Columns

Streekverbetering

Het derde college van het Achterhoek College 2019 had als thema: de moderne Achterhoek en architectuur. Het eerste deel: “De moderne Achterhoek – de maakbare samenleving in een achtergesteld stukje Nederland” werd gegeven door Joanne te Winkel uit Winterswijk. Zij studeerde geschiedenis aan de universiteit en maakt deel uit van het projectteam ‘Een Nieuwe Tijd! Wederopbouw in de Achterhoek’. Dit programma is samengesteld door 11 gemeenten in de Achterhoek met als doel het bijzondere erfgoed uit de wederopbouwperiode dat de Achterhoek bezit, groots onder de aandacht te brengen. Dit zal gebeuren in het jaar 2020, aansluitend op 75 Jaar Vrede en Vrijheid in de Achterhoek. Eigenlijk is er maar weinig belangstelling voor de wederopbouw architectuur. Met dit project hoopt men een herwaardering teweeg te brengen met het erfgoed als inspiratie.

Sicco Mansholt was twaalf jaar (1945-1958) minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Hij voorzag al vroeg dat de Nederlandse landbouw gereorganiseerd moest worden. Hij wilde bedrijven die kleiner waren dan vijf hectare samenvoegen waarmee hij een gevoelige snaar raakte, aangezien zeventig procent van de boeren vlak na de oorlog een bedrijf van vijf hectare of kleiner had. Ondanks dat de boeren zich vrij snel hersteld hadden van de oorlog (in 1950 zat men alweer op hetzelfde productieniveau als voor de oorlog) bleef Nederland achter bij andere landen. Mansholt wilde dat de boeren in achtergebleven gebieden zoals Winterswijk, hetzelfde welvaarts-, en welzijnspeil zouden bereiken als de arbeiders in de industrie. Tussen 1962 en 1968 stond Winterswijk in het teken van het Streekverbeteringsprogramma , dit zou hieraan gaan bijdragen. Een groot deel van de voorlichting werd uitgevoerd door lokale boerenstandsorganisaties, deze moesten de eigen achterban helpen bij de mentaliteitsverandering (zij hadden tenslotte het vertrouwen van de boeren al). Er werd zelfs een speciaal maandblad uitgegeven om informatie over het programma in Winterswijk te verspreiden, ’t Olde Wenters’.

Men wilde de boeren moderniseren door middel van voorlichting. Zo was er bijvoorbeeld veel aandacht voor het huishouden, dat moest moderner en makkelijker. Zo hield je namelijk tijd over! Tijd over om de man te helpen. De Nederlandse Bond Voor Plattelandsvrouwen ging het land door met een reizende woon-tentoonstelling. In twee jaar tijd moest het hele platteland op de hoogte worden gebracht van moderne huishouding. Het had met name betrekking op de moderne woninginrichting, huishoudelijke apparatuur en voeding. Landbouwkundige voorlichting  (ruilverkaveling, mechanisatie, bankleningen) zou de boer helpen zijn bedrijfsstijl te optimaliseren. Agrarisch-sociale voorlichting (bedrijfsopvolging, vrijetijdsbesteding) moest een boer en zijn gezin helpen met een betere positie in de samenleving. De traditionele samenleving in het oosten van Nederland moest ook op de schop. Drie generaties die onder één dak wonen, werd gezien als afwijkend en niet iets voor ‘de moderne tijd’. Voorlichting over samenwonen was dus ook onderdeel van het Streekverbeteringsprogramma. De juiste mentaliteit om veranderingen in het bedrijf aan te brengen werd minstens zo belangrijk gevonden, anders zouden zij de voorgestelde veranderingen helemaal niet toe kunnen passen! Boeren moesten geholpen worden om zich te ontworstelen aan het traditionele cultuurpatroon want deze droegen allesbehalve bij aan vooruitgang.

Het streekverbeteringsprogramma leek aan het einde van de jaren 1960 steeds meer achterhaald, in 1970 kwam er dan ook landelijk een einde aan het programma. De infrastructuur was verbeterd, er waren meer onderwijsmogelijkheden, de industrialisatie was niet meer weg te denken en met de komst van de auto en televisie  was het blikveld van de boer vergroot. De voorlichting richtte zich nu vooral nog op geldzaken. Met enige teleurstelling werd er teruggekeken op de resultaten van het Streekverbeteringsprogramma in Winterswijk. De polder had bewezen dat de samenleving maakbaar was en ook de kleine boeren in het oosten moesten gemaakt worden tot moderne agrarische ondernemers. Nieuw land kon de overheid helemaal naar smaak inrichten, maar oud land veranderen bleek moeilijker. Het is gebleken dat je een idee niet zomaar even landelijk kunt uitrollen. In Winterswijk was dan ook niet heel veel veranderd na afloop van het streekverbeteringsprogramma. De Achterhoek hield vast aan de traditionele gewoonten, en hoe mooi is dat eigenlijk! Deze streek heeft duidelijk een sterke eigen identiteit.

Een deel van mijn eigen familie woont in de Noordoostpolder, gemaakt op de tekentafel. De hele opzet kent een duidelijke hiërarchie. Het wegen-, en watersysteem loopt van groot naar klein, de ordening van de agrarische bedrijven aan de hand van de grootte. De grote polderbedrijven liggen hierbij centraal, de kleinere aan de randen. De opzet van de tien dorpskernen was al even nauwkeurig uitgetekend. De bijna ronde vorm van de polder, maakte het logisch om in het geografische midden het streekcentrum te projecteren met voorzieningen als een ziekenhuis, schouwburg en scholen voor voortgezet onderwijs. Dit voorzieningencentrum werd de Noordoostpolder-stad Emmeloord. De fietsafstand tussen alle kernen mocht hooguit 10 kilometer bepalen. Want iedereen moest kunnen fietsen: de arbeider naar zijn werk, de kinderen naar school en de vrouw naar de winkel. Negen dorpen waren door een ringweg met elkaar verbonden (Rutten lag aan een uitloper van de kring), Emmeloord ligt in het midden op het kruispunt van de vier hoofdwegen die de polderstad dus met vier polderdorpen verbind. Deze hele theorie werd overigens razendsnel achterhaald, ook hier ging men mechaniseren en autorijden.

Het tweede deel van dit college: “Sober en solide –  Architectuur van de wederopbouw in de Achterhoek”, werd gegeven door Roger Crols. De architectuurhistoricus vertelde over de vormgeving van de moderne Achterhoek, de onbekende ruwe diamanten van de wederopbouw in onze eigen regio. Wederopbouw is meer dan alleen het herstellen van oorlogsschade. Het heeft ook te maken met modernisering, nieuwe uitbreidingswijken om de woningnood het hoofd te bieden en de ruilverkaveling in landelijk gebied. Met name Beltrum was in de Achterhoek een wederopbouwgebied van nationaal belang. Men hield hier namelijk rekening met het historisch landschap en waterwegen. Joanne vertelde ons al dat ook de Achterhoek zulke uitbreidingswijken kent, bijvoorbeeld in Zelhem aan de Abraham Kuyperstraat. Mensen van het platteland, vanuit de agrarische sector, gingen werken in de groeiende industrie. Zelhem koos voor een landelijke woonstijl, zo was de ingang bijvoorbeeld aan de achterzijde. Er was ruimte voor een moestuin, en daarnaast nog voldoende voor het houden van kippen en een varken. De keukens waren groot, zoals de woonkeukens in de boerderijen. Een kelder vond men vaak onprettig, een waterleiding veelal overbodig. De huizen aan de Prinses Beatrixstraat in Zelhem waren al wat moderner.

Zelf ben ik geboren in Bilthoven, in een portiekflat. Drie woonlagen, het aanzicht van een enorme legbatterij is mij bespaard gebleven. Buiten dat had ik gelukkig mijn grootouders in de Achterhoek wonen, waar ik dan ook iedere vakantie en lang weekend doorbracht. Ook deze portiekflats zijn uit de wederopbouwperiode. Bilthoven zelf ligt tegen de Utrechtse heuvelrug aan, ik had de natuur gelukkig om de hoek (Biltse Duinen). Veel omringende plaatsen zijn begin jaren ’70 systematisch uit de grond gestampt om Utrecht te ontzien, ik zou er voor geen geld willen wonen! Nieuwegein, Houten, en Maarssenbroek spant denk ik nog wel de kroon: 8500 woningen in 14 wijken in alfabetische volgorde langs de vier zijwegen van de hoofdweg. De meeste wijken ook nog eindigend op -kamp.. Ik ben heel dankbaar dat mijn grootouders mij de liefde voor de Achterhoek met de paplepel hebben ingegoten! Hier ben ik thuis.

Ik had er nog nooit van gehoord: de Melkflessen-test uit de jaren ‘50? De inrichting van het moderne huis klopte pas wanneer je in elke ruimte een glazen melkfles zou kunnen plaatsen, zonder dat deze uit de toon zou vallen. De wederopbouwperiode was eigenlijk best heel bijzonder, en kent ook heel wat overeenkomsten met de huidige tijd. Het project waar Joanne aan werkt, ‘Een Nieuwe Tijd’, slaat dan ook niet voor niets een brug naar het heden zoals verduurzaming van de niet zo energiezuinige gebouwen uit die wederopbouwperiode.

De Achterhoek gaat laten zien hoe dat kan: samen anpakken! Want een nieuwe tijd maak je samen. Dat levert ongetwijfeld mooie nieuwe Fotovertelsels op. Ik zeg Klomptgoed!

DSC_3636-2
Joanne te Winkel geeft college.

 

Attamottamotta!

Een Achterhoek College over topsport kan natuurlijk maar op één plaats gegeven worden: bij de Vijverberg, thuisbasis van voetbalclub De Graafschap. Het mag dan wel niet de rijkste voetbalclub zijn en ook niet de allerbeste voetbalclub, het is wel de mooiste en boegbeeld van de Achterhoek! Hans Martijn Ostendorp, algemeen directeur van De Graafschap, was aangenaam verrast door het verzoek om deel te nemen aan het Achterhoek College 2019. Hij hoefde er echter geen moment over na te denken, De Graafschap is zoveel meer dan voetbal alleen en daar valt heel veel over te vertellen. In iedere Achterhoeker schuilt wel een blauwwit hart volgens Hans Martijn, want de Graafschap is een Volksclub. Superboer ben je bij winst en verlies, bij promotie en degradatie, en in voor-, en tegenspoed. De gedrevenheid van Hans Martijn begreep ik pas echt goed toen hij ons zijn verhaal vertelde.

Hans Martijn Ostendorp heeft zijn roots in Dinxperlo. Het voetbalstadion van De Graafschap betrad hij al op jonge leeftijd, aan de hand van zijn vader. Sindsdien kleurde ook zijn hart blauw-wit. Hij verkoos werken boven studeren en vond een baan als junior-vertegenwoordiger (het ganse land door om naar eigen zeggen spuuglelijke kleding te verkopen aan marktkooplui). Daar leerde hij de fijne kneepjes van zaken doen en wist al snel op te klimmen. Zijn politieke carrière begon met een ingezonden brief naar de  plaatselijke gemeente, een keer spreken op een raadsvergadering, zitting in een commissie en uiteindelijk wethouder van de gemeente Aalten. De politiek ging hem goed af, Hans Martijn werd zelfs burgermeester van Bunnik. Desondanks is hij altijd trouw gebleven aan De Graafschap, juichen voor een andere club is best mogelijk, maar niet vanuit het (blauw-wit) hart. Iedereen in Bunnik wist dan ook: onze burgermeester is een Superboer! Na acht jaar was het tijd voor een beslissing, burgermeester worden van een grotere gemeente of toch iets heel anders? Een langgekoesterde wens van Hans Martijn was om ooit nog eens iets voor de Achterhoek te doen. Die kans kreeg hij toen De Graafschap hem aanbood om algemeen directeur van de voetbalclub te worden. Het was niet een beslissing die over één nacht ijs ging.. Een zeker bestaan als burgermeester opgeven voor een onzeker voorzitterschap? Na het zien van een YouTube filmpje werd de knoop doorgehakt: we gaan de uitdaging aan, op naar de Achterhoek!

Hans Martijn wilde graag een blanco agenda wat betreft sociaal maatschappelijke verankering, het verduurzamen van de voetbalclub. De club was niet gewend om zo te denken, het ging eigenlijk om maar één ding: hoe verkopen we zoveel mogelijk stoelen. Dat Hans Martijn de taal van ondernemers sprak kwam goed van pas, net als zijn ervaring als bestuurder. Dat hij dialect verstaat en ook spreekt heeft zeker voordelen, het ‘houwtje touwtje’ stadion, zoals Hans Martijn de Vijverberg wel eens omschrijft, kent niet voor niets dat gemuudelijke sfeertje. Spelers die niet begrijpen hoe we leven in de Achterhoek passen hier niet vind hij, we zoeken echt naar het Graafschap DNA. En ja wat dat dan precies is? Nou gewoon: DRAN! Volgens Hans Martijn laat het zich nog het beste omschrijven in drie woorden: onverzettelijkheid, passie en strijdlustig. Zelfs bij de spelers met Afrikaans bloed, zie je iets gebeuren in de Vijverberg, ook in hen zie je al snel dat DRAN-DNA. Die sociale maatschappelijke betrokkenheid van De Graafschap uit zich door bijdragen te leveren waar de gemeente niet kan geven. Hans Martijn verwacht dan ook van de spelers dat ze drie dagdelen per maand inzetbaar zijn, dat maakt dat De Graafschap overal zichtbaar is en die rol kan vervullen. Zo is er het talentenpodium waar jongeren zich kunnen presenteren aan sponsors uit het bedrijfsleven. Hoe mooi zou het zijn, vertelt Hans Martijn, als we met onze Graafschap bus naar Groningen of Eindhoven zouden rijden om daar jongeren op te halen, zodat ook zij zich hier kunnen presenteren aan de Achterhoek! Zo hebben die sponsors en ook de businessleden de kans om de beste talenten binnen te halen. De Graafschap legt ook verbindingen tussen de leden en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zo proberen we hen weer betekenis in het leven te geven.

Na een grondig onderzoek op alle mogelijke fronten is gebleken dat de voetbalclub in de basis prima op orde is, het negatieve eigen vermogen is gelukkig al flink terug gebracht. De Graafschap staat statistisch gezien op de 16e plaats van Nederland, eigenlijk net in een té kwetsbare positie. Het streven voor de toekomst is dan ook om met hele kleine stapjes nog iets verder te stijgen. Het stadion stamt uit hetzelfde jaar als de oprichting van De Graafschap, 1954. De ligging van de Vijverberg, midden in een woonwijk, maakt uitbreiding best lastig, vanuit zijn supportershart gezien wil Hans Martijn dit liever ook niet. Hoe mooi is het dat we nu met regelmaat kunnen roepen “het is kats uutverkocht!” Het contact met de buurt is erg goed, het grootste gedeelte is hartstochtelijk supporter of zelfs werkzaam bij de club, zoals Hans Martijn zelf. Zolang je maar in gesprek blijft met elkaar, en bruggen bouwt in tijd van vrede, komt het wel goed volgens Hans Martijn. Wat een geweldige verteller! Onverzettelijkheid, passie en strijdlustig, een man met het Dran-Dna in heel zijn lijf! Een Achterhoeker die niets liever doet dan zo nu en dan, wanneer de Vijverberg leeg en verlaten in het schemerdonker nagalmt van emotie, de grasmat oplopen om zijn blauw-wit hart opnieuw te vullen met trots.

Ik vond het in elk geval een onmundig mooie avond! Een mooie rondleiding door De Vijverberg en via de schitterende spelerstunnel naar het veld. Attamottamotta spat daar van de muur! Geniaal, die spreuk vergeet ik niet meer (bijna net zo leuk als Klomptgoed). Zou er dan toch ook een beetje blauw-wit in mijn hart schuilen? In ieder geval blauw-wit genoeg om nu ook de expositie ‘Superboeren 65 jaar de Graafschap’ in het Stadsmuseum van Doetinchem te willen zien.

DSC_3176-3

Achter de Coulisse.

Het Achterhoek College 2019 is van start gegaan, en deze keer ben ik ook van de partij. De zes colleges worden op verschillende locaties gegeven, de allereerste bij het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers. Een perfecte manier om de Achterhoek beter te leren kennen! De meeste deelnemers bleken dan ook, net als ik, geen geboren en getogen Achterhoekers. Gelukkig onder ons een paar authentieke exemplaren, het dialect klonk me dan ook als muziek in de oren tussen het zeer beschaafde Nederlands (mijn rollende R verraad me nog dagelijks). Tijdens het eerste college stond het landschap centraal, de focus op het coulisselandschap. Vorig jaar volgde ik de trainingen voor Gastvrouw van het Landschap gemeente Oost Gelre, dit college sloot daar prachtig bij aan.

In  november 2018 besteedde het programma Nieuwsuur er uitgebreid aandacht aan, het Hollandse landschap verdwijnt! Zo ook het typische Achterhoekse coulisselandschap. Wat is dat eigenlijk, een ‘coulisselandschap’? Hier vind je kleine lapjes grond, omgeven door bomen en/of struiken en vaak ook een greppel. Doordat je maar een beperkte afstand kunt kijken, zie je telkens weer iets anders wanneer je dit landschap doorkruist. Op het toneel blijft het ook vaak een verrassing wat zich achter de coulissen afspeelt, vandaar de naam ‘coulisse’. Door de schaalvergroting in de landbouw, vind je de authentieke houtwallen alleen nog om grote percelen. Greppels zijn verdwenen en de  lange boomrijen onderbroken. Anno 2019 staat duurzame energie op de loer, gaat dit niet ten koste van ons mooie landschap? Is het terecht dat de overheid alleen geld in de grote natuurprojecten stopt en de kleinere landschapsmonumenten laat verslonzen? Gelukkig ontstaan er steeds meer lokale initiatieven om de eigen landschapsidentiteit te behouden.

André Kaminski, voorzitter van organisatie Stichting Achterhoek weer Mooi (stAM), verzorgd dit eerste Achterhoek College in een reeks van zes. De stAM probeert de doelstelling die centraal staat in het Deltaplan voor het Landschap (boek ‘Nederland weer Mooi’) na te streven, of in elk geval onderdeeltjes hiervan, zoals de aanleg van kruidenrijke bermen en akkerranden. Het boek dat in 2005 werd gepubliceerd vertelt hoe het moderne landschap weer mooi kan worden, met aandacht voor de identiteit van een streek en de geschiedenis. In zo’n landschap zullen dieren en planten die nu dreigen te verdwijnen zich weer thuis voelen. De Vereniging Nederlands Cultuurlandschap stelt dat wanneer we in 20 jaar tijd een bedrag van 12 miljard zouden investeren, we erin kunnen slagen om het Nederlands landschap weer karakteristiek te maken. Uiteindelijk zou het zelfs 18 miljard opleveren! Als de overheid bijna 5 miljard kan uitgeven aan een Betuwelijn, die overigens jaarlijks flink verliest leidt, verdient ons mooie Hollandse landschap dan niet minstens zoveel investering! Uit onderzoek is gebleken dat het niet alleen goed is voor de economie, het draagt ook bij aan een goede gezondheid en het welzijn van de mens.

Als we het hebben over cultureel erfgoed, hoort het coulisselandschap daar ook bij. De Achterhoekse streek barst van de landschapsmonumenten! Wat te denken van de monumentale eik bij de Radstake, de Varsseveldse kopjes en het zandpadenstelsel in Zelhem. Ze maken deel uit van onze identiteit en vertellen vaak vele verhalen. Als mensen het landschap waar ze wonen waarderen, gaan ze het meestal vanzelf beschermen. Maar waarderen we ons landschap wel genoeg? Of vinden we het eigenlijk heel gewoon dat we in deze prachtige groene zone wonen? Stel dat een boer die bereid is om die schitterende monumentale boom die hij midden in zijn weiland heeft staan (hartstikke onpraktisch) te behouden, ter compensatie een geld-busje ophangt, hoeveel mensen zouden er dan daadwerkelijk wat geld in doen? Om het cultureel erfgoed van bijvoorbeeld buurtschap de Meuhoek (bij Halle) te handhaven is €500.000 nodig. Hier vind je het laatste authentieke (kleinschalig) coulisselandschap. Op een oppervlakte van 3 km² vind je een diversiteit van grasland, akkers, landweggetjes en 3000 knotelzen. In de moderne landbouw kan zo’n stuk landschap niet gehandhaafd worden, het vraagt teveel onderhoud. De Elzen moeten allemaal geknot worden om het typische coulisselandschap in stand te houden. Vinden we dat €500.000 waard? Het bekendste schilderij van Rembrandt, De Nachtwacht, wordt dit jaar voor het eerst sinds 1976 gerestaureerd, naar verwachting kost dat 3 miljoen euro. Hetzelfde bedrag wat is berekent voor het restaureren van de Gouden Koets. Ik zou zeggen omsmelten dat ding en de opbrengst investeren in het Hollandse landschap.. 😉.

In onze groep cursisten bevind zich onder andere een agrariër en campingeigenaar. Best verhelderend om die verschillende ervaringen te horen! De grond onder onze voeten wordt door vele aspecten beïnvloed zoals cultuur, recreatie en economie. Iemand die zijn boterham moet verdienen met land-, en akkerbouw bekijkt het gehele plaatje toch echt heel anders als de campingeigenaar die het van de recreatie moet hebben. In de Achterhoek is die recreatie inmiddels minstens zo belangrijk geworden als de landbouw. De hele regelgeving zou volgens de agrariër best wat ‘gemuudelijker’ mogen. Als een boer bereid is mee te helpen om het aantal soorten dieren en planten op zijn landbouwgrond te vergroten door hier een leefgebied voor kwetsbare soorten te creëren, moet hij daarvoor eerst een gebiedsaanvraag doen bij de provincie. Dit soort stukken grond worden namelijk provinciaal toegewezen. De beheersovereenkomst die dan eventueel wordt aangegaan, is aan strenge regels gebonden. Er wordt exact bekeken hoeveel kwetsbare soorten er zich per m² bevinden, pas daarna komt een boer eventueel in aanmerking voor compensatie van dit voor hem onbruikbare stuk landbouwgrond. Volgens de boer zou het mooi zijn als de maatschappij de boer tegemoet zou komen, als in de naaste bewoners en de bezoekers.

Ik ben helemaal voor. Adopteer een boom, sponsor een bermrand en help zo mee de Achterhoek weer mooi te maken. Het was beslist een boeiende avond! Heel fijn ook om te zien dat de mannen toch echt niet zonder vrouwen kunnen als het aankomt op moderne elektronica!

DSC_2859
Femia Siero, directeur van het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers.

Et Vitam Aeternam.

Een mooie ontmoeting in Hilversum was de aanloop naar de prachtige oecumenische kerkdienst die zondag 24 februari plaatsvond in de Johanneskerk te Lichtenvoorde. Voorgangers dominee Hans Hinkamp en pastoor Scheltinga werden muzikaal ondersteund door het Gregoriaans herenkoor Jubilate Deo. Een unieke samenwerking tussen Protestantisme, het Oud-katholieke en een Rooms-Katholieke koor.

Rudolf Scheltinga is pastoor van de Oud-Katholieke Parochie van St. Agnes, in Egmond aan Zee. Deze parochie kent niet alleen de oudste, maar ook de grootste geloofsgemeenschap binnen de Oud-Kathollieke Kerk van Nederland. Ondanks dat zijn parochie zich op ruim 180km van Lichtenvoorde bevind, was het toch een soort van ‘thuiskomen’ voor Rudolf Scheltinga. Niet zo verwonderlijk als je weet dat de pastoor Achterhoekse roots heeft! Moeder Krabben werd namelijk geboren in Zieuwent, en vader Scheltinga in Eibergen. Rudolf zelf werd geboren in Bolsward, waar zijn ouders een bakkerij hadden. De uitnodiging om eens samen met dominee Hinkamp voor te gaan in de dienst, nam pastoor Scheltinga dan ook graag aan.

Dominee Hinkamp vertelde ons over Handelingen 1, vers 15 tot en met 26. Over de vervanging van Judas door (dertiende) apostel Matthias. Voor de hervormingen binnen het Katholicisme was 24 februari namelijk de feestdag van de Heilige Matthias. Zijn huidige Rooms-Katholieke feestdag is 14 mei. Matthias blijft vaak buiten beeld, zelden wordt er over hem gepreekt. Pastoor Scheltinga, die ons voordroeg uit Johannes 15, vers 1 tot en met 8, had net als eigenlijk iedereen die zondag in de Johanneskerk nog niet eerder een preek over Matthias gehoord. In de middeleeuwen behoorde het bedevaartsoord van Matthias in Trier toch echt tot de zeven drukst bezochte van het Rijnland! En omdat zijn traditionele feestdag op 24 februari viel, werden veel folkloristische gebruiken van de winter naar Matthias vernoemd. Er zijn rond die datum ook heel wat boerenwijsheden en weerspreuken ontstaan zoals: ‘Als Sint-Matthijs geeft sneeuw en ijs, dan kan men verwachten, het zal nog vriezen veertig nachten! Helaas voor Koning Winter, de Johanneskerk baadde 24 februari in het zonlicht.

Ik vond het een bijzondere Anders-Kerk-Zijn dienst (volgens pastoor Scheltinga staan de letters –AK- ongetwijfeld voor ‘Alt Katolische’). Het leek haast of dominee Hinkamp en pastoor Scheltinga regelmatig samen voorgaan in een dienst, zo vanzelfsprekend was de verbondenheid met de Heer, met elkaar en de aanwezigen. De boodschap van beide mannen was prachtig: “tegenwoordig zijn er diverse genootschappen uit vele streken, jammer genoeg verstaan zij elkaar soms niet meer, en verliest men datgene wat verbind uit het oog. Juist daarom is het belangrijk elkaar op te zoeken zoals deze zondag gebeurde. Zo blijft de verbinding bestaan, en kan deze waar nodig hersteld worden door naar elkaar te luisteren. Want als je met je hart naar de geschriften kijkt, en de liefde voor de Heer niet alleen preekt in woorden, hoeven verschillen niet te ontaarden in geschillen”. Op sommige afbeeldingen staan de twaalf apostelen met ieder een banderol in de hand. Matthias draagt de slotregel: Et Vitam Aeternam. Voor altijd, tot in de eeuwigheid. Geen mooiere manier om die zondag mee te eindigen.

DSC_2645
Oecumenische kerkdienst bij Johanneskerk in Lichtenvoorde. Mooie samenwerking van Protestantse dominee, Oud-Katholieke priester en Rooms-Katholiek Gregoriaans herenkoor.

De Lenteklokjes luiden.

Het lijkt wel of Koning winter een flinke schop onder zijn derrière heeft gekregen van de lenteprinses! Het is volop voorjaar, en dat half februari. Ik hou beslist van het (voorjaars) zonnetje, maar stiekem hoop ik toch wel op nog een paar echte koude winterdagen. Voor de aankomende editie van de Antoniusbode schreef ik onderstaand artikel over de term ‘op je paasbest’, over de herkomst van deze uitdrukking en hoe men er invulling aan gaf. Op je paasbest betekende voor mij als klein meisje dat ik een rokje aan moest, zo één met een ruitjespatroon en een grote goudkleurige speld. Daaronder door mijn oma gebreide crèmekleurige kniekousen. Ver-schrik-ke-lijk! Dan was ik toch liever op de boerderij in de Achterhoek, rondbanjeren in een overall met mijn oranje klompjes.

 

Een dagje winkelen in Antoniushove.

De winter is nog niet verstreken, toch daar in de verte loert het voorjaar. Op naar wat vroeger wellicht één van de belangrijkste momenten van het jaar was, de Paasdagen. Dan moest je toch echt ‘op zijn paasbest’ voor de dag komen. De uitdrukking wordt nog veel gebruikt en gehoord, nog steeds vinden mensen het leuk om voor de feestdagen nieuwe kleding te kopen om er piekfijn uit te zien. Maar hoe doe je dat als je woont in een verzorgingshuis?

Je zou toch denken dat het vanuit bijvoorbeeld de Antoniushove eenvoudig is om even naar één van de kledingwinkels in Lichtenvoorde te wandelen en daar een nieuwe outfit aan te schaffen? Voor enkele cliënten is dit inderdaad een optie, voor de meesten echter is dit een bijna onmogelijke opgave. Het ‘uitstapje’ naar de winkel vergt al de nodige voorbereiding. Welk tijdstip van de dag is het meest geschikt voor hem of haar, wie gaat er mee en hoe gaan we ernaar toe? In de meeste winkels is het onmundig warm, wat het aan-, en uittrekken van kledingstukken (wat op die leeftijd niet meer zo gemakkelijk gaat) tot een uitputtende activiteit kan omdopen! Dan maar hopen dat de winkel rolstoeltoegankelijk is en brede looppaden heeft. Dan rest er nog maar één probleem, menig pashokje is namelijk niet bepaald rolstoelvriendelijk..

De uitdrukking ‘op zijn paasbest’ is te herleiden naar een katholiek gebruik van vroeger. Men ging dan in ieder geval één keer per jaar ter communie, meestal met Pasen. Voordien moest er gebiecht worden waarbij de dagelijkse zonden, laat staan de doodzonden, moesten worden opgebiecht zodat deze je vergeven konden worden. Velen gingen uitgebreid in bad en kregen nieuwe kleding. Zo was na de biecht niet alleen het innerlijk, maar ook het uiterlijk weer ‘op zijn paasbest’. Los van het katholieke gebruik waren de paasdagen het moment voor de grote voorjaarsschoonmaak van het huis. De kachel ging uit, ongeacht de weersomstandigheden. De winterkleding werd opgeborgen en maakte plaats voor de luchtige zomerkleding, ook al vroor het dat het kraakte.

Vroeger kreeg men bij de Lichtenvoordse winkeliers nog wel eens een tas kleding mee, om even te passen. Betalen kon na die tijd wel, net als het kopen ‘op de bon’. Natuurlijk heb je tegenwoordig als consument het recht om binnen een bepaalde tijd aangeschafte kleding weer te ruilen, vaak is dat echter een tijdrovende bezigheid voor mantelzorgers. Tijd die ze liever met hun naaste zelf doorbrengen. Wat is dan fijner om gewoon een dagje te winkelen IN de Antoniushove! De rijdende kledingwinkel komt gewoon naar ons toe. In hun eigen vertrouwde omgeving kunnen de cliënten nieuwe kleding uitzoeken en passen. In het Grand Café staat de koffie klaar, met wat lekkers voor de liefhebbers. Zo wordt het een ontspannen en gezellig dagje winkelen en hebben alle cliënten die mogelijkheid om er op hun paasbest uit te zien.

IMG_7162

paasbestPaasbest2

Consumentisme

Toen ik onlangs naar mijn werk liep, stapte ik tijdens mijn wandeling op twee smetteloze postelastieken. Het was een grijze druilerige dag, ik had een beetje haast en nam niet de moeite om ze op te rapen. Bijna onmiddellijk klonk de stem van mijn moeder in mijn achterhoofd: ‘meenemen, je weet nooit wanneer ze nog eens van pas komen!’ Ik voelde me bijna schuldig dat ik ze als ‘rommel’ op de stoep had achtergelaten.

In de jaren ’70 en ’80 was ook in Nederland sprake van economische groei. Er werd weer meer geproduceerd. Al die producten moeten natuurlijk wel geconsumeerd worden. De meeste mensen hadden in het algemeen voldoende geld te besteden, er was ruimte voor luxeproducten en de consumptiemaatschappij was een feit. Zelf ben ik geboren in 1975, dus de komst van de eerste televisie in ons huis lag voor mijn tijd. Wat ik me nog wel heel goed kan herinneren is de aanschaf van een Betamax videorecorder. In Bilthoven was begin jaren ‘80 de eerste videotheek geopend, en in de weekenden mocht ik met mijn moeder mee om een videoband met een kinderfilm erop uit te zoeken. Heel erg spannend!

Wat speelgoed betreft (materialisme) ben ik allesbehalve tekort gekomen. Misschien zelfs wel enigszins verwend.. Als iets een rage was, dan had ik het ook (behalve Barbie, haar vond ik afschuwelijk. Ik was meer van de Playmobil). De Monchichi aapjes en My Little Pony, de eerste walkman en Atari spelcomputer, de jojo en de klik-klak en ook de BMX crossfiets ontbrak niet. Ben ik daar een gelukkiger kind van geworden? Natuurlijk niet. Als ik bij mijn grootouders in de Achterhoek ging logeren, was het enige dat meeging mijn knuffelbeer, meer speelgoed had ik niet nodig op de boerderij. Liever had ik meer warmte, geborgenheid en veiligheid gekregen. Dáár was ik een gelukkiger kind van geworden.

Wat kleding betreft ben ik wel opgevoed met de Zeeuwse zuinige inslag van mijn grootouders. Schoenen moesten goed en degelijk zijn, werden aan het einde van de winter nog eens extra gepoetst en netjes in de originele doos weggezet voor de volgende winterperiode. Toen ik na de basisschool naar het lyceum ging, kreeg ik mijn allereerste gympen. Peperdure Nike Air gympen, ik was de koning(in) te rijk! Daarvoor moest ik namelijk altijd (vanwege een afwijkende stand van mijn voet) altijd van die vreselijke poepkleurbruine Piedro of Bunny schoenen dragen! Op het Bilthovense Lyceum was het enorm belangrijk hoe je eruit zag, en of je wel de juiste merkkleding droeg.. De meeste meisjes in mijn klas droegen kleding van Oilily of Naf Naf. Vooral de overdaad aan bloemetjes van Oilily vond ik verschrikkelijk! Ik droeg liever iets van Cool Cat, dat we kochten in de stad (Utrecht) of een lekkere slobbertrui van het merk Privata (belachelijk duur). Eén van die T-shirts (lange mouwen) van Cool Cat ligt nog steeds in mijn kast. Hij is nu uitermate geschikt voor de landelijke Lelijke Truien-dag, dit jaar op 22 januari.

Die zuinigheid wat kleding betreft is mij dus met de paplepel ingegoten, en zo ook mijn eigen karakter ingeslopen. Als ik schoenen koop, let ik vooral op de duurzaamheid. In het verpleeghuis loop ik heel wat meters tijdens een dienst, dan zijn goede schoenen een must. De winterschoenen gaan na het seizoen nog altijd netjes gepoetst (op de ‘ouderwetse’ manier) onderin de kast, inderdaad bijna altijd in de originele doos. Ik heb een duidelijke scheiding tussen boven-, en onderkleding voor mijn werk en privé, anders is het zonde.. Ik heb allesbehalve een fan van kleding-winkelen in welke stad dan ook, en ben dan ook erg blij met de online mogelijkheid! Meestal wacht ik tot de grote sale begint zoals begin januari, anders vind ik iets al snel te duur. Als ik dan al besluit om tot aankoop over te gaan gaat daar meestal een aantal weken wikken en wegen aan vooraf.

Eén van mijn ooms was in de jaren ’70/ begin jaren ’80 werkzaam als vuilnisman. Toen lagen de vuilniszakken nog op vaste dagen op een hoop bij elkaar op de stoep. Vreemd uitziende zakken en losse dozen werden regelmatig losgetrokken en bekeken alvorens de kraakwagen in te gaan. Ongelooflijk wat mijn oom in de loop der jaren allemaal is tegengekomen! Mensen gooiden zonder schroom de mooiste dingen bij het oud vuil. Apparatuur waar nauwelijks, of zelfs helemaal niets, aan mankeerde. Als kind profiteerde ik daar ook van mee, naast het vele gratis speelgoed had ik bijvoorbeeld ook héél veel Robijn beertjes! Het Robijn waspoeder zat toen nog in grote kartonnen dozen die bij heel vaak bij het gewone huisvuil op straat stonden. Tijdens zo’n spaaractie scheurde mijn oom de zegels van de dozen en binnen een mum van tijd had ik dan vellen vol met zegels. De vele kleding (en schoenen) die toen werden weggegooid, soms met de kaartjes er nog aan, leverde een fantastische foto op. Mijn oom, de vuilnisman, in een peperdure bontjas achter op de vuilniswagen!

Kleding zomaar weggooien doe ik eerlijk gezegd zelden. Het gaat naar een tweedehands winkel, in de zak voor een goed doel of in een verzamelbak. Sowieso ben ik niet zo van het weggooien, ik kan met gepaste trots zeggen dat mijn voedselverspilling minimaal is. Meubels moeten duurzaam zijn, heb inmiddels ‘al’ tien jaar hetzelfde. Als ik al een accessoire in mijn huis zat ben, geef ik het liever weg dan het zomaar in de afvalbak te gooien. Niets mis met bepaalde tweedehands producten, zoals diezelfde accessoires of boeken. Mooi juist, een schilderij met een verhaal!

Inmiddels is iedereen nu meer in de ban van ‘ontspullen’ en Tiny Houses. Ik moet eerlijk zeggen, zo nu en dan ontspullen is zo gek nog niet. Ook ik heb een verzameling dingen en kleding waar ik eigenlijk niets of nauwelijks meer iets mee doe. Slechts herinneringen aan een andere tijd (zoals die lelijke Cool Cat trui). Zolang het bij enkele herinneringen blijft en niemand nog op het idee komt om mij eens op te gaan geven voor het tv-programma ‘Mijn Leven in Puin’ zal het wel door de beugel kunnen!

Ik beloof bij deze dat ik de volgende keer alle postelastieken netjes zal oprapen (heb ze op de terugweg vastgelegd en geadopteerd), al is het alleen maar zodat de stoep weer een beetje schoner is. En wie weet komen ze toch echt nog eens van pas.

img_20190111_133144_794

Zelhem, Slachtvisite.

November staat van oudsher bekend als de slachtmaand, hoewel het weer eigenlijk meer van invloed was als de maand zelf. Mensen ging slachten als het kouder werd want de voorraad vlees was bedoeld voor de winter, om het vlees goed te kunnen drogen, moest het huis bovendien flink warm worden gestookt. Helder weer was ook belangrijk, mist en nevel zorgden voor een te hoge luchtvochtigheid waardoor het vlees zou kunnen bederven. Tijdens mijn jeugd werd er door mijn grootouders allang niet meer aan huis geslacht. Er werd wel eigen vee geslacht en gegeten, het uitslachten en verder verwerken gebeurde elders. Ik ben, net als velen waarschijnlijk, grootgebracht met elke dag een goed stuk vlees op tafel.

Iedereen is weer welkom op de slachtvisite bij Museum Smedekinck, voor mij de eerste keer. Zoals vroeger gebruikelijk was begint het ook hier met een borrel, een glaasje vlierbessenjenever. Alhoewel ik hem zou kunnen gebruiken om mezelf moed in te drinken, sla ik hem toch maar af. Je kon er eigenlijk niet omheen, het gehalveerde varken aan het hankholt op de ladder. Sowieso niet te vermijden voor iedereen die van het toilet gebruik wilde maken, het gigantische beest hing pal naast de wc’s! Ik moet direct denken aan de anekdote van Anjo die zij op Facebook met mij deelde, over het varken dat op de deel aan de ladder hing: “Dan hing dat beest daar, onder een wit laken. En dan moest jij als kind natuurlijk prompt plassen, midden in de nacht en aardedonker. Ik vond het vreselijk eng, de andere dag stonden we natuurlijk vooraan. Of ik er nu wat van zei of niet; niet zeuren, onmiddellijk plassen en je bed weer in!”.

Het vetgemeste varken (92,75kg) werd trots getoond aan alle belangstellenden die komen ‘vetpriezen’. Ik vond vooral de anatomie en uitleg welk stuk vlees waar zit erg interessant. Een vader nam zijn drie jonge kinderen ook mee naar het varken, alle vier luisterden net als ik geboeid naar de uitleg. Mooi om te zien, mooi dat het te zien is bij Smedekinck. Het museum is de enige waar tijdens de slachtvisite niet alleen het varken aan het hankholt op de ladder hangt en je gerelateerde streekproducten kunt kopen, hier wordt juist ook een groot gedeelte van het proces daartussen in gedemonstreerd. Het uitslachten van de andere helft van het varken, en verwerken tot eindproduct gebeurde in de museumschuur door de aanwezige (gepensioneerde) slagers. Tegenwoordig wordt er gewerkt op werkbanken van kunststof omdat dit hygiënischer zou zijn. Tijdens een huisslachting werd er meestal een deur uit zijn hengels getild, sopje erover en klaar was de werkbank. Eén van de slagers vertelde me dat het houten hakblok eigenlijk veel schoner was. Zelf heb ik, toen ik in de horeca werkte, ook nog op een houten werkbank gewerkt. Elke dag moesten we hem grondig boenen met gekookt water en afwasmiddel, elke zaterdag met chloor.

De slagers laten ook hier zien waar welk stuk vlees vandaan komt, langzamerhand herkende ik de karbonades, speklappen en ribbetjes. De volwassen dochter van één van de slagers staat met een nostalgisch gevoel en brede glimlach aan de zijkant haar vader gade te slaan. Ze vertelt me dat ze vroeger in de slagerij altijd achter de streep moest blijven staan, vanwege de scherpe messen. Toen ze wat ouder was mocht ze helpen. Mijn grootouders gebruikten het vrieshuis met klein abattoir in Corle, naast de smederij van te Welle. Ik mocht nooit mee naar binnen tijdens het uitslachten en verwerken, des te interessanter is deze slachtvisite. Even verderop in de museumschuur staan in klederdracht gehulde dames verse worst te maken, worststoppen zoals dat officieel heet. Twee vrouwen gebruiken de handgehaktmolen met vulpijpje, de andere vrouw duwt met haar duim het vlees door een worsthoorntje. Een precies werkje, want luchtbellen zijn niet gewenst. De vrouwen gebruiken hiervoor de darmen van het varken, de dunne darm. Een bezoekster vertelde me dat ze vroeger altijd moest helpen met het schoonmaken van de darmen (desalniettemin vond ze het altijd een ontzettend gezellige tijd). Eerst moest het plukvet er voorzichtig vanaf worden gehaald, op de mestvaalt kneep je vervolgens de darmen leeg. Daarna moest deze ‘krange getrokken’ (binnenste buiten gekeerd) met warm water en met een lepel moest het darmslijm ervan af geschraapt worden. Tot slot nog even opblazen om op gaatjes te controleren, en stoppen maar. Eén varken is goed voor dertig meter darm. Ik denk dat de verse worst wel mijn favoriete stukje vlees was. En gezouten kinnebakspek (varkenswang) als broodbeleg, ik was er dol op! Inmiddels ben ik eigenlijk al jaren een vleesverminderaar.

In de museumschuur werd behalve gezaagd, gehakt, gesneden en gestopt ook gebakken. De dames in klederdracht bereidden bakbloedworst, balkenbrij, kaantjes en smaltappels. De kinderen konden achter in de schuur hun eigen verse sappige hamburger bakken die met heel veel smaak werd opgepeuzeld. Ik vroeg aan twee meisjes of ze het varken aan de ladder toevallig ook al hadden gezien? Moeder moest lachen en zei dat ze dat ná het eten van de hamburger gingen doen, verstandige volgorde waarschijnlijk. WEET WAT JE EET is tegenwoordig van groot belang voor de gemiddelde consument, daarentegen ben ik benieuwd hoeveel volwassenen en kinderen het slachten, uitslachten en verwerken tot eindproduct daadwerkelijk al eens hebben gezien?  Ik zou zeggen: de slachtvisite bij Museum Smedekinck is een prima veldexcursie voor jong en oud!

Als je meer wilt lezen over een traditionele huisslacht, volg de veilige link hieronder

https://www.vers-inspiratie.nl/historie-van-de-huisslacht/de-huisslachting

klomptgoed_601
92 kilo en 750 gram schoon aan de ladder tijdens de Slachtvisite bij Museum Smedekinck