Columns

𝙑𝙖𝙣 𝙙𝙚 𝙗𝙖𝙖𝙣.

Het Coronavirus is ondertussen ook mijn agenda binnengeslopen. De voorstelling ‘Februari’ van toneelgroep ’t Buurtschap uit Sinderen waar ik morgenavond naartoe zou gaan is definitief afgelast. Ik was erg benieuwd naar de productie over de Februaristaking van 1941 te Amsterdam. De Amsterdamse arbeiders kwamen in opstand tegen de Duitse bezetter en de beginnende Jodenvervolging in Nederland. In aanloop naar de viering van 75 jaar vrijheid leek me dit een bijzonder avondje uit.

De Nederlandse overheid adviseert om alle evenementen met meer dan 100 bezoekers in heel ons land af te blazen. Ook musea, theaters en sportclubs krijgen het advies om de deuren de komende weken te sluiten. Volgende week stond er een avondje in Theater de Storm in mijn agenda, de tweede voorstelling van Hendrik Groen. Afgelast, wellicht wordt de toneelvoorstelling verschoven naar mei of juni. Ik merk dat ik ondanks mijn begrip voor de maatregelen (de agressiviteit van een griepvirus kan veranderen/ toenemen) ondertussen wel een beetje ‘Coronavirusnieuws-moe’ begin te worden.

In de 20e eeuw werd de wereldbevolking al vijf keer eerder getroffen door een pandemie. De Spaanse griep (1918-1920) eiste de meeste slachtoffers, 20 tot 100 miljoen doden. In 1957 trof de Aziatische griep de wereld, elf jaar later in 1968 brak de Hongkong griep uit. Aan het aantal dodelijke slachtoffers is te zien dat de deskundigheid binnen de gezondheidszorg door de jaren heen enorm is gegroeid. De Mexicaanse griep en de uitbraak van het SARS virus herinner ik mij nog goed. In Nederland overleden 60 mensen aan de Mexicaanse griep, terwijl bij een ‘gewone’ Nederlandse seizoensgriep jaarlijks tussen de 250 en de 2000 mensen overlijden!

Ik kan me niet herinneren dat er eerder zulke drastische maatregelen werden genomen? De run op mondkapjes de afgelopen weken was bizar! En dan te bedenken dat het nutteloos is bij bescherming tegen Corona. Voor wie ze toch nog in wil slaan: lang leve Marktplaats. Ik blijf er vrij nuchter onder merk ik. Dankzij mijn werk in het verpleeghuis ben ik sowieso altijd al alert op hygiëne, daar is het heel normaal geworden om de hele dag je handen te wassen en desinfecteren. Al vind ik dat we ook daar soms een beetje doorslaan. Aan de andere kant stap ik zelf ook graag dagelijks onder de douche, gebruik ik bodylotion, deodorant en lekkere geurtjes. Vrij van parabenen, dat dan weer wel.

Gelukkig heb ik mijn handen vanaf volgende week vol aan klussen. Begin april stond er een midweek naar de Ardennen gepland, die heb ik gelukkig kunnen annuleren toen de verhuizing in beeld kwam. Voor bijzondere foto’s zou ik die week eigenlijk naar Rome af moeten reizen! Lege straten en pleinen, geen lange wachtrijen voor de musea. Triest natuurlijk voor iedereen die zijn inkomen genereert uit het toerisme. Als ik daarentegen de beelden zie van ontelbare Syriërs die Idlib ontvluchten in de hoop te overleven, vind ik dat vele malen schrijnender.

Het Coronavirus zal nog lang ons leven en het journaal bepalen vrees ik. De economische en sociale gevolgen van zo’n wereldwijde epidemie zijn desastreus. Een wereld zonder pandemieën? Een mooie fantasie, onmogelijk volgens de evolutietheorie van Charles Darwin.

𝑯𝒆𝒕 𝒊𝒔 𝒘𝒆𝒆𝒓 𝒃𝒂𝒍.

Rebellen en dwarsdenkers, het thema van de 85e Boekenweek in 2020. Het doet me denken aan een boek uit mijn jeugd dat ik meerdere keren las: Doldwazen en Druiloren door Ulf Stark (1984). Bekroond met de zilveren griffel in 1986. Simone, een stil meisje met weinig zelfvertrouwen, verhuisd naar een nieuwe stad. Vanwege haar korte haren en jongensachtige kleding ziet de nieuwe juf haar aan voor ‘Simon’. Simone besluit het zo te laten, gaat voortaan met een prop watten in haar onderbroek naar school en beland in ongemakkelijke en ook hilarische situaties. Het boek past prima bij het thema van deze Boekenweek. Sommige boeken zijn nu eenmaal tijdloos.

Zo lang ik mij kan herinneren waren er boeken en tijdschriften in mijn leven. Iedere avond las mijn moeder mij voor, al voor mijn eerste verjaardag begon ze hiermee. Op mijn kamer stond de lange boekenplank vol kinderboeken. Series als ‘Tup en Joep’ en Oki en Doki’. In 1957 verscheen de titel ‘Oki en Doki bij de Nikkers’, dat in 1971 veranderde in ‘Oki en Doki bij de negers’. In 1982 onderging de titel opnieuw een verandering: ‘Oki en Doki op het eiland’. Een discussie van destijds die ook nu steeds vaker in alle hevigheid lijkt terug te komen. Mijn meeste favoriete serie was toch wel ‘De Kameleon’, spannende avonturen op het Friese platteland. Mijn lievelingsboek kwam uit de pen van Johannes Mario Simmel, “Een Autobus zo groot als de hele wereld’. Wellicht dat ik daarom meteen weg was van het schilderij met de autobus van Evelien Hengeveld. Een dwarsdenker om te bewonderen!

Op school oefenden we klassikaal met lezen. Om beurten moest er worden voorgelezen. Ik wist nooit waar we gebleven waren. De eerste paar keer ging men uit van onoplettendheid. Gelukkig ontdekte de juf al snel dat ik in mijn eigen tempo las, en het boekje al bijna uit had. Vanaf toen kreeg ik moeilijkere boeken aangereikt en mocht ik voorlezen uit ‘eigen werk’. Hoe fantastisch toen we een meester kregen die graag voorlas uit de boeken van Jan Terlouw! Het met een Gouden Griffel bekroonde Koning van Katoren (1971) is al een even tijdloos boek als eerdergenoemde. De zeven opdrachten die Stach moet uitvoeren staan eigenlijk centraal voor allerlei maatschappelijke problemen zoals milieuvervuiling, wapens en strijd tussen religies.

Het thema doet me ook meteen denken aan Maarten ’t Hart. Over een dwarsdenker gesproken! Het Boekenbal van 1991 werd er één om nooit te vergeten omdat Maarten ‘uit de kast kwam’ als Maartje. Na een aantal publieke travestie optredens verdween Maartje voorgoed van het toneel. Hoe dan ook, Maarten had openlijk een groot taboe doorbroken. Het eerste Boekenbal vond plaats in 1947, in het Koninklijk Concertgebouw. Ondertussen is het traditionele openingsbal op de vooravond van de Boekenweek een prestigieus feestje geworden dat veel media-aandacht trekt.

Lezen is nog steeds onlosmakelijk aan mijn leven verbonden. Wat dat betreft ben ik meer de dromerige dwarsdenker die veilig vanuit mijn eigen huis afreist naar andere vreemde werelden. Mijn voorkeur gaat uit naar de wat onbekendere literaire werken zoals het fantastische boek ‘De Duivenhoudsters’ van Alice Hoffman. Het historische verhaal voerde mij mee naar het jaar 70 na Christus, de belegering van Masada. Het vertelt het verhaal van vier vrouwen, vier dwarsdenkers en rebellen. Weer wat geleerd over de geschiedenis, zoals vroeger met de boeken van Thea Beckman.

Schrijven is wellicht nog meer aanwezig dan lezen in mijn leven. Gestaag vordert het manuscript over mijn eigen jeugd. Waarin ik rebelleerde om te vergeten… Waarvan ik nu weet dat ik het nooit zal vergeten. De pen is nu mijn wapen tegen het verleden. Wie weet wordt het ooit nog eens uitgebracht bezorgd het me een toegangskaartje tot dat prominente Boekenbal!

Maartje
Maartje ’t Hart, Boekenbal 1991.

Over oude Hessenwegen.

Vrijdag 21 februari was de eerste bijeenkomst in 2020 van Stichting Achterhoek weer Mooi. Op het programma stond een bezoek aan Hanzestad Doesburg. Zo’n dertig deelnemers, waaronder ikzelf, verzamelden zich bij De Roode Tooren. Het museum, dat sinds eind jaren ’70 is gevestigd in het voormalig politiebureau van Doesburg, heeft naast de permanente tentoonstellingen ook wisselende exposities. De huidige expositie ‘Hessenwegen en Kiepkerels in de Achterhoek’ is voor Stichting Achterhoek weer Mooi (kortweg StAM) met name interessant vanwege de oude hessenwegen/ handelspaden die her en der nog in het Achterhoekse landschap te vinden zijn.

Hessenwegen in Nederland zijn wegen die werden gebruikt van eind 17e eeuw tot begin 19e eeuw door Duitse handelaren. Van oorsprong kwamen zij hoofdzakelijk uit het Duitse Hessen en trokken zij via de Achterhoekse streek naar het westen, veelal naar Amsterdam. Al snel werden handelaren uit andere Duitse regio’s, vanwege hun taal en beroep, ook Hessen genoemd. De IJssel vormde voor de voerlieden (handelaren) een barrière. Alleen bij Zwolle, Deventer, Zutphen, Doesburg of Arnhem konden zij de rivier oversteken. De meest gebruikte route (oudste, gemakkelijkste en veiligste) liep via Zwolle. Toen in 1643 de schipbrug bij Doesburg in gebruik werd genomen, was dat voor veel voerlieden een reden om hun route te verleggen en hier de rivier over te steken. Dat het al snel één van de belangrijkste Hessenroutes in ons land werd, kan worden vastgesteld aan de hand van snel stijgende opbrengsten van tol-, en bruggelden.

Doordat sommige Hessenwegen (zandwegen) veel gebruikt werden, ontstonden er soms diepe sporen op de route. Meestal losten de voerlieden dat op door naast het bestaande spoor een nieuw spoor te gaan maken (er bestonden toen nog geen standaard as-breedten voor de karren). In sommige gebieden hadden de Hessenwegen dan ook een breedte van een paar honderd meter! De Hessenkerels waren in de Achterhoek legendarische figuren. Een aantal gezegden herinneren hier nog aan zoals: hi-j vret as ’n Hesse! In de Achterhoek vind je ook nog vele herbergen die met het Hessenverkeer verbonden waren, zoals Het Wapen van Heeckeren in Hummelo. Niet alle Duitse handelaren trokken door naar Amsterdam. Sommigen trokken rond langs de dorpen en afgelegen boerderijen met een grote korf (kiep) op hun rug om hun koopwaar te verhandelen. Zo kregen deze marskramers al snel de bijnaam ‘kiepkearl’. Deze kiepkearls gebruikten meestal een netwerk van bestaande voetpaden (kerkepaden/ lijkwegen) in plaats van de voor hen moeilijk begaanbare Hessenwegen. Het Doesburgsepad (tussen Hummelo en Drempt) was zo’n handelspad.

Na het bezoek aan de expositie bij het museum kregen we een rondleiding door de Martinikerk in Doesburg. De kerk, gewijd aan Sint Maarten, werd in 1235 gebouwd als Romaanse kerk. De kerk en toren werden in de loop der jaren door vele rampen getroffen. Op verschillende panelen in de Martinikerk wordt deze hele geschiedenis weergegeven. In 2015 werd de kerk opnieuw ingericht voor multifunctioneel gebruik, zo vind je nu achter in de kerk een keuken, toiletten en een winkeltje. Een prima plek dus voor STaM om de laatste stand van zaken betreffende de landschapsmonumenten te bespreken. Van iedere deelnemer wordt namelijk gevraagd een door hem of haar gekozen landschapsmonument in eigen omgeving te gaan onderzoeken en beschrijven.

Eén van de deelnemers, Bernard Berendsen, vertelde vandaag wat meer over zijn modelbeschrijving van een landschapsmonument. Het Brook is een stuk bos in buurtschap het Woold in de gemeente Winterswijk. Het bosperceel is onderdeel van Scholtengoed Het Roerdink. Oude historische kaarten geven een goed beeld van de grens en de landweren. Zo ontdekte Bernard dat op sommige plekken de aarden wal wel twee meter hoog was. Op de Algemene Hoogtekaart Nederland was de oude gracht van Het Roerdink nog te zien. In de brochure ‘Winterswijk: een nieuwe kijk op oude bossen’ vond Bernard informatie over de verschillende boomsoorten in het stukje monumentale bos. Bernard is nu ongeveer halverwege de modelbeschrijving van Het Brook. De volgende stap is in gesprek gaan met verschillende eigenaren.

Tot slot kregen we nog een boeiende presentatie van Davy Kastelein (archeoloog voor de gemeente Zutphen en de regio Achterhoek) over de Gasthuiskerk in Doesburg. De protestantse kerk werd gebouwd in de 14e eeuw, waarschijnlijk als ziekenzaal. Van oorsprong was het kerkje namelijk een gasthuis met kapel. In 1354 werd de eerste priester aangesteld en in 1402 kwam het eerste altaar waardoor het gebouw een specifieke kerkfunctie kreeg. Davy deed met zijn team verschillende opgravingen in en rondom de kerk. Langs de buitenmuur vond men vele skeletten. Nader onderzoek liet zien dat bijvoorbeeld één van hen een soldaat moest zijn geweest (vele verwondingen aan schedel en lichaam). Twee bijzondere skeletvondsten zijn permanent te zien in het museum De Roode Tooren. De meest bijzondere vondst was wel een zilveren penning uit Lund (nu Zweden, toen Denemarken). De munt werd geslagen tussen 1286 en 1319 onder koning Erik Menved, en vrij zeldzaam (er zijn enkele vondsten bekend in Zutphen en Kampen). Het toont de vroege handelscontacten aan van Doesburgse handelaren met Denemarken. Daar hadden we natuurlijk al van alles over gezien bij de expositie.

Het was weer een waardevolle en leerzame middag door Stichting Achterhoek weer Mooi! Ik weet in ieder geval alweer veel meer over die mooie Hanzestad Doesburg. Het museum De Roode Tooren is gratis toegankelijk en de expositie is zeker een bezoekje waard.

roodetooren
Expositie over Hessenwegen en Kiepkearls in museum De Roode Tooren.
Martinikerk
Rondleiding door de Martinikerk te Doesburg.

Design door andere ogen.

Donderdag 30 januari had ik een plekje gereserveerd voor de veelbesproken tentoonstelling in het Design Museum Den Bosch. De tentoonstelling ‘Design van het Derde Rijk’. Het museum exposeert allerhande design en kijkt daarbij verder dan het ontwerp. Welke invloed had en heeft het op ons dagelijks leven? De nazi’s waren meesters in het gebruik van design om hun doel te bereiken en massa’s mensen geloofden daarin. De museumdirecteur sprak de woorden: “Als je volmondig ‘dit nooit weer’ wilt kunnen zeggen, moet je de moeite nemen te onderzoeken hoe de processen van beïnvloeding destijds werkten. Dat is wat deze tentoonstelling doet.” Iets wat mij nog altijd verbaasd, hoe kon Hitler zoveel zieltjes winnen? Daarom wilde ik de tentoonstelling met eigen ogen bekijken.

Thuis had ik me al een beetje ingelezen, de zaalteksten staan namelijk ook op de website. Ieder ticket heeft een vaste starttijd. Zo kan het aantal bezoekers ineens gereguleerd worden en kan de aanwezige bewaking (verassend veel) zich concentreren op het alom geldende fotoverbod. Geen selfies met de nazivlag. Wat me direct opviel bij binnenkomst is de afwezigheid van kleur, grijs en wit zijn overheersend. De tentoonstelling begon met een korte film in een aparte zaal. Het aanwezige publiek was zeer divers. Tieners en pubers, vrouwen met hoofddoek en enkele ouderen die zich moeizaam voortbewogen met rollator (hoogstwaarschijnlijk de naziperiode heel bewust meegemaakt).

In de tentoonstellingsruimten was een passende ingetogen sfeer. Geen muziek of video’s. Ook hier weinig kleur, het weinige wat aan de muren hing spatte er beslist niet vanaf. Ook de bezoekers liepen allemaal heel bescheiden rond, bijna in stilte. Wat mij vooral opviel in de ontwerpen is dat de nazi’s enorm veel gekopieerd hebben van de klassieke vormgeving als machtsvertoon en dit net even anders toepasten als symbool voor het Derde Rijk. Hoe treurig dat de swastika (het hakenkruis) in de Romeinse oudheid en het Hindoeïsme juist symbool stond voor levenskracht en geluk. Het aantal tijdschriften was enorm, voor iedere doelgroep werd er een gemaakt. Mannen en vaders, vrouwen en moeders, jongens en meisjes, soldaten en buitenlandse bezoekers. Het beleid hierachter was dat iedereen op een specifieke manier moest worden aangesproken, zelfs met eigen lettertypen. Een sterk staaltje nieuwe techniek destijds was de ‘volksempfänger’ (radio) waarmee alleen Duitse zenders beluisterd konden worden, met wederom voor iedere doelgroep een programma. Mensen konden door middel van spaarzegels voor hun eigen Kdf-wagen (kraft durch freude, voorloper VW Kever) sparen. Geen van hen zou ooit een auto ontvangen. Kort nadat het Duitse leger in september 1939 Polen binnenviel, schakelde de Volkswagenfabriek over op militaire productie met een flink startkapitaal in de pocket. Niets was aan het toeval overgelaten. Het concept voor de auto werd overigens afgekeken van de joodse ingenieur Josef Ganz. Terwijl Hitler aan Porsche een mythische status toebedeelde, werd Ganz door de nazi’s uit de geschiedenis gewist.

De Duitse bevolking destijds was gefrustreerd en vooral bang voor het opkomende communisme. Daar werd handig op in gespeeld met de zogeheten ‘Blut und Boden-vormgeving’, romantiseren van oude tijden in de negentiende eeuw. Niemand kende eigenlijk het volledige partijprogramma van de NSDAP, het vleugje hoop en de beloftes waren al genoeg. Dat brengt het ineens wel akelig dichtbij. Ik durf te wedden dat dit heel vaak het geval is bij aanhangers van extreem rechtse partijen? Ook nu heerst er regelmatig grote ontevredenheid, de boosheid en verwensingen op social media zijn geen uitzondering meer. Wat dat betreft zou het in onze westerse wereld zo weer kunnen gebeuren…

Zouden de nazi’s ook zo succesvol zijn geweest zonder het zorgvuldig uitgedachte design? Mag je een ontwerp mooi vinden, het ontwerp zelf is immers niet schuldig? Als we aan design denken, denken we aan iets moois. Iets moois is goed, toch? Vormgeving beïnvloed ons denken. Design kan ook gevaarlijk zijn. Het kan verleiden om over te gaan tot het kwaad, soms zonder dat je het in de gaten hebt. Dat is het doel van deze tentoonstelling aldus het Design Museum: het publiek laten zien en begrijpen welke rol vormgeving speelde in het Derde Rijk. Zodat we er hopelijk voor de toekomst van kunnen leren.

Ik vond het een interessante tentoonstelling. Opvallend om te zien hoe ‘oud design’ dat eens mooi werd gevonden eenvoudig door de nazi’s werd gekopieerd. Net even anders vormgegeven werd het door hen hergebruikt. Design dat daarna nooit meer als ‘mooi’ zou worden beschouwd.

Meer over de tentoonstelling:

Design van het Derde Rijk

Project Autobahn, vijf gigantische foto's.
Foto: Design Museum Den Bosch.

Kasteel Slangenburg.

Sinds de veertiende eeuw was het kasteel in handen van een hele reeks kasteelheren uit het geslacht Van Baer (ruim tweeënhalve eeuw). De eerste vermelding hiervan was in het jaar 1354 (Maes Thomas Van Baer). De laatste bewoner uit die familie was generaal Frederik Johan Van Baer. Daarna is de Slangenburg vaak van eigenaar veranderd. Meestal door vererving, maar ook tweemaal door verkoop. De laatste verkoop vond plaats in 1895 toen de Duitse houthandelaar en grootindustrieel Arnold Passmann uit Duisburg (vestingstadje Ruhrort) het kasteel en aangrenzend landgoed kocht van de familie Van der Goltz. Eigenlijk alleen maar vanwege de hoeveelheid hout die er te kappen was. Bij het eerste bezoek aan zijn kasteel was hij echter meteen zo enorm verknocht aan het huis en de omgeving dat het de bestemming van buitenhuis kreeg. Na de oorlog werd Slangenburg als “vijandelijk vermogen” van de Passmann familie ontnomen en verbeurd verklaard. Het kasteel kwam onder beheer van het Nederlands Beheersinstituut voor vijandelijke en foute vermogens. Al snel gaven zij het landgoed in handen gaf van Staatsbosbeheer. Sinds de jaren vijftig is Rijksgebouwendienst verantwoordelijk voor het onderhoud van het kasteel en beheert Staatsbosbeheer het landgoed.

Frederik Johan Van Baer verloor zijn vrouw Dorothea Petronella na een ernstige ziekte toen ze pas anderhalf jaar getrouwd waren. Frederik is nooit hertrouwd en verrijkte de Slangenburg met schilderingen op muren en plafonds die hem constant herinnerden aan zijn geliefde vrouw. Daarbij werden de toepasselijke Romeinse/ Griekse mythologische voorstellingen toch wel iets aangepast: veel schilderingen bevatten elementen die te maken hebben met de liefde van Fredrik voor zijn vrouw of met het alleen achterblijven van hemzelf. Je zou hiermee kunnen zeggen dat kasteel Slangenburg wel iets weg heeft van Paleis Huis ten Bosch in Den Haag. In de Oranjezaal liet Amalia van Solms schilderingen en schilderijen aanbrengen om haar overleden man Frederik Hendrik van Oranje te eren. In kasteel Slangenburg deed Frederik Johan van Baer in deze zelfde eeuw dus iets soortgelijks.

Van Baer was behalve officier en kunstliefhebber ook een uitstekend landbouwkundig econoom. In die tijd lag het kasteel in een eenzame streek omgeven door heidevlaktes en vochtige bossen. Hij kocht van de stad Doetinchem een groot stuk van die heide. Dwars over het terrein legde hij een uitgebreid lanenstelsel aan (in de vorm van een trapezium) dat nog steeds in zijn originele vorm aanwezig is en daardoor uniek in Nederland en Europa. Een groot deel van de heide werd ontgonnen en bebost met eiken, beuken en dennen. In 1679 legde hij ook het park rondom het kasteel aan in de toen geliefde formele parkstijl. Hiervan is weinig bewaard gebleven. Frederik bouwde het kasteel zoals hij die erfde (die toen alleen bestond uit de westelijke toren met aangrenzend bouwwerk) uit tot het huidige kasteel in U-vorm. Toch zijn vooral in het kasteel zelf de sporen van Frederik nog zichtbaar. Zijn liefde voor de natuur en de landbouw zie je terug in de vele schilderijen en prachtige uitgesneden vruchten en akkerproducten in lambriseringen en houten lijsten.

Het kasteel wordt gebruikt als zelfstandig gastenhuis. Het enige dat voor publiek toegankelijk is, is de kapel van het klooster. Tenminste tot begin van dit jaar, want tijdelijk zijn er exclusieve rondleidingen door het kasteel. Dat wilde ik als Gastvrouw van het Landschap Gemeente Oost Gelre uiteraard niet missen! Dat het kasteel tegenwoordig de functie van luxe pension heeft (18 gastenkamers) is niet zomaar. Dat komt omdat het kasteel ooit het thuis was van de benedictijner orde. In 1945, na de confiscatie door de Nederlandse staat stond het klooster leeg, te huur. De monniken wilden zich ook graag vestigen in het oosten van Nederland. Zij konden het kasteel toen huren. Vanuit de Slangenburg hebben zij toen de nog steeds bestaande Sint Willibrordsabdij gebouwd, iets verderop gelegen. De benedictijnen hadden als regel dat een men passanten (pelgrims) een onderdak moest kunnen bieden. Dat is de reden dat er nu nog steeds geslapen kan worden in het kasteel. De rondleiding begint met een stukje historie (en een kop thee) in het koetshuis door de gids. Ik had me thuis alvast een beetje ingelezen. De rondleiding begint in het oudste gedeelte van het kasteel, de toren en drie aangrenzende vertrekken. Het was gelukkig heerlijk behaaglijk in de oude waterburcht. Iedere gids heeft zo zijn eigen favoriete verhaal, de onze kon zeer veel vertellen over de schilderingen op muren en plafonds. Welke mythen en sagen bij welke schildering horen. In de grote zaal bleek hij ook nog eens uitstekend piano te kunnen spelen. Al luisterend en bewonderend wandelden we ruim een uur door het kasteel. Het nieuwe gedeelte is duidelijk veel eenvoudiger als het oude oorspronkelijke deel. Dat maakte de rondleiding niet minder bijzonder! Ik vond het geweldig om nu eens de binnenkant van de kasteelmuren te kunnen bekijken, ik kan het iedereen van harte aanbevelen. Na de rondleiding stond er nog een drankje klaar in het gezellige koetshuis.

Meer foto’s onder Portfolio -Kasteel Slangenburg-

DSC_2645-2

Kern met Pit 2020.

Een idee dat al twee jaar ronddoolt in mijn hoofd, een idee om het straatbeeld van Lichtenvoorde meer kleur te geven. Samen met mediaplatform Trikker diende ik het project in bij Kern met Pit regio Gelderland, en eind 2019 kregen we te horen dat we definitief zijn geselecteerd! Dat betekent natuurlijk wel werk aan de winkel.

Hoe is dat idee voor de Trikker Tegel nou ontstaan? Hoe was onze startbijeenkomst en hoe luidde onze pitch? Hoe nu verder?! Lees er alles over op Trikker:

Kern met Pit 2020 – Trikker Tegel

DSC_2485-2

Vlasrokkendag.

Het verbouwen van vlas gebeurt al eeuwenlang in Nederland, het liefst op kleigrond. Van de 17e tot en met de 19e eeuw was er een levendige en belangrijke vlasindustrie in Zieuwent. Het dorp stond tot i de verre omstreken bekend om de goede kwaliteit van het vlas, “alleruitmuntendst vlas” zelfs volgens een boek uit 1840. Enkele boerderijnamen herinneren nog aan deze periode (Waevas, Pelleweaver, Vlasheuvel). Een van de Achterhoekse vlasspinners vertelde me dat er tegenwoordig eigenlijk alleen nog in Zeeuws-Vlaanderen vlas wordt verbouwd.

Zaterdag 11 januari 2020 vond de allereerste Achterhoekse Vlasrokkendag dan ook plaats in Zieuwent. De Oudheidkundige Verenigig Zuwent had de Achterhoekse Vlasspinners die dag uitgenodigd om in het Buurt-, en Clubhuis ’t Kevelder hun kennis en kunde op het gebied van vlas verbouwen, bewerken, spinnen en linnen weven te demonstreren aan belangstellenden. De spinners hadden verschillende soorten spinnewielen meegebracht, zo ook het Achterhoekse wiel. Zij hadden tevens hun linnencollectie meegenomen. Ook de Oudheidkundige Vereniging toonde linnen textiel uit hun eigen collectie zoals doekrollen en ondergoed, alles afkomstig uit Zieuwent.

In onze huidige maatschappij is er een groeiende belangstelling naar duurzame, eerlijke, biologische en klimaatneutrale kleding. Zo is er dus volgens de Achterhoekse vlasspinners ook een groeiende interesse in het werken met vlas en linnen. De katoenteelt behoort tot één van de meest water-verslindende gewassen (één kilo katoen kost ongeveer 8000 ltr water, waarvan 72% regenwater). De vlasteelt daarentegen verbruikt nog niet de helft van die hoeveelheid water en heeft ook veel minder bestrijdingsmiddelen nodig. Helaas is de kennis en kunde op dit gebied volgens de Achterhoekse vlasspinners nogal verspreid en ook moeilijk te achterhalen. Vandaar deze Vlasrokkendag in ’t Kevelder in samenwerking met de Oudheidkundige Vereniging Zuwent. Niet alleen een mooie manier om een prachtig stukje authentieke nijverheid te demonstreren, zeker ook om meer kennis naar boven te halen en deze veilig te stellen voor de toekomst. Missie geslaagd! Het was een druk bezochte eerste editie met belangstelling van verschillende regionale omroepen en dagbladen.

Vlas, wat is dat nou eigenlijk? Een stengelvezelplant vertelt één van de spinners mij, net als Hennep. Het gaat uiteindelijk om de vezelbundels. Deze zitten met pectine vast op de houtachtige binnenkant. Textielvlas wordt gezaaid rond de 100e dag in het nieuwe jaar (begin april), zo’n 2400 zaadjes per m². Na ongeveer 100 dagen vind de oogst plaats, als de onderste blaadjes geel worden. De plant wordt met wortel en al uit de grond getrokken, en na één à twee dagen drogen in bossen gebonden om na te rijpen en te bleken. Het vlas bloeit met witte of blauwe bloemen. Blauw bloeiend vlas heeft fijnere vezels en is daardoor zwakker van wit bloeiend vlas.

De eerste belangrijke bewerking noemt men ‘repelen’, het oplossen van de pectine. De vlasstengels worden door een grove kam gehaald die de zaadbollen van de stengels trekt. Soms gebruikt men ook een zware houten hamer om de zaadbollen mee kapot te slaan. De tweede belangrijke bewerking is het ‘roten’ van de stengels. De meest eenvoudige en goedkoopste manier is ‘dauwroten’. De vlasstengels werden dan enkele weken op het land uitgespreid. Onder invloed van dauw, regen en zon ontstaan er schimmels die de pectine oplossen en het vlas een mooie grijze kleur geven. Geel vlas ontstaat door te roten in stromend water. Na het roten moet het vlas weer drogen.

Voor de beste vezelkwaliteit werd het gerote en gedroogde vlas een paar maanden bewaard voor men het verder ging bewerken. Die bewerkingen bestonden bijvoorbeeld uit het ‘braken’ van de stengels (breken met een handbraak), het zwingelen van het vlas (de vlasbundel werd langs een plank gehangen en met een houten spaan werden de restjes stro eruit geslagen) en tot slot het hekelen (het uitkammen van de vezelbundels op steeds fijnere kammen).

Wat is nou die vlasrok?! Het is een bos vlasvezels die met een lang lint om een stok worden gebonden zodat ze niet in de war raken. Soms werden de vlasvezels ook aan een riem om het middel bevestigd. Aan de meeste spinnewielen hing een kopje met een mix van water en lijnzaad. Dit gebruiken de spinners om hun vingers nat te maken tijdens het spinnen, zo krijg je een gladde en sterke draad. Ik had wel eens ergens gelezen dat vlas tegen de klok in wordt gesponnen? De vlasvezels hebben een natuurlijk draaiing naar links, dus deze richting adviseert men bij het spinnen van vlas. Eén van de spinners vertelde me echter wat oude hemden te hebben onderzocht en deze bleken ‘gewoon’ rechtsom gesponnen.

Ik vond het een leerzame middag! Wat mij betreft voor herhaling vatbaar. Ik zou zeggen op naar de Farm & Countryfair!

 

DSC_2397
Vlasrokkendag in ’t Kevelder te Zieuwent.
DSC_2378
Alle stadia van het vlas verwerken zijn te zien.
DSC_2375
Prachtige structuren en materialen.
DSC_2370
Vlasrok met lint erom.
DSC_2413
Daar is ie dan, de vlasrok!
DSC_2396
Vlas dient nat gesponnen te worden.
DSC_2386
Doekrollen.
DSC_2380
Hekelen van het vlas.