Columns

Kasteel Slangenburg.

Sinds de veertiende eeuw was het kasteel in handen van een hele reeks kasteelheren uit het geslacht Van Baer (ruim tweeënhalve eeuw). De eerste vermelding hiervan was in het jaar 1354 (Maes Thomas Van Baer). De laatste bewoner uit die familie was generaal Frederik Johan Van Baer. Daarna is de Slangenburg vaak van eigenaar veranderd. Meestal door vererving, maar ook tweemaal door verkoop. De laatste verkoop vond plaats in 1895 toen de Duitse houthandelaar en grootindustrieel Arnold Passmann uit Duisburg (vestingstadje Ruhrort) het kasteel en aangrenzend landgoed kocht van de familie Van der Goltz. Eigenlijk alleen maar vanwege de hoeveelheid hout die er te kappen was. Bij het eerste bezoek aan zijn kasteel was hij echter meteen zo enorm verknocht aan het huis en de omgeving dat het de bestemming van buitenhuis kreeg. Na de oorlog werd Slangenburg als “vijandelijk vermogen” van de Passmann familie ontnomen en verbeurd verklaard. Het kasteel kwam onder beheer van het Nederlands Beheersinstituut voor vijandelijke en foute vermogens. Al snel gaven zij het landgoed in handen gaf van Staatsbosbeheer. Sinds de jaren vijftig is Rijksgebouwendienst verantwoordelijk voor het onderhoud van het kasteel en beheert Staatsbosbeheer het landgoed.

Frederik Johan Van Baer verloor zijn vrouw Dorothea Petronella na een ernstige ziekte toen ze pas anderhalf jaar getrouwd waren. Frederik is nooit hertrouwd en verrijkte de Slangenburg met schilderingen op muren en plafonds die hem constant herinnerden aan zijn geliefde vrouw. Daarbij werden de toepasselijke Romeinse/ Griekse mythologische voorstellingen toch wel iets aangepast: veel schilderingen bevatten elementen die te maken hebben met de liefde van Fredrik voor zijn vrouw of met het alleen achterblijven van hemzelf. Je zou hiermee kunnen zeggen dat kasteel Slangenburg wel iets weg heeft van Paleis Huis ten Bosch in Den Haag. In de Oranjezaal liet Amalia van Solms schilderingen en schilderijen aanbrengen om haar overleden man Frederik Hendrik van Oranje te eren. In kasteel Slangenburg deed Frederik Johan van Baer in deze zelfde eeuw dus iets soortgelijks.

Van Baer was behalve officier en kunstliefhebber ook een uitstekend landbouwkundig econoom. In die tijd lag het kasteel in een eenzame streek omgeven door heidevlaktes en vochtige bossen. Hij kocht van de stad Doetinchem een groot stuk van die heide. Dwars over het terrein legde hij een uitgebreid lanenstelsel aan (in de vorm van een trapezium) dat nog steeds in zijn originele vorm aanwezig is en daardoor uniek in Nederland en Europa. Een groot deel van de heide werd ontgonnen en bebost met eiken, beuken en dennen. In 1679 legde hij ook het park rondom het kasteel aan in de toen geliefde formele parkstijl. Hiervan is weinig bewaard gebleven. Frederik bouwde het kasteel zoals hij die erfde (die toen alleen bestond uit de westelijke toren met aangrenzend bouwwerk) uit tot het huidige kasteel in U-vorm. Toch zijn vooral in het kasteel zelf de sporen van Frederik nog zichtbaar. Zijn liefde voor de natuur en de landbouw zie je terug in de vele schilderijen en prachtige uitgesneden vruchten en akkerproducten in lambriseringen en houten lijsten.

Het kasteel wordt gebruikt als zelfstandig gastenhuis. Het enige dat voor publiek toegankelijk is, is de kapel van het klooster. Tenminste tot begin van dit jaar, want tijdelijk zijn er exclusieve rondleidingen door het kasteel. Dat wilde ik als Gastvrouw van het Landschap Gemeente Oost Gelre uiteraard niet missen! Dat het kasteel tegenwoordig de functie van luxe pension heeft (18 gastenkamers) is niet zomaar. Dat komt omdat het kasteel ooit het thuis was van de benedictijner orde. In 1945, na de confiscatie door de Nederlandse staat stond het klooster leeg, te huur. De monniken wilden zich ook graag vestigen in het oosten van Nederland. Zij konden het kasteel toen huren. Vanuit de Slangenburg hebben zij toen de nog steeds bestaande Sint Willibrordsabdij gebouwd, iets verderop gelegen. De benedictijnen hadden als regel dat een men passanten (pelgrims) een onderdak moest kunnen bieden. Dat is de reden dat er nu nog steeds geslapen kan worden in het kasteel. De rondleiding begint met een stukje historie (en een kop thee) in het koetshuis door de gids. Ik had me thuis alvast een beetje ingelezen. De rondleiding begint in het oudste gedeelte van het kasteel, de toren en drie aangrenzende vertrekken. Het was gelukkig heerlijk behaaglijk in de oude waterburcht. Iedere gids heeft zo zijn eigen favoriete verhaal, de onze kon zeer veel vertellen over de schilderingen op muren en plafonds. Welke mythen en sagen bij welke schildering horen. In de grote zaal bleek hij ook nog eens uitstekend piano te kunnen spelen. Al luisterend en bewonderend wandelden we ruim een uur door het kasteel. Het nieuwe gedeelte is duidelijk veel eenvoudiger als het oude oorspronkelijke deel. Dat maakte de rondleiding niet minder bijzonder! Ik vond het geweldig om nu eens de binnenkant van de kasteelmuren te kunnen bekijken, ik kan het iedereen van harte aanbevelen. Na de rondleiding stond er nog een drankje klaar in het gezellige koetshuis.

Meer foto’s onder Portfolio -Kasteel Slangenburg-

DSC_2645-2

Kern met Pit 2020.

Een idee dat al twee jaar ronddoolt in mijn hoofd, een idee om het straatbeeld van Lichtenvoorde meer kleur te geven. Samen met mediaplatform Trikker diende ik het project in bij Kern met Pit regio Gelderland, en eind 2019 kregen we te horen dat we definitief zijn geselecteerd! Dat betekent natuurlijk wel werk aan de winkel.

Hoe is dat idee voor de Trikker Tegel nou ontstaan? Hoe was onze startbijeenkomst en hoe luidde onze pitch? Hoe nu verder?! Lees er alles over op Trikker:

Kern met Pit 2020 – Trikker Tegel

DSC_2485-2

Vlasrokkendag.

Het verbouwen van vlas gebeurt al eeuwenlang in Nederland, het liefst op kleigrond. Van de 17e tot en met de 19e eeuw was er een levendige en belangrijke vlasindustrie in Zieuwent. Het dorp stond tot i de verre omstreken bekend om de goede kwaliteit van het vlas, “alleruitmuntendst vlas” zelfs volgens een boek uit 1840. Enkele boerderijnamen herinneren nog aan deze periode (Waevas, Pelleweaver, Vlasheuvel). Een van de Achterhoekse vlasspinners vertelde me dat er tegenwoordig eigenlijk alleen nog in Zeeuws-Vlaanderen vlas wordt verbouwd.

Zaterdag 11 januari 2020 vond de allereerste Achterhoekse Vlasrokkendag dan ook plaats in Zieuwent. De Oudheidkundige Verenigig Zuwent had de Achterhoekse Vlasspinners die dag uitgenodigd om in het Buurt-, en Clubhuis ’t Kevelder hun kennis en kunde op het gebied van vlas verbouwen, bewerken, spinnen en linnen weven te demonstreren aan belangstellenden. De spinners hadden verschillende soorten spinnewielen meegebracht, zo ook het Achterhoekse wiel. Zij hadden tevens hun linnencollectie meegenomen. Ook de Oudheidkundige Vereniging toonde linnen textiel uit hun eigen collectie zoals doekrollen en ondergoed, alles afkomstig uit Zieuwent.

In onze huidige maatschappij is er een groeiende belangstelling naar duurzame, eerlijke, biologische en klimaatneutrale kleding. Zo is er dus volgens de Achterhoekse vlasspinners ook een groeiende interesse in het werken met vlas en linnen. De katoenteelt behoort tot één van de meest water-verslindende gewassen (één kilo katoen kost ongeveer 8000 ltr water, waarvan 72% regenwater). De vlasteelt daarentegen verbruikt nog niet de helft van die hoeveelheid water en heeft ook veel minder bestrijdingsmiddelen nodig. Helaas is de kennis en kunde op dit gebied volgens de Achterhoekse vlasspinners nogal verspreid en ook moeilijk te achterhalen. Vandaar deze Vlasrokkendag in ’t Kevelder in samenwerking met de Oudheidkundige Vereniging Zuwent. Niet alleen een mooie manier om een prachtig stukje authentieke nijverheid te demonstreren, zeker ook om meer kennis naar boven te halen en deze veilig te stellen voor de toekomst. Missie geslaagd! Het was een druk bezochte eerste editie met belangstelling van verschillende regionale omroepen en dagbladen.

Vlas, wat is dat nou eigenlijk? Een stengelvezelplant vertelt één van de spinners mij, net als Hennep. Het gaat uiteindelijk om de vezelbundels. Deze zitten met pectine vast op de houtachtige binnenkant. Textielvlas wordt gezaaid rond de 100e dag in het nieuwe jaar (begin april), zo’n 2400 zaadjes per m². Na ongeveer 100 dagen vind de oogst plaats, als de onderste blaadjes geel worden. De plant wordt met wortel en al uit de grond getrokken, en na één à twee dagen drogen in bossen gebonden om na te rijpen en te bleken. Het vlas bloeit met witte of blauwe bloemen. Blauw bloeiend vlas heeft fijnere vezels en is daardoor zwakker van wit bloeiend vlas.

De eerste belangrijke bewerking noemt men ‘repelen’, het oplossen van de pectine. De vlasstengels worden door een grove kam gehaald die de zaadbollen van de stengels trekt. Soms gebruikt men ook een zware houten hamer om de zaadbollen mee kapot te slaan. De tweede belangrijke bewerking is het ‘roten’ van de stengels. De meest eenvoudige en goedkoopste manier is ‘dauwroten’. De vlasstengels werden dan enkele weken op het land uitgespreid. Onder invloed van dauw, regen en zon ontstaan er schimmels die de pectine oplossen en het vlas een mooie grijze kleur geven. Geel vlas ontstaat door te roten in stromend water. Na het roten moet het vlas weer drogen.

Voor de beste vezelkwaliteit werd het gerote en gedroogde vlas een paar maanden bewaard voor men het verder ging bewerken. Die bewerkingen bestonden bijvoorbeeld uit het ‘braken’ van de stengels (breken met een handbraak), het zwingelen van het vlas (de vlasbundel werd langs een plank gehangen en met een houten spaan werden de restjes stro eruit geslagen) en tot slot het hekelen (het uitkammen van de vezelbundels op steeds fijnere kammen).

Wat is nou die vlasrok?! Het is een bos vlasvezels die met een lang lint om een stok worden gebonden zodat ze niet in de war raken. Soms werden de vlasvezels ook aan een riem om het middel bevestigd. Aan de meeste spinnewielen hing een kopje met een mix van water en lijnzaad. Dit gebruiken de spinners om hun vingers nat te maken tijdens het spinnen, zo krijg je een gladde en sterke draad. Ik had wel eens ergens gelezen dat vlas tegen de klok in wordt gesponnen? De vlasvezels hebben een natuurlijk draaiing naar links, dus deze richting adviseert men bij het spinnen van vlas. Eén van de spinners vertelde me echter wat oude hemden te hebben onderzocht en deze bleken ‘gewoon’ rechtsom gesponnen.

Ik vond het een leerzame middag! Wat mij betreft voor herhaling vatbaar. Ik zou zeggen op naar de Farm & Countryfair!

 

DSC_2397
Vlasrokkendag in ’t Kevelder te Zieuwent.
DSC_2378
Alle stadia van het vlas verwerken zijn te zien.
DSC_2375
Prachtige structuren en materialen.
DSC_2370
Vlasrok met lint erom.
DSC_2413
Daar is ie dan, de vlasrok!
DSC_2396
Vlas dient nat gesponnen te worden.
DSC_2386
Doekrollen.
DSC_2380
Hekelen van het vlas.

 

Stille tocht.

Het thema van de kerstnachtviering 24 december in de Johanneskerk te Lichtenvoorde was ‘stilte’. Hoe belangrijk het kan zijn om soms even stil te staan, zowel figuurlijk als letterlijk. Stop met hollen, stop met stressen, stop met (over) schreeuwen. Zoek de stilte. Die stilte die zo heilzaam kan zijn.

Donderdag 19 januari scheen de zon volop. Een perfecte dag om de stilte op te zoeken. Per trein reisde ik naar Nijverdal. Daar op het station begon mijn wandeling over de Sallandse Heuvelrug naar treinstation Holten. Een kleine 17 km alleen met mijzelf. Ik kan daar intens van genieten, even weg van het dagelijks drukke bestaan. Een poosje geleden kocht ik een nieuwe lens voor mijn spiegelreflexcamera, een macro objectief. Mooi moment om deze te testen en mezelf uit te dagen anders te kijken naar de dingen om me heen.

Het eerste stukje liep ik door het nog verrassend grote centrum van Nijverdal. De naam van dit van oudsher fabrieksarbeidersdorp (textiel) is een samenvoeging van nijverheid en reggedal (rivier). Binnen 20 minuten wandelen stond ik aan de rand van Nationaal Park Sallandse Heuvelrug. Het hoogste punt is de 75 m Grote Koningsbelt. In totaal zijn er 13 heuvels. Net als de Utrechtse Heuvelrug is ook de Sallandse Heuvelrug een stuwwal. Ik had de route gedownload en op mijn Garmin wandelnavigatie gezet. Een briljante uitvinding voor mensen zoals ik! Ik ben een ramp in kaartlezen.. Het Pieterpad en Marskramerpad lopen ook door dit gebied. Op zo’n schitterende ‘zomer-in-december’ dag was ik dan ook zeker niet de enige wandelaar. Zo nu en dan kwam ik iemand tegen. Zelfs een man met Grolse Wanten!

In dit gebied vind je o.a. heel veel jeneverbesstruiken, perfect voor macrofotografie! Tijdens de wandeling kwam ik op twee schitterende uitzichtpunten over de heide en zandverstuivingen. In het zonnetje genoot ik van de vergezichten en mijn meegebrachte boterhammen. En dat op 19 december! In de buurt van Holten bevond ik me ineens op het Wereldtijdpad? Geweldig leuk! Deze route loopt van Rijsen naar Holten en vormt een soort tijdlijn van het jaar 0 tot nu. Ieder jaar heeft zijn eigen paaltje waar een kubusje aan vastzit die je kunt draaien. Er staan allerlei grappige weetjes op. Na een aantal paaltjes ben ik gestopt met lezen omdat mijn tempo er wel heel erg door achteruit ging. Vlak bij het station kwam ik langs twee wel heel bijzondere kunstwerken, Het Bos en De Beuk. Twee enorme gevaarten van hout en metaal met een uitzichtplateau achter een grote glazen ruit. Vond ik die oranje koeienbank bij een pittoresk bosrestaurantje toch leuker.

Hoe dan ook, het was een geweldig mooie wandeltocht. Tijd voor mezelf. Tijd om stil te staan en te genieten van de prachtige Nederlandse natuur. Wanneer je veel fotografeert leer je al snel om zo nu en dan vooral ook eens achterom te kijken. Dan zie je de dingen in een ander licht en ziet het er soms ineens heel anders uit. Vermoeid doch voldaan keerde ik huiswaarts. Op het station en in de trein was het al snel weer gedaan met de stilte die ik soms zo liefheb. In mijn hoofd was het echter een heel stuk rustiger. Daar galmde de stilte nog heerlijk na.

DSC_2219
Op de Sallandse Heuvelrug.
DSC_2254
Prachtige wandelpaden.
DSC_2286
Macro fotografie.
DSC_2272
Smalle paadjes in stilte.
DSC_2259
Jeneverbesstruik.
DSC_2244
Even de wereld voor mij alleen.
DSC_2341
Overdenking tijdens de kerstmis.

In ’t Harz van Duitsland.

Vorige week bracht ik een aantal dagen door in het dorp Quedlinburg aan de rand van het Nationaal Natuurpark Harz in Duitsland, van oudsher een belangrijk mijngebied. Een schitterend natuurgebied van zo’n 100 km lang. De breedte varieert tussen de 30 en 40 km. De bergen zijn van gemiddelde hoogte, met de Brocken als hoogste punt (1142m). Al in het jaar 968 schreef men over mijnbouw in de Harz. In het gebergte werd eerst voornamelijk zilver gewonnen. Later ook koper, zink en lood. Rond 1800 waren dit de diepste mijnen ter wereld, ruim 500 meter!

Tot en met 1989 was het Harzgebergte in tweeën gekliefd, het IJzeren gordijn liep dwars door de bossen en verdeelde dit schitterende stukje Duitsland in de DDR en BRD. De Brocken die op grondgebied van de DDR lag werd verboden gebied. Vanaf 1991 werd het IJzeren gordijn gesloopt. De grenscontroles werden het jaar daarvoor al gestopt op 1 juli 1990. In de Harz is rond de 100 km van de voormalige grens bewaard gebleven, te bewandelen als de Harzer Grenzweg. In de periode van de tweedeling was dit stuk natuur (ongeveer 500m breed) verboden gebied voor iedereen behalve de grenssoldaten. Zij reden patrouilles over aangebrachte betonplaten, de zogeheten ‘Kolonnenweg’. Omdat er verder niemand kwam die de rust en bodem verstoorde, groeiden er na verloop van tijd unieke planten en leven er nu al even bijzondere dieren.

Van dat onmenselijke IJzeren gordijn zijn alleen in het dorpje Sorge nog een paar meter blijven staan, als onderdeel van het Freiland-Grenzmuseum dat daar is gevestigd. Omdat het dorpje direct aan de grens tussen beide staten was het niet toegankelijk zonder een officiële ontheffing. Pas na de Duitse hereniging in 1993 kon iedereen het dorpje zonder toestemming vooraf bezoeken. Hoe klein het plaatsje ook is, al in 1224 werd er een eerste gieterij geopend. Het kleine museum dat in de herfst van 2009 werd geopend in het voormalig stationsgebouw was al gesloten vanwege de winterstop.

Niet ver daarvandaan vind je dus nog de originele prikkeldraadversperring met een stukje van de hondenpatrouillebaan. Na een poosje gewandeld te hebben over de Kolonnenweg doemde de oude originele wachttoren boven de bomen uit. Ook hier stonden nog enkele stukken overeind van het IJzeren gordijn, op een paar meter afstand van de wachttoren. Verscholen tussen de bomen zag ik de bekende zwart, rood en gele grenspaal staan. Het voelde best gek om zo in alle vrijheid over de 500m brede grensstrook te wandelen naar het hek en de grenspaal. In mijn achterhoofd de slachtoffers die probeerden te vluchten, gedood door een kogel of een landmijn. Bizar om hier te staan, in zo’n schitterend natuurgebied achter een hoog hek met prikkeldraad en de afschrikwekkende wachttoren. Kan ik me nu voorstellen hoe dat geweest moest zijn? Nee, dat denk ik niet. Ik kan tenslotte weglopen wanneer ik dat zelf wil, in iedere gewenste richting. Nog altijd vind ik het onbegrijpelijk hoe het kwam tot het plaatsen van het IJzeren gordijn en de Berlijnse muur zo kort na de Tweede Wereldoorlog. Had men daar dan echt niets van opgestoken? Opnieuw beroofde men onschuldige burgers van hun vrijheid, opnieuw vielen er vele dodelijke slachtoffers.

Over de hele wereld verschijnen er alleen maar meer grensbarrières. Elisabeth Vallet, onderzoeker aan de Universiteit van Quebec in Canada, telde er in 2016 vijfenzestig, verspreid over de hele wereld. En dan te bedenken dat zij de zwaarbewaakte zeestraten niet eens heeft meegeteld.

Meer foto’s in Portfolio – Harz-

DSC_1989

Razzia in Aalten.

30 januari 2019 was het 75 jaar geleden dat er in Aalten een razzia plaatsvond. Op zondag 30 januari 1944 werden de Westerkerk (Hogestraat) en  de Christelijk Gereformeerde kerk (Berkenhovestraat) overvallen. De Duitsers wilden de mannen arresteren (tussen 19-23 jaar) die de tewerkstelling ontdoken. Het is één van de grootste oorlogsdrama’s in de Achterhoek. Achtenveertig mannen werden opgepakt, waarna men hen eerst naar de Koepel in Arnhem bracht en later naar het doorgangskamp Amersfoort. Sommige mannen verbleven hier slechts enkele weken, anderen maanden achtereen. Het grootste gedeelte van de arrestanten werd tewerkgesteld, bij boeren vlak over de Duitse grens of in fabrieken in het Ruhrgebied. Na een poosje doken de meesten van hen opnieuw onder. Niet alle mannen hadden zoveel geluk, een aantal belandde in de concentratiekampen Neuengamme en Ravensbrück.

De Duitsers die de Aaltense kerken niet precies wisten te vinden, vroegen iemand op straat de weg vroegen naar de Oosterkerk. Deze persoon kreeg een angstig voorgevoel en stuurde de Duitse soldaten naar de kleinere Christelijk Gereformeerde kerk. Het aantal arrestanten hier viel ‘gelukkig’ mee, zes mannen werden opgepakt. Dhr. H.J. Papiermole heeft nog één van hen weten te redden. In een uniformjasje van de Luchtbeschermingsdienst hield hij de Duitse overvalwagen staande en bulderde luid: ‘Ausweisse sofort!’ De Duitsers gaven hem het stapeltje persoonsbewijzen en Papiermole pikte er één uit. Hij zei dat de bewuste man voor hem werkte en verbood de Duitsers hem af te voeren. Eenmaal in de achtertuin van dhr. Papiermole gaf hij de jongeman zijn persoonsbewijs terug en gebood hem zich onmiddellijk uit de voeten te maken.

De Westerkerk in Aalten zat die zondagmorgen op de 30e januari 1944 overvol. Dit had onder andere te maken met de voorganger die ochtend, Jan Ridderbos uit Kampen. Ridderbos was behalve predikant ook hoogleraar Oude Testament aan de Theologische Hogeschool in Kampen en werkte mee aan de Christelijke Encyclopedie, een voorname bekendheid binnen de Nederlandse geloofsgemeenschap. Veel Scheveningse evacuees die normaal thuisbleven, waren deze zondag ook mee naar de kerkdienst. Tom Visser die boven op de galerij zat, zag door de ramen dat de Duitsers de kerk omsingelden en waarschuwde de mensen. Er werd extra veel gezongen die ochtend, zoals de langste Psalm 119, zodat een grote groep mannen de kans kregen zich te verstoppen. Via de consistoriekamer en een luik op de galerij klommen zij naar zolder. De Duitsers verstoorden de kerkdienst niet, zij wachtten buiten totdat deze afgelopen was. Bij alle vier de uitgangen werd gepost, de kerkgangers mochten alleen door de hoofdingang vertrekken waar alle persoonsbewijzen werden gecontroleerd. Iedereen die geen papieren bij zich had en niet tot de ‘gezochten’ behoorde kon zichzelf vrijkopen door een boete van twee gulden te betalen. Mannen probeerden zich te verstoppen in de klokkentoren, op de orgelzolder en boven de consistorie. Het plafond bestond hier slechts uit gestuukt gaas, het gewicht van de mannen die naast de balken stapten was te veel en veroorzaakte een gat en scheuren in het plafond dat meteen gezien werd door de Duitsers. Zij haalden iedereen weer naar beneden en arresteerden velen van hen.

In die tijd verbleven er veel Scheveningse evacuees in Aalten, voornamelijk ouderen, vrouwen en kinderen. In december 1942 en januari 1943 werden zij door de Duitsers gedwongen hun huizen te verlaten voor de aanleg van de Atlantikwall. In totaal verbleven er zo’n 500 Scheveningse evacuees bij Aaltense gastgezinnen.  Eén van hen, Barendina Visser werd met haar drie kinderen ondergebracht bij de familie Hoopman in het buurtschap Dale en was ook aanwezig bij de razzia. Gerrit Hoopman, één van de drie zonen van het gastgezin kon aan de razzia ontsnappen dankzij Barendina. De Scheveningse vrouw die altijd haar klederdracht aanhad, gaf Gerrit haar hoofdijzer, schoudermantel en rok. Vermomd als Scheveningse wist hij de kerk te ontvluchten. Simon Visser, destijds 10 jaar oud weet het nog goed, vooral de opvallende witte sportsokken van Gerrit die onder de rok van zijn moeder uitkwamen! Hij vertelt erover in de door Linda Brummelman gemaakte documentaire ‘Door het ijzer gespaard’ die in 2014 tijdens de 70-jarige herdenking werd uitgezonden. Ook Cor Buijs had geluk. Hij zat ondergedoken in Lintelo en ging naar de kerk om illegale verzetskranten van Trouw te verspreiden. Een Scheveningse was bereid deze onder haar mantel en rokken te verbergen om ze zo de kerk uit te smokkelen. Als de Duitsers dit hadden ontdekt, was het leed niet te overzien geweest! De werkelijke naam van Cor Buijs was namelijk typerend Joods: Moshe Boas Berg.

Alle gearresteerde mannen werden naar de consistorie in de Westerkerk gebracht. Ter bemoediging las dominee Gerritsma Psalm 121 voor. Deze psalm heeft vele van de mannen hun leven lang troost geboden. Voordat de mannen werden overgebracht naar Arnhem zagen verschillende mensen kans om de gevangenen nog wat te overhandigen. Spulletjes als een stukje zeep, een klein geschreven briefje of een bijbeltje. Soms ook wat te eten, zoals een plak roggebrood of een paar boterhammen. Vijf van hen hebben de oorlog niet overleefd. De mannen die wel terugkeerden waren voor het leven getekend. Zo ook Gerrit Hendrik Nobel, organist in de Westerkerk tijdens die verschrikkelijke ochtend. Zijn zoon Erik was aanwezig bij de herdenkingsdienst en vertelde dat hij veel heeft meegekregen van de diepe littekens die het bij zijn vader heeft achtergelaten. De kinderen kregen het met de paplepel ingegoten: alles wat Duits is, is slecht! De oorlog was nooit ver weg, die invloed draagt Erik de rest van zijn leven mee. Want ook was de oorlog afgelopen, voor zijn vader hield hij nimmer op.

Het Nationaal Onderduikmuseum begon enkele jaren geleden met het achterhalen van de namen van de destijds gearresteerde mannen. Aan de hand van diverse oproepen hebben zij van 42 mannen gegevens weten te achterhalen. Het onderzoek leverde veel persoonlijke verhalen op, en diverse mensen schonken oude bewaarde dagboeken, notities en andere documentatie aan het museum. Zes september 2019 werd er een expositie geopend waarin er aandacht is voor die voorwerpen en verhalen. Men vind het belangrijk om ook de link naar het heden onder de aandacht te brengen. Vrede is voor ons net zo vanzelfsprekend geworden als snel internet. Maar vrede vraagt om onderhoud, discriminatie is opnieuw in opkomst. Het kwetsen van mensen wordt gedoogd onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’. Vrijheid is niet vanzelfsprekend. In deze herdenkingsdienst werd stilgestaan bij hen die geen keuze hadden zoals wij. Nog altijd zijn er over de hele wereld velen die geen keuze hebben, die worden onderdrukt en opgejaagd.

Anja Tolkamp klom op de ochtend van de herdenkingsdienst, voor de eerste keer via een steile ladder naar de zolder van de Westerkerk. Haar vader, Jan Tolkamp, was één van de 42 mannen die zich daar hadden verstopt. Hij belandde in een concentratiekamp, waar hij wist te overleven. Anja groeide op in Aalten, zij heeft altijd geweten wat haar vader meemaakte, erover vertellen deed hij echter zelden. Op verzoek van zijn kleindochters schreef hij in 2005 zijn verhalen op papier. In 2009 ontmoette Jan Marijke van Dijk tijdens één van haar exposities (Een diepe voor in de aarde). Jan vroeg Marijke of zij wellicht iets kon met zijn verhaal. Vele intensieve gesprekken volgde, Jan en Marijke ontwikkelden een unieke vriendschap. De memoires van Jan zijn door Marijke verwerkt in het boek ‘Over Leven’. Zijn fragmenten en haar afbeeldingen zijn samengebracht in zes handgedrukte en –gebonden edities, waarvan 4 in bezit van de familie Tolkamp.  Eén exemplaar ligt permanent tentoongesteld in het herdenkingscentrum Nationaal Monument Kamp Amersfoort, en het zesde exemplaar is beschikbaar voor exposities.

In de Oosterkerk bevind zich een prachtig gedenkraam, maar liefst acht meter hoog. Het werd geschonken door de overlevenden ter nagedachtenis aan de hulp die de Aaltense inwoners boden aan kinderen, joden, onderduikers, evacuees en mensen die honger leden. Ontwerper Marius Richters heeft in het glas-in-loodraam verschillende dingen uitgebeeld. Centraal staan een boer en boerin, omgeven door hongerende kinderen en een onderduiker. Aan beide kanten zijn marcherende Duitse soldaten afgebeeld. Links onderin staan vrouwen en kinderen om hulp en voedsel te bedelen, aan de rechterkant keren zij bevoorraad huiswaarts. De metselaar en ploegende boer bovenin staan symbool voor de wederopbouw. In 1946, op 13 juli, werd het raam onthuld.

Van 6 september 2019 t/m 23 februari 2020 kun je de expositie over deze razzia bezichtigen in het Nationaal Onderduikmuseum.
DSC_2281
Gedenkraam in de Oosterkerk -Memorial window in the Oosterkerk of Aalten

Buffelboerderij Arns

Na het bezoeken van een geiten-, schapen-, en koeienboerderij in verband met de Week van de Achterhoekse en Liemerse kazen georganiseerd door Slow Food Achterhoek ging ik zaterdagmiddag een kijkje nemen bij de boerderij van Anita Arns in Zevenaar waar zo’n 300 waterbuffels worden gehouden. Ik kende het dier alleen uit natuurfilms, dat wil zeggen de wilde waterbuffel die voornamelijk in Azië voorkomt. In safaripark de Beekse Bergen vind je de Kaapse Buffel, één van de Big Five en ook één van de gevaarlijkste dieren van Afrika. De huisdierwaterbuffels in Zevenaar zijn zo gefokt dat hun eigenschappen zijn aangepast op een leven in dienst en de nabijheid van mensen.

In 2003 kocht familie Arns de eerste 53 waterbuffels. Hiervoor hadden zij een melkveebedrijf. Inmiddels is de kudde van Waterbuffelboerderij Arns zevenaar gegroeid tot zo’n 300 waterbuffels waarvan er 180 melkgevend zijn, goed voor 1800 liter melk. De waterbuffels worden twee keer per dag gemolken. Net als schapen zijn ook waterbuffels lastiger te melken. Ook zij houden hun melk soms op en moeten de uiers eerst een beetje opgeklopt worden. Op het erf ging ik natuurlijk een kijkje nemen bij de stro-potstal waar een nieuwsgierige waterbuffel mij al stond op te wachten. Wat een imposant dier! De meesten lagen heerlijk rustig in het stro. Bijna allemaal hadden ze ook een laagje stro op hun rug? Het blijkt dat de dieren een erg gevoelige huid hebben die nagenoeg kaal is of bedekt met maar een dun laagje haar. Een laagje modder of stro geeft het dier een beschermend en daardoor rustgevend gevoel. In de stal wordt daarom tweemaal daags (na het melken) van bovenaf vers stro gestrooid. De hoorns van de waterbuffel groeien hun hele leven door. Hoe meer deukjes in de hoorn, hoe ouder ze zijn.

In de buffelshop vertelde Anita Arns mij meer over de producten die zij verkoopt, waaronder natuurlijk de geliefde mozzarella kaas. Er wordt ook feta van buffelmelk verkocht: buffaletta. Behalve kaas verkoopt Anita ook buffelboter, vanille-, en chocoladevla met buffelmelk, yoghurt en natuurlijk verse buffelmelk. Met name de laatste twee producten zijn erg geliefd bij mensen met Turkse roots. Buffelmelk heeft namelijk een heel hoog vetpercentage waardoor het erg lijkt op Turkse yoghurt (8% vet waar koemelk meestal rond de 4% vet bevat). Terwijl ik in het winkeltje rondkeek was het inderdaad een komen en gaan van klanten die een meegebrachte jerrycan met buffelmelk lieten vullen! De zuivel wordt verwerkt in de kaasmakerij van Anita’s zwager die 1 boerderij verder woont. Behalve de zuivelproducten worden er in de boerderijwinkel ook vleesproducten van eigen waterbuffels verkocht. Wat na het slachten niet direct vers wordt verkocht wordt ingevroren. Pas als dat grotendeels is verkocht wordt er weer geslacht. Arns beschikt over een eigen ruimte om het vlees te verwerken. Over de bedrijfsvoering vertelde Anita mij dat zij “niet bio is maar wel ‘logisch’”. De dieren krijgen hier geen standaard medicijnen vanaf hun geboorte. Als ze ziek zijn en daarvoor een kuurtje nodig hebben, dan doet Arns dat net zoals je zelf en ieder ander met zijn huisdieren zou doen. In de boerderijwinkel worden ook streekproducten en verse groenten van collega boeren verkocht en je vind er zelfs een apart winkeltje in de winkel! Namelijk Tante Yo Personal Dogtraining & Dogfood. Hier worden o.a. zelfgemaakte snacks van buffelvlees verkocht en ook buffelbotten. Op deze manier wordt dus echt de hele waterbuffel benut.

Ik vond het een weer een prachtig bezoek! Thuis heb ik werkelijk gesmuld van de vanillevla. Het deed me meteen denken aan de dikke romige vla die mijn oma op de boerderij ook zelf maakte.

DSC_1118
De Buffels in de stro-potstal.
DSC_1199
Jao jao, ook de buffels weten alles van de AVG!
DSC_1160
De buffelkalfjes.