de kranten werd gepubliceerd, zou het aantal gelovigen in Nederland voor het eerst onder de 50% zijn gedaald (Jan refereerde hier al naar tijdens de dienst). Het CBS gebruikt echter de kerkgang als maatstaf voor het meten van het aantal religieuzen. Daarmee gaan ze voorbij aan het juist groeiende aantal Nederlanders dat zichzelf wel religieus beschouwd, alleen zonder elke week de kerk te bezoeken.

Dus, doe eens gek, kom naar de kerk! Gezien de grotendeels bezette kerkbanken hebben veel mensen hier gehoor aan gegeven. Wellicht mede door de aanwezigheid van het alom geprezen Kleinkoor Second Edition. De dienst vangt aan met het toepasselijke lied: Feest in de kerk! (niemand voelt zich vandaag alleen). Voorganger Hans Hinkamp vertelde hierna iets meer over deze zogeheten Kerkproeverij, gebaseerd op het Engelse ‘Back to church Sunday’. Op deze dag wordt de kerk dus een beetje opgepoetst en in de etalage gezet om te laten zien wat de kerk tegenwoordig zoal te bieden heeft. Mooi om ds. Hinkamp te horen vertellen dat we voor God allemaal gelijk zijn, of het nu heel gewoon is dat je vandaag in de kerkbank zit, of nog een beetje onwennig voelt. Geloven is tenslotte een WERK-woord, geen voltooid begrip.

“Geloof is het bewijs van de dingen die we niet kunnen zien”. Een prachtige filosofische uitspraak waar je uren over zou kunnen discussiëren. In plaats daarvan verscheen op het grote scherm Herman Finkers, met zijn lied ‘Daarboven in de hemel’. Dat kan dus tegenwoordig prima, deze oer-Tukker in een Achterhoekse kerk. Wat onveranderd is gebleven, is dat de kerk graag een lichtend voorbeeld wil zijn, een baken van hoop. Volgens ds. Hinkamp vraagt de huidige harde wereld om een tegengeluid. Mijn eigen leven is, net als dat van zovelen, volgepland met van alles en nog wat. Wisselende diensten draaien in de zorg, freelance schrijven en fotograferen, vrijwilligerswerk, het huishouden en ook nog tijd vrij zien te maken voor elkaar. Hoe mooi is het dan om op zondagmorgen even een moment van bezinning in te lassen, stil te staan bij dat wat er echt toe doet in het leven, waardevolle handvatten aangereikt te krijgen van de voorganger en nadien met elkaar een kop koffie te drinken. Nee, die kerk is helemaal zo gek nog niet.

Wie denkt dat we alleen maar (saaie) psalmen hebben gezongen, heeft het mis (al hadden we ook deze ongetwijfeld volmondig meegezongen met Kleinkoor Second Edition, de akoestiek in de Johanneskerk is schitterend)!. Ook ik heb ze vroeger uit het hoofd moeten leren, elke week een nieuwe, wat ik overigens nooit als vervelend heb ervaren, al luisterde ik het liefst naar de Bijbelverhalen die de meester ons voorlas. Eigenlijk zijn die van alle tijden.. zinnen en verwijzingen vind je overal terug. Zo citeerde ds. Hinkamp een zin uit het Oude Testament “kies het leven” en aansluitend zong het koor ‘Viva la Vida’ (Spaans voor Leve het Leven) een lied van de band Coldplay. Bij aanvang van de dienst kregen we allemaal een zwart notitieboekje cadeau, gevuld met allerhande blaadjes. Voor het noteren van eventuele vragen. Of, mocht je deze kerkdienst stiekem toch best slaapverwekkend vinden, van tekeningetjes te voorzien (beide opties kwamen overigens van ds. Hinkamp).

De 11e van de 11e is best een heel bijzondere dag, dus ook uitermate geschikt voor deze Kerkproeverij. Op elf november 1918, precies honderd jaar geleden, kwam er officieel een eind aan de Eerste Werelsoorlog. In een bos bij het Franse stadje Compiègne, ongeveer tachtig kilometer ten noorden van Parijs, werd die dag de wapenstilstand gesloten. Vanaf 11:00 uur die ochtend, op het moment dat die schitterende taart werd aangesneden, werd er niet meer gevochten. Deze dag wordt ook het (kinder) feest van Sint-Maarten gevierd. Ds. Hinkamp citeert een tekst uit het Lucasevangelie: “Niemand steekt een lamp aan en zet die in de kelder of onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat wie binnentreden het licht zien (Lukas 11:33 e.v.). Deze regels werden vaak op 11 november voorgedragen en in de mis besproken dit zou voor de bevolking aanleiding zijn geweest voor een lichtjesfeest. Vandaag wordt ook officieel het carnaval seizoen geopend (om 23.11 uur). Toevalligerwijs was vandaag ook het Gengelen in Vragender, inschrijven kon tot 13.00 uur dus ook dat was prima te combineren met een (hernieuwd) bezoek aan de PKN Kerk Lichtenvoorde.

De dienst werd afgesloten met het gedicht ‘Engelen op hoge hakken’. Wat een toepasselijke woorden! “Wie een engel wil ontmoeten, vind die het meest in eigen kring”. Hier in de Achterhoekse streek, dankzij dat mooie Noaberschap, zijn er heel veel engeltjes te vinden en inderdaad vaak dichterbij dan je denkt. In de Johanneshof was de eer aan Silva Kassab om de door haar gemaakte Bijbel-taart aan te snijden. Achter de schermen was er door de kinderen hard gewerkt aan kleurrijke en smakelijke cupcakes. De oorspronkelijke bedoeling van het Engelse Back to Church Sunday is dat ieder gemeentelid iemand, die om welke reden dan ook, al een (lange) tijd niet meer naar de kerk is geweest uitnodigt om weer eens met hem of haar mee te gaan, weer aan de kerk te proeven. Zeg nou zelf, dat kan eigenlijk iedere zondag..
Dus, doe eens gek, neem iemand mee naar de Johanneskerk!

klomptgoed_7
Kleinkoor Second Edition
klomptgoed_14
De door Silva Kassab gemaakte Bijbel-taart.

Zelhem, Slachtvisite.

November staat van oudsher bekend als de slachtmaand, hoewel het weer eigenlijk meer van invloed was als de maand zelf. Mensen ging slachten als het kouder werd want de voorraad vlees was bedoeld voor de winter, om het vlees goed te kunnen drogen, moest het huis bovendien flink warm worden gestookt. Helder weer was ook belangrijk, mist en nevel zorgden voor een te hoge luchtvochtigheid waardoor het vlees zou kunnen bederven. Tijdens mijn jeugd werd er door mijn grootouders allang niet meer aan huis geslacht. Er werd wel eigen vee geslacht en gegeten, het uitslachten en verder verwerken gebeurde elders. Ik ben, net als velen waarschijnlijk, grootgebracht met elke dag een goed stuk vlees op tafel.

Iedereen is weer welkom op de slachtvisite bij Museum Smedekinck, voor mij de eerste keer. Zoals vroeger gebruikelijk was begint het ook hier met een borrel, een glaasje vlierbessenjenever. Alhoewel ik hem zou kunnen gebruiken om mezelf moed in te drinken, sla ik hem toch maar af. Je kon er eigenlijk niet omheen, het gehalveerde varken aan het hankholt op de ladder. Sowieso niet te vermijden voor iedereen die van het toilet gebruik wilde maken, het gigantische beest hing pal naast de wc’s! Ik moet direct denken aan de anekdote van Anjo die zij op Facebook met mij deelde, over het varken dat op de deel aan de ladder hing: “Dan hing dat beest daar, onder een wit laken. En dan moest jij als kind natuurlijk prompt plassen, midden in de nacht en aardedonker. Ik vond het vreselijk eng, de andere dag stonden we natuurlijk vooraan. Of ik er nu wat van zei of niet; niet zeuren, onmiddellijk plassen en je bed weer in!”.

Het vetgemeste varken (92,75kg) werd trots getoond aan alle belangstellenden die komen ‘vetpriezen’. Ik vond vooral de anatomie en uitleg welk stuk vlees waar zit erg interessant. Een vader nam zijn drie jonge kinderen ook mee naar het varken, alle vier luisterden net als ik geboeid naar de uitleg. Mooi om te zien, mooi dat het te zien is bij Smedekinck. Het museum is de enige waar tijdens de slachtvisite niet alleen het varken aan het hankholt op de ladder hangt en je gerelateerde streekproducten kunt kopen, hier wordt juist ook een groot gedeelte van het proces daartussen in gedemonstreerd. Het uitslachten van de andere helft van het varken, en verwerken tot eindproduct gebeurde in de museumschuur door de aanwezige (gepensioneerde) slagers. Tegenwoordig wordt er gewerkt op werkbanken van kunststof omdat dit hygiënischer zou zijn. Tijdens een huisslachting werd er meestal een deur uit zijn hengels getild, sopje erover en klaar was de werkbank. Eén van de slagers vertelde me dat het houten hakblok eigenlijk veel schoner was. Zelf heb ik, toen ik in de horeca werkte, ook nog op een houten werkbank gewerkt. Elke dag moesten we hem grondig boenen met gekookt water en afwasmiddel, elke zaterdag met chloor.

De slagers laten ook hier zien waar welk stuk vlees vandaan komt, langzamerhand herkende ik de karbonades, speklappen en ribbetjes. De volwassen dochter van één van de slagers staat met een nostalgisch gevoel en brede glimlach aan de zijkant haar vader gade te slaan. Ze vertelt me dat ze vroeger in de slagerij altijd achter de streep moest blijven staan, vanwege de scherpe messen. Toen ze wat ouder was mocht ze helpen. Mijn grootouders gebruikten het vrieshuis met klein abattoir in Corle, naast de smederij van te Welle. Ik mocht nooit mee naar binnen tijdens het uitslachten en verwerken, des te interessanter is deze slachtvisite. Even verderop in de museumschuur staan in klederdracht gehulde dames verse worst te maken, worststoppen zoals dat officieel heet. Twee vrouwen gebruiken de handgehaktmolen met vulpijpje, de andere vrouw duwt met haar duim het vlees door een worsthoorntje. Een precies werkje, want luchtbellen zijn niet gewenst. De vrouwen gebruiken hiervoor de darmen van het varken, de dunne darm. Een bezoekster vertelde me dat ze vroeger altijd moest helpen met het schoonmaken van de darmen (desalniettemin vond ze het altijd een ontzettend gezellige tijd). Eerst moest het plukvet er voorzichtig vanaf worden gehaald, op de mestvaalt kneep je vervolgens de darmen leeg. Daarna moest deze ‘krange getrokken’ (binnenste buiten gekeerd) met warm water en met een lepel moest het darmslijm ervan af geschraapt worden. Tot slot nog even opblazen om op gaatjes te controleren, en stoppen maar. Eén varken is goed voor dertig meter darm. Ik denk dat de verse worst wel mijn favoriete stukje vlees was. En gezouten kinnebakspek (varkenswang) als broodbeleg, ik was er dol op! Inmiddels ben ik eigenlijk al jaren een vleesverminderaar.

In de museumschuur werd behalve gezaagd, gehakt, gesneden en gestopt ook gebakken. De dames in klederdracht bereidden bakbloedworst, balkenbrij, kaantjes en smaltappels. De kinderen konden achter in de schuur hun eigen verse sappige hamburger bakken die met heel veel smaak werd opgepeuzeld. Ik vroeg aan twee meisjes of ze het varken aan de ladder toevallig ook al hadden gezien? Moeder moest lachen en zei dat ze dat ná het eten van de hamburger gingen doen, verstandige volgorde waarschijnlijk. WEET WAT JE EET is tegenwoordig van groot belang voor de gemiddelde consument, daarentegen ben ik benieuwd hoeveel volwassenen en kinderen het slachten, uitslachten en verwerken tot eindproduct daadwerkelijk al eens hebben gezien?  Ik zou zeggen: de slachtvisite bij Museum Smedekinck is een prima veldexcursie voor jong en oud!

 

Als je meer wilt lezen over een traditionele huisslacht, volg de veilige link hieronder

https://www.vers-inspiratie.nl/historie-van-de-huisslacht/de-huisslachting

Lichtenvoorde, Bonifatiusziekenhuis

De negentiende eeuw was er één van armoede, ziekten en epidemieën. Op het platteland waren zieken meestal aangewezen op huismiddeltjes (gebaseerd op wijsheden uit de Almanak), kwakzalvers en kruidendokters. Ze waren bovendien afhankelijk van barmhartigheid. Johan Rudolph Thorbecke voerde in 1865 het Artsexamen in, er zou voortaan nog maar één soort geneesheer zijn: de universitair geschoolde arts. Op 4 december 1872 werd de Wet tot voorziening tegen besmettelijke ziekten ingevoerd, het verplichtte alle gemeenten in geval van een besmettelijke ziekte een lokaal aan te wijzen waar patiënten in quarantaine konden worden geplaatst om epidemieën te voorkomen.  In Lichtenvoorde was de ziekenzorg in handen van een aantal (niet speciaal opgeleide) Katholieke vrouwen van de St. Elisabeth vereniging, zij verzorgden de zieken thuis.

In 1919 werd vanwege de behoefte aan meer deskundige verpleging het comité ‘Ziekenverpleging’ opgericht (met o.a. dokter Besslink en kapelaan Vitus Hentzen). Zij besloten dat er religieuze, tot een congregatie behorende, zusters moesten komen. Financieel werd dit mogelijk door een inzameling onder de bewoners datzelfde jaar ter ere van het zilveren priesterjubileum van pastoor Tiburtius de Graaf. Het bijeengebrachte bedrag, ƒl. 12.000, diende als startkapitaal voor de Stichting St. Bonifatius-ziekenhuis die in 1920 werd opgericht. Aan de Broekboomstraat in Lichtenvoorde werd in het herenhuis van de dames Groen (latere fratershuis St. Eloy) een aantal kamers ingericht voor opvang en verpleging van zo’n acht patiënten. De professionele verpleegzorg was in handen van drie zusters, ter beschikking gesteld door de congregatie van de Franciscanessen (moederhuis St. Mauritz) in Münster. Naast het verplegen van de opgenomen zieken waren Zr Gerina (overste), Zr Luzella en Zr Canisia vooral ook druk met de wijkverpleging (en laatste zorg voor overledenen) in de hele gemeente Lichtenvoorde. In 1925 kregen zij, bij hoge uitzondering en door bemiddeling van pastoor Dominicus van den Berk , toestemming hiervoor de fiets te gebruiken. Dat betekende overigens niet dat de werkdag korter werd, er konden zo meer zieken worden verpleegd..

Aan het eind van de jaren ’20 werd de behoefte aan betere verpleegruimten met meer mogelijkheden groter. Door een gebrek aan geld kon het bestuur echter niet veel beginnen. In 1930 schonk de familie Jaartsveld haar tuin aan de Dijkstraat aan de stichting. Met dit onderpand, het spaargeld van de zusters, leningen van particulieren en een voordelige lening van de Boerenleenbank kon op 11 juli 1932 de eerste steen worden gelegd door aannemer Post uit Lichtenvoorde. Op zaterdag één en zondag 2 april 1933 konden inwoners van Lichtenvoorde het nieuwe ziekenhuis voorzien van 40 bedden, een kapel en huisvesting voor de (inmiddels 8) zusters komen bezichtigen. De week erna, op 5 april 1933, werd het gebouw in gebruik werd genomen, de feestelijke opening vond plaats op 25 april 1933. Het spaarzame leven en werken van de zusters heeft er zeker aan bijgedragen dat de stichting de crisisjaren goed heeft doorstaan. Vaste huisknecht (1933- 1982) was Bernard Reuvekamp, beter bekend als Bernard van de dokter, daarvoor was hij namelijk koetsier van Dr. Besselink.

Het ziekenhuis bleek al snel te klein, het bestuur kocht daarom (met oog op de toekomst) in 1938 en 1940 een paar aangrenzende percelen waarop een groententuin en boomgaard werden aangelegd. In 1942 schonk de familie Poelhuis hun stuk aangrenzende grond, vanwege de Tweede Wereldoorlog liet eventuele uitbreiding echter op zich wachten. Tijdens die oorlogsjaren konden de Duitse zusters hun positie in het ziekenhuis behouden. Ze hebben zelfs veel onderduikers van een veilige schuilplaats kunnen voorzien omdat de Duitse soldaten dit blijkbaar niet verwachtten van de eveneens Duitse Rooms-katholieke verpleegsters. Na de oorlog begon men met de uitbreiding van het Bonifatiusziekenhuis, zoals spreekkamers, een laboratorium (onder leiding van Zr Vedesta) en röntgenkamer (onder leiding van Zr Navalina). De financiering slaagde door geld te lenen van de inwoners van Lichtenvoorde, waartoe de pastoor iedereen vanaf de preekstoel opriep.

Na 1950 werd de wijkverpleging, nog altijd in handen van de zusters, overgenomen door eigen leken-krachten van het Wit-Gele Kruis (het Groene Kruis was neutraal, het Wit- Gele Kruis katholiek> wit en geel verwijzen naar de pauselijke kleuren). Het bestuur wilde zo weinig mogelijk gebruik maken van die veel duurdere lekenverpleegsters. De zusters werkten tenslotte bijna de klok rond tegen een zeer lage vergoeding naast kost & inwoning. Daarom groeide hun aantal door naar 12. In 1959 werd er een grote, voor die tijd unieke, kinderafdeling bijgebouwd en een nieuwe wasserij. Twee maanden na de opening waren alle 40 kinderbedjes al bezet! In 1962 kreeg het St. Bonifatiusziekenhuis een eigen ambulance (de collecte voor deze wagen bracht ƒl 30.000,- op), de chauffeur Jan Nijhuis heeft de ziekenwagen bestuurd tot april 1984. In 1963 werd alweer het volgende uitbreidingsplan ingediend bij het ministerie van Volksgezondheid, bijna tegelijkertijd met een zelfde soort verzoek van ziekenhuis Winterswijk en Groenlo wat een aanleiding was tot de eerste gesprekken over een mogelijke fusie tot één groot streekziekenhuis. Met name tussen Groenlo en Lichtenvoorde zorgde dit voor veel tumult, de onderhandelingen tussen de vier Oost- Achterhoekse ziekenhuizen (Groenlo, Lichtenvoorde en 2 te Winterswijk) duurden uiteindelijk 20 jaar. Ondanks die onderhandelingen kreeg Lichtenvoorde in 1966 toestemming voor een flinke uitbreiding (vleugel met parkeerplaats aan Dr. Besselinkstraat) waardoor het aantal bedden op 115 kwam. In 1968 kwam er een flinke afdeling fysiotherapie (ingang Molendijk) en een mortuarium met sectiekamer. Er werkten toen rond de 75 mensen.

In de jaren ’70 was de congregatie van de Franciscanessen van Münster niet meer in staat om de ouder wordende zusters van het St. Bonifatiusziekenhuis te vervangen voor jongere aanwas. Op 29 januari 1978 werd in een officiële viering op indrukwekkende wijze afscheid genomen van de toen nog  tien (acht ouder dan 65 jaar) aanwezige zusters die gedurende 57 jaar van onschatbare waarde waren geweest voor de Lichtenvoordse gemeenschap. In 1984 werd het St. Bonifatiusziekenhuis opgeheven, het streekziekenhuis in Winterswijk was toen klaar. De gebouwen bleven in gebruik als diagnostisch centrum, school voor gezondheidszorgopleidingen in de Achterhoek en praktijkruimten voor fysiotherapie. Het oudste gedeelte, aan de Dijkstraat, werd omgebouwd tot tien appartementen voor particuliere bewoning. Het overige deel werd afgebroken om plaats te maken voor de Nieuwmarkt, winkelcentrum en appartementen.

Met dank aan de Vereniging voor Oudheidkunde Lichtenvoorde die mij het boek ‘Geschiedenis van de Oost-Achterhoekse Ziekenhuizen’ in bruikleen gaf.

klomptgoed_259
Het Herenhuis, destijds van de dames groen (later het Fratershuis St. Eloy) aan de Broekboomstraat, Lichtenvoorde.
klomptgoed_268
Achterzijde van het oude ziekenhuis (voorzijde Dijkstraat).
IMG_8008
Street art op de oude muur van het ziekenhuis aan De Leest, Lichtenvoorde.

 

BZL1

BZL2

BZL3

BZL4

BZL5

BZL6

BZL7

BZL8

BZL9

Winterswijk, Hulzer Willem

Deze ochtend was ik ‘Met Dialect op de Koffie’ bij Erve Kots, georganiseerd door Dialectkring Achterhook en Liemers. Vandaag stond geheel in het teken van Hulzer Willem, Willem Wilterdink uit Kotten. Ik moer eerlijk bekennen dat ik voor deze ochtend niets wist over deze lokale beroemdheid (sorry). Dat heb je als geïmporteerde Achterhoekse, dan moet je nog zo onmeunig veel leren! De dialectochtenden ervaar ik dan ook als zéér leerzaam.

Het was volle bak bij Erve Kots, 252 bezoekers op de koffie. Na een welkomstwoordje van Diana Abbink, voorzitter van de dialectkring, hebben we gekeken naar een film van Ben Tragter over Hulzer Willem. Hij werd geboren in Kotten op 19 maart 1926 in boerderij Het Hulzen, vandaar dus Hulzer Willem. Het huis Hulzen ligt pal tegen het mooie natuurgebied van de Borkense baan in Winterswijk, tegenwoordig heet het Nieuw-Hulzen. Schrijven en zingen was altijd al een grote passie van Willem. Tot zijn grote vreugde werd dit gedeeld door de meester op school, de juf begeleidde hen op piano, de postbode speelde soms mee op klarinet. De ouders van Willem vonden het hartstikke mooi dat hij, als toekomstig boer, goed kon zingen en toneel spelen. Om serieus iets met toneel te gaan doen was destijds helemaal niet aan de orde, Willem werd gewoon boer en veehandelaar.

Gelukkig dat mijn grootouders lange tijd in de Achterhoekse streek hebben gewoond, het dialect versta ik meestal moeiteloos. De bezoekers in de zaal genoten zichtbaar van deze film, regelmatig werd er gelachen om de anekdotes en nuchterheid van Hulzer Willem. Wat een leuk en prettig gezelschap moet deze man geweest zijn! Geen wonder dat mensen het leuk vonden om hun verhalen met hem te delen. Als veehandelaar kwam hij natuurlijk nog al eens rond in de Achterhoek. Sommige van deze verhalen heeft hij verwerkt in zijn toneelstukken en het boek ‘Verhalen van de Grens’. Kotten ligt tenslotte vlak bij de Duitse grens, Willem had bovendien veel contacten en familie aan de Duitse zijde. Volgens Willem was er vroeger veel meer grensoverschrijdend contact, terwijl die zichtbare grens nu eigenlijk verdwenen is. Vroeger ging je over de grens naar de kermis vertelt hij, en werd er veel meer ‘over de grens’ getrouwd. Natuurlijk leverde het smokkelen ook prachtige spectaculaire verhalen op.

Jarenlang schreef Hulzer Willem dialect-columns voor de zaterdag editie van De Gelderlander Achterhoek. Op zondagochtend kon je zijn verhalen beluisteren in het radioprogramma ‘De Klepschuuten’. In maart 1989 won Willem de K. Kraaijenbrink Cultuurprijs omdat hij zich met hart en ziel inzette voor het streekeigene en de verbreiding van de Achterhoekse cultuur. Na een beetje speuren op Google vond ik op YouTube nog een mooie filmopname met Hulzer Willem van zijn boekpresentatie ‘Brinker Jan’ (verhalen en versjes). Hij vertelt over dit boek, zingt een versje en leest een verhaal voor. Al met al krijg ik zo een steeds beter beeld van Willem Wilterdink. Hij sluit af met de prachtige woorden dat hij nooit ‘schatrieke’ is geworden noch failliet is gegaan, hij had gewoon een mooi leven met een mooie vrouw, mooie kinderen en mooie verhalen.

In het tweede gedeelte van deze ‘Met Dialect op de Koffie’ komt Raymond Ubbink aan het woord, muzikant uit het Woold (drummer bij Toe Maar). Behalve muzikant is Raymond ook verpleegkundige bij Pronsweide in Winterswijk. Hij werkt, net als ikzelf, op de woonvorm ‘kleinschalig wonen’ waar we zorgen voor zes cliënten met een vorm van dementie. Het belang van belevingsgerichte zorg wordt steeds duidelijker, iemand toespreken in zijn of haar dialect is hier beslist onderdeel van. Het is herkenbaar voor de cliënten, het stelt hen op hun gemak. Nu versta ik het Achterhoeks dialect prima, het spreken heb ik nog lang niet onder de knie. Ik val al snel door de mand met mijn stads accent, soms tot hilariteit van de cliënten! Gelukkig is humor in de zorg ook erg belangrijk.. Volgens Raymond Ubbink was Willem de uitvinder van Belevingsgerichte Zorg, eigenlijk zou het ‘Hulzer Gerichte Zorg’ moeten heten.

Elke week kwam Willem op bezoek bij Pronsweide, bezocht daar onder andere wekelijks één van de mannen. Willem zette dan een dambord op tafel, legde de stenen erop en begon er wat mee te schuiven. De man volgde zijn voorbeeld. Willem sloeg wat met de stenen op het bord en maakte stapeltjes. De man volgde zijn voorbeeld. Nou, zei Willem dan, je hebt weer gewonnen, tot volgende week! Hij speelde het spel zoals het in de beleving van de man moest gaan. Niet aangeleerd of bestudeerd, zo was Willem gewoon. Eén van de vrouwen op de afdeling van Raymond was eigenlijk altijd heel verdrietig. Op een dag zette hij muziek en verhalen van Hulzer Willem aan, het bracht de vrouw direct tot rust. Een gevoel van herkenning, van ‘thuiskomen’. Sindsdien krijgt ze elke dag een portie Willem Wilterdink, altijd beter dan een greep in de medicijnkast! Het dialect speelde hier een belangrijke rol. Net als in een ander verhaal van Raymond, waar de (niet Achterhoekse) dokter aan een cliënt vroeg of hij erg benauwd was (Raymond imiteert de cliënt: moeizame piepende ademhaling). De cliënt vertelde dat het wel meeviel, toen er gevraagd werd of hij soms ook poesterig was zei de man ‘joa, da wal!’

Ik blijf dus maar gewoon mijn best doen om een ‘betjen plat te proaten’. Ik ga op zoek naar de muziek van Hulzer Willem en Ziene Leu, wie weet kan ik binnenkort ook iemand blij maken met een dagelijks portie Willem Wilterdink. Bedankt Dialectkring, Ben Tragter en Raymond Ubbink voor een prachtige morgen, ik ben blij dat ik nu weet wie Hulzer Willem was, wat köttelpeerkes zijn en waarom ze köttelpeerkes heten.

Achterhoekers naar Amerika

In 2016 bezocht ik de expositie ‘Vluchtelingen’ van Aafke Steenhuis in de Walburgiskerk te Zutphen. In 2013 heeft zij het UWV-kunstcongres gewonnen met dit werk. Ik had toen zelf recent het boek gelezen van Tommy Wieringa, ‘Dit zijn de namen’, waardoor Aafke geïnspireerd was geraakt. Toen zij in de krant een foto zag van een groep bootvluchtelingen met de zin eronder: ‘vreemdelingen op zoek naar asiel hebben meestal niets anders bij zich dan hun verhaal’, wist Aafke hoe zij dit kunstwerk vorm zou gaan geven.

Migranten die in het zicht van het beloofde land verdrinken was de afgelopen jaren regelmatig een verdrietig onderwerp in de media. Het blijkt dat ook Nederland zo’n drama heeft gekend, in het jaar 1847 in de Amerikaanse staat Wisconsin. Deze migranten kwamen overwegend uit de Achterhoek, en zo’n 150 van hen hebben deze scheepsramp niet overleefd. Zij waren meestal pachters van kleine boerderijen in de Achterhoekse streek. Tussen 1845- 1847 mislukten in heel Europa de meeste aardappel,- en roggeoogsten, waardoor de voedselprijzen enorm stegen. Behalve dat de boeren nu zelf ook niets te eten hadden, konden zij de pacht aan de adellijke grondbezitters niet betalen. Sommige familieleden waren al eerder geëmigreerd vanwege de godsdienstige hervormingen, en overgehaald door de brieven waarin zij schreven om niet langer in ‘dat verdrukte land’ te blijven wonen, begon de groep Achterhoekers in augustus 1847 aan hun uittocht.

Aan boord waren iets meer dan 200 personen (inclusief 23 man bemanning) en na een reis van ruim twee maanden kwamen zij op 26 oktober aan in New York. De omstandigheden aan boord waren verschrikkelijk. Tussendeks was er maar weinig ruimte, en veel mensen waren zeeziek. Elk gezin kreeg een beperkt rantsoen, en er was een schema zodat de moeders om beurt hun eten klaar konden maken. Er werd gevochten om het weinige voedsel, en wie niet goed oplette werd ervan bestolen. De meeste migranten trokken verder over land naar Buffalo, aan het Eriemeer, ruim 600 kilometer verder landinwaarts. Op 11 november 1847 gingen zij aan boord van ‘The Phoenix’. Deze stoomboot verzorgde het lucratieve transport van emigranten over de Grote Meren naar het Midwesten van Amerika. Wie geen geld meer had, bleef achter in New York.

De Phoenix zou hen via het Erie-, Huron-, en Michiganmeer naar de plaats Sheboygan brengen in de staat Wisconsin. Na 10 dagen varen in zware stormen ging het mis. Op 8 kilometer van de kust brak brand uit in de machinekamer. De enige twee aanwezige reddingsboten konden slechts een kleine dertig passagiers in veiligheid brengen. In de haven van Sheboygan werd een andere boot voor hulp ingezet, maar die kon pas na ruim een uur de toen al grotendeels afgebrande Phoenix bereiken. Het totale aantal slachtoffers bleef lang onduidelijk. Passagierslijsten waren onvolledig ingevuld of vergaan, en onderweg waren er ook passagiers in-, en uitgestapt. Volgens onderzoeken zijn er slechts 24 van de 174 Nederlandse emigranten (de meesten uit Winterswijk) gered.  De laatste overlevende stierf in 1918. In Sheboygan werd in 1999 een gedenkplaat onthuld ter nagedachtenis aan deze ramp.

Tussen 1840 en 1920 emigreerden ruim 6000 Achterhoekers, verreweg de meesten naar Wisconsin. In Amerikaanse bronnen heeft men er ongeveer 4000 teruggevonden. Een hoop families ondergingen een naamsverandering, zo werd Legters ‘Lictus’, Oberink werd ‘O’brink, Fukkink werd ‘Fern’ en Kortschot werd ‘Crosscut’. Zij hadden in tegenstelling tot de vluchtelingen van nu, vaak nog wel wat bezittingen bij zich, zoals foto’s en een kleine koffer met persoonlijke spullen. De afgelopen jaren is het vluchtelingenprobleem steeds groter geworden, en dringt de vraag zich op of wij de mens achter het verhaal niet vergeten?

Aafke maakte voor haar kunstwerk als eerste figuren van klei. Deze kregen allemaal verschillende houdingen, en werden bedekt met verbandgaas gedrenkt in acrylic one (harssysteem). Na het uitdrogen haalde Aafke ‘de mens’ er uit, en bleef de buitenkant achter. De vluchteling zoals hij meestal wordt gezien.. slechts de buitenkant, zonder eigen ik. Ik vond de expositie erg pakkend, mede door het grote aantal verschillende figuurtjes. Als ik kijk naar de Achterhoek, naar mijn eigen woonplaats Lichtenvoorde, kan ik alleen maar trots zijn op de positieve houding van de meeste inwoners. In mijn eigen straat kwam tijdens de zomermaanden een man uit Syrië wonen, te voet gevlucht uit zijn eigen land, vrouw en kinderen voor hun eigen veiligheid daar achter moeten laten. Wij wonen met 12 andere families in een soort hofje, 6 huizen aan weerskanten. Nog dezelfde avond belde onze nieuwe buurman aan om zichzelf voor te stellen, en aan te wijzen waar hij kwam te wonen. Natuurlijk waren we allemaal best nieuwsgierig, en tot onze grote verbazing (en schok!) bleek hij niet anders te hebben voor de eerste nacht dan een tros bananen om de trek te stillen?! Op een grote in plastic gesealde koelkast na was het huis leeg.

De volgende dag zou een vrijwilliger hem komen ondersteunen bij het aanschaffen van de meest noodzakelijke spullen. Vol ongeloof liepen we achter hem aan door het huis, zelf geweldig trots op zijn nieuwe veilige onderkomen.. Wij als buren vonden dit niet kunnen, en boden aan wat spullen te brengen. Hij knikte dankbaar ja, en binnen 20 minuten was er door iedereen van alles aangedragen. Wij hadden op zolder nog een oude eetkamertafel met 4 stoelen, wat glaswerk, en een 1-persoons dekbed met kussen en beddengoed. Andere buren kwamen met een Aerobed, (schemer)lampen, tweezitsbankje, serviesgoed, en niet onbelangrijk toiletpapier. Uit dankbaarheid wilde de man zijn bananen met ons delen. De andere ochtend heeft de buurt buiten aan de picknicktafel gezorgd voor koffie en broodjes en werd er verder kennisgemaakt. Ons mooie Achterhoekse naoberschap!

Inmiddels is er in winterswijk een monument geplaatst ter nagedachtenis aan de slachtoffers van The Phoenix. Bert Wagendorp werkt aan een boek over de scheepsramp.

Vakantieperikelen

Bofkonten die wij zijn om tot nog toe ieder jaar op vakantie te kunnen gaan. Variërend van een paar dagen tot twee weken van huis. Mijn lievelingsvakanties gaan stiekem toch wel naar Griekenland, die van Marc het Alpengebied. Wij waren voorheen nog nooit op elkaars favoriete bestemming geweest, mij leek het Alpengebied nogal suf en Marc had zo zijn twijfels bij de zonovergoten droge dorre eilanden.. Nu weten we beiden wel beter, om beurten kiezen we nu ieder jaar een leuke reis uit.

Marc zijn eerste keer Griekenland (Karpathos) verliep alles behalve ontspannen! Op de heenreis kreeg ons vliegtuig te maken met flinke turbulentie. Nu ben ik echt wel wat gewend maar deze keer zat ook ik niet meer lekker in mijn vliegtuigstoel. Het toestel hing zo scheef en schudde zo heftig dat de bagagevakken open vlogen, kinderen begonnen te huilen en er vliegensvlug gegrist werd naar de spuugzakjes. Er volgde een noodlanding op Rhodos, inchecken in een luxe hotel en uren van onzekerheid. Met het toestel bleek niets mis, onze piloot bleek een broekie met slechts enkele vlieguren op zijn naam. Rondom Karpathos waait de welbekende Meltemi wind, dat gecombineerd met een relatief korte landingsbaan was voor deze stuurman net iets te hoog gegrepen. Het wachten was op een nieuwe piloot die werd ingevlogen vanuit Amsterdam. ’s Avonds rond 22.30 uur arriveerde de nieuwe piloot, tot ieders grote opluchting al iets grijs wordende veertiger. In het donker kwamen we, na een uiterst kalm vluchtje, aan op Karpathos, onder luid applaus van het luchthavenpersoneel aldaar. Ons avontuur had inmiddels de ronde gedaan op het hele eiland.

Mijn eerste autotrip naar Oostenrijk ging gepaard met lange files en stortbuien. Eenmaal over de grens van Oostenrijk heb ik continu ademloos en diep onder de indruk uit het zijraam gekeken! Hoe anders dan de Griekse bergen en de daar veelal vervallen huizen! Wat een bijzonder mooi land. Het was volop zomer, overal mooie bloemen, schone straten en hardwerkende boeren op de schuine velden. Dat die tractor en de koeien niet naar beneden rolden.. Ondanks het wisselvallige weer hebben we een prachtvakantie gehad, het jaar daarop zijn we wederom naar hetzelfde pension afgereisd. Ik was nog lang niet uitgekeken namelijk.

Na vier keer Griekenland en drie keer Oostenrijk (samen) was dit jaar de beurt wederom aan Marc om een bestemming te kiezen. Het is Zwitserland geworden, Adelboden in de regio Berner Oberland. Ik ben iemand die altijd graag goed voorbereid op reis gaat, dus al snel na het vastleggen van het hotel viel de Trotter reisgids over Zwitserland op de mat. Inmiddels heb ik een keurig lijstje klaar met mogelijke uitstapjes voorzien van openingstijden, toegangsprijzen en het adres voor de TomTom. Dit doe ik eigenlijk ieder jaar, volgens Marc was ik een prima reisleidster geweest. Samen met zijn checklist van dingen die we vooral niet mogen vergeten komen we meestal niet zo snel voor verassingen te staan. Dit jaar moeten we sinds héél lange tijd weer geld wisselen! Het lijkt een eeuwigheid geleden dat ik Griekse Drachmen in mijn portemonnee had zitten.. Ik weet nog goed hoe ik in 1995 voor het eerst op Kreta was en ergens in een piepklein bergdorpje een flesje cola kocht, omgerekend ƒ0,18! Geld halen deed je toen op het Griekse postkantoor met girobetaalkaarten. Na flink geram met stempels kreeg je dan een stapeltje papiergeld mee.

Wat er nooit ontbreekt is een nieuw boek, het liefst in de Engelse taal. Ander land, andere taal spreken, andere taal lezen. Ja, ik ben nog zo’n ‘olderwetse’ die papieren boeken meesleept! Voor mij geen E-reader, op vakantie sowieso zo min mogelijk elektronica. Dit jaar kocht ik ‘All the light we cannot see’ (Als je het licht niet kunt zien) van Anthony Doerr. Het verhaal, bekroond met de Pulitzer Prijs, speelt zich af voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook standaard op het programma staat poetsen en opruimen, alles schoon en netjes voor ik de deur achter mij dichttrek! Daar schijnen meer vrouwen zich mee bezig te houden vlak voor vertrek. Waarom eigenlijk? Zelf heb ik dat wel een beetje van huis uit meegekregen. Ontspannen thuiskomen en stel je voor dat… dat wat?! Natuurlijk ook alle stekkers eruit, gaskraan dicht en prullenbak, vaatwasser plus wasmand leeg. Onze katten blijven gelukkig lekker thuis, ze worden liefdevol verzorgd door de ouders van Marc. En beledigd dat ze zijn als we thuiskomen! Je zou toch denken (lees hopen) dat ze ons enorm gemist hebben. Niet dus. Het eerste dat Toby, onze rode ‘jeweetwelkater’ (bijna 8 kilo netto) een paar jaar geleden deed na onze terugkeer was een flinke hoop doen op de bank?! Een ‘warm’ welkom thuis.

Hoe dan ook, als we in de vroegste uurtjes eenmaal in de auto stappen zitten we meteen in de ontspannen vakantiemodus. Gelukkig bedacht ik me vorig jaar op weg naar Schiphol binnen een paar minuten dat ik mijn paspoort vergeten was te pakken! Tja, had ik maar beter naar die checklist van Marc moeten kijken.. Dit jaar vele kilometers autobahn trotseren, het vignet voor Zwitserland zit al keurig op het raam.  Ongetwijfeld zullen we (ik) vast wel weer iets vergeten. Het belangrijkste is samenzijn, tijd voor elkaar, samen mooie momenten delen en vastleggen. En dat is altijd nog goed gekomen!

DSC_1741
Grieks strand in Anissaras, Kreta.
IMG_1462
Uitzicht-, en rustplaats (1732m) aan de Villacher Alpenstraat, Karinthië Oostenrijk.
IMG_1843
Samen genieten op de Längsee, Karinthië Oostenrijk.

Winterswijk Openluchtspel: Dwarsliggers

Een week voor de aftrap van het Erfgoed Festival mocht ik mee met de BlogBus, een unieke previewtour langs diverse bijzondere locaties. Zo kwam ik op het spoor van ‘Theater over Grenzen’, een serie van tien theatervoorstellingen allemaal op hun eigen bijzondere en historische locatie. Eén ervan op een mij bekende plek, aan de Borkense Baan. En openluchtvoorstelling aan de grens, over grenzen. Na de ontdekkingsreis door het oude hertogdom Gelre schreef ik mijn eerste blog over deze theatervoorstelling. Donderdag 7 juni mocht ik vervolgens de première bijwonen van Dwarsliggers.

Even voor half negen nam ik plaats, een heerlijk zwoele avond. De tribune staat prachtig opgesteld aan de Kuipersweg, alsof je zelf midden op het spoor van de oude Borkense Baan bent gaan zitten! In de verte kwam een draisine langzaam op gang, de tribune tegemoet. Het geluid van de schitterende muziek kwam daarmee ook naderbij. Willem te Voortwis en Yolanda Tangelder zorgen vanaf deze oude spoorfiets voor prachtig gecomponeerde en gezongen ‘filmmuziek’. Ik vond de overgang van muziek naar dialoog, de draisine langzaam in zijn achteruit naar het verdwijnpunt van de Borkense Baan, de ruige natuur tegemoet en de klanken verliezend in de wind, zo ongelooflijk mooi!

Toneelvereniging T.O.E.P uit Kotten heeft weer hard gewerkt om ook van deze voorstelling een waar spektakel te maken. In Dwarsliggers doen leden van allerlei leeftijden mee, aan de hand van hun leeftijd, rol en tegenspeler praten zij Achterhoeks of Nederlands. Gelukkig dat mijn eigen opa en oma lange tijd in de Achterhoek hebben gewoond en ik zoveel mogelijk tijd bij hen doorbracht! Het dialect versta ik gelukkig prima. Loet had direct de lachers op haar hand, wat speelt deze vrouw fantastisch! In plat Achterhoeks liet ze flink van zich horen en nam ze het publiek mee in absurdistische situaties. Mijn buurvrouw op de tribune fluisterde mij trots toe dat Bark, de seinwachter, en zijn vrouw Nans in het dagelijks leven vader en dochter zijn. Er wordt prachtig gebruik gemaakt van de wandelpaden langs de Borkense Baan, postbode Ravel die vanuit de verte aan komt fietsen of juist weer vertrekt (niet alleen maar om de post te bezorgen overigens) en marskramer Sjoks die met zijn rugkorf komt aangewandeld om te venten, beiden gaven het geheel een nostalgische sfeer. Rond half tien was het tijd voor een pauze. Inmiddels begon de zon langzaam te dalen, vanaf het parkeerterrein (van alle gemakken voorzien) genoot ik even van de mooie kleuren in de lucht.

Na de pauze ben ik blijven staan, zo kon ik mooi achter de tribune langs lopen om vanuit verschillende ooghoeken mijn foto’s te maken. Voor de pauze kwamen Harry, Vonne, Kessi en Joost het toneel opgereden in hun camper, de stadsen. De clichés over en weer deden mij grijnzen, ik kreeg ze in het begin ook naar mijn hoofd  😉 en nu, na jaren woonachtig in de Achterhoek betrap ik mezelf er wel eens op dat ik sommige van die stadse gewoonten helemaal niet meer zo gewoon vind.. Achter de camper ligt inmiddels in de schemering de oude brandkolk, tegenwoordig kikkerpoel. In het mysterieuze blauwe schijnsel zorgen de kwakende diertjes voor extra sfeer bij dit openluchtspel. Zegge en Wieger hadden hun grootste ontdekking inmiddels gedaan, rijp om de Achterhoek te verlaten. Rak en Mus beleefden zo hun eigen avonturen met Kessi. Kleine Pork ging buiten de baan en verliet daarmee als één van de laatste kinderen het ouderlijk huis, op de voet gevolgd door haar oudste zus Efi, of moet ik zeggen Atalanta?

Een welverdiende staande ovatie en luid applaus klonk tot slot door het schemerdonker. Wat heb ik van deze avond genoten! Genoten van de komische scenes, de melancholie die we ongetwijfeld allemaal zullen voelen als we het absurdisme onder de loep nemen. Vooral de hele setting van Dwarsliggers, deze bijzondere historische plek in een al net zo speciaal stukje natuur, maakte deze avond voor mij een fantastisch avondje uit. De liedjes zijn klein en integer wat ze juist op deze plaats en manier van uitvoeren weer groots maakt. Ik ben zelf ‘vriend(in)’ van Theater de Storm en bezoek minstens 5 keer per seizoen een voorstelling in de schouwburg (stadse gewoonte?). Na vanavond heb ik mijzelf plechtig beloofd wat vaker naar uitvoeringen van plaatselijke toneelverenigingen in de Achterhoek te gaan, want ik kan nu met recht zeggen dat zij absoluut niet onder doen voor grote landelijke producties. Ik zou zeggen, koop snel een kaartje voor één van de nog komende drie voorstellingen!

Klik hier voor mijn eerdere column over Dwarsliggers

 

 

IMG_8016
Willem te Voortwis, Yolanda Tangelder, Karin Sikkink en Yvonnde de Wit
DSC_0640
Marskramer Sjoks
DSC_0654
Bark en Nans
IMG_8019
Tijdens de pauze geniet ik van de prachtige lucht.
DSC_0657
Postbode Rafel
DSC_0740
Rak en Mus