Kasteel Wisch Terborg

Na 5 jaar staat het boek van Aggie Daniëls dan echt op de plank. 330 bladzijden vol interessante gegevens en smeuïge verhalen, zoals Aggie ze zelf lachend omschreef tijdens de lezing die zij dinsdag 16 april gaf. De lezing vond plaats bij het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers in Doetinchem, waar Aggie al eerder in de archieven dook om meer te weten te komen over de familie van Schuylenburch. Ik had al wel eens gehoord van Kasteel Schuilenburg nabij Silvolde, waar Aggie overigens ook over verteld in haar boek, over Kasteel Wisch wist ik nog niet zo veel. De familienaam Schuylenburch en de naam van het kasteel Schuilenburg blijken overigens niets met elkaar te maken te hebben. De naam van het kasteel betekent niets meer dan de functie die het destijds had: schuilen bij de burcht.

De belangstelling voor de lezing over Kasteel Wisch en zijn bewoners was enorm! Niet zo verwonderlijk, want de familiegeschiedenis blijkt behoorlijk interessant. Ter ere van de Open Monumentendag 2013 leek het de Terborgse Aggie een leuk idee om de tuinen van Kasteel Wisch open te stellen voor het publiek. Het prachtige park met vijvers en bomen ligt namelijk aan de achterzijde van het kasteel, aan het oog onttrokken. Zo staat hier een hele oude zwarte walnoot van 21 meter hoog en een omtrek van 4,70 meter. Deze boom van 200 tot 250 jaar oud is de dikste walnotenboom van Nederland! Kasteelheer Philippe Vegelin van Claerbergen wilde hier graag aan meewerken (jongste zoon van Olga). Niet veel later ontmoette Aggie toen ook de inmiddels ruim 90-jarige moeder van Philippe, jonkvrouw Olga van Schuylenburch. Zij bleek een geweldige verteller en is dan ook één van de belangrijkste bronnen van Aggie voor de verhalen in het boek. De meeste kastelen-boeken gaan voornamelijk over de bouwgeschiedenis, dit boek onderscheidt zich daar duidelijk van. Aggie houdt vooral van mensen, van de verhalen die zij te vertellen hebben.

De familie van Schuylenburg beland in de 17e eeuw in Den Haag  waar zij hoge functies bekleedden in de politiek, zoals zitting in de Tweede Kamer. In het jaar 1715 was Huis Schuylenburch gereed, aan de Lange Vijverberg (huidige Duitse Ambassade). Het Kabinet van de Koning (werkpaleis aan de Korte Vijverberg) is ook door de familie Schuylenburch gebouwd. In 1812 kocht de familie Kasteel Schuilenburg in Silvolde, met de bijbehorende acht pachtboerderijen. Dit is ook het jaar waarin het boek van Aggie begint (1812). Later dit jaar verschijnt er een ander boek, ter ere van 600 jaar stad Terborg, dat het ontstaan van de stad en de eerste vier eeuwen zal beschrijven. In 1839 koopt de familie Kasteel Ulenpas in Hoog-Keppel en in 1851 komt daar Kasteel Wisch bij. Tenminste, kasteel Oud-Wisch, dit lag in buurtschap De Heuven bij Etten wat nog te zien is aan een verhoging in het landschap. Het nieuwe Kasteel Wisch (huidige) bouwde men aan de andere kant van de Oude IJssel. De van Schuylenburgs bezitten zo’n 50 kastelen, de meeste foto’s in het boek maakte Aggie zelf. Dat bracht haar op diverse plekken in Nederland. Onder andere in Maartensdijk, bij Huize Eyckenstein?! Dat was een verassing voor mij, helemaal toen Aggie de naam ‘Baron van Boetzelaer’ liet vallen (aangetrouwd). Zelf ben ik geboren en getogen in Bilthoven (steenworp afstand van Maartensdijk) en heb ik heel wat wandelingen door het van Boetzelaer Park gemaakt!

Zoals ik al schreef komt Kasteel Wisch in 1851 in bezit van de familie van Schuylenburch, door middel van een veiling. Het bijbehorende veilingdossier stond vol waardevolle details voor Aggie, want alle eigendommen worden hierin beschreven. Zoals de 1100 ha land, 39 boerderijen, twee molens en nog veel meer. De oudste delen van Kasteel Wisch zijn de ronde toren (15e eeuw) en de zeskantige traptoren (16e eeuw). De langgerekte 90 meter lange dienstvleugel stamt uit de 17e eeuw. De unieke L-vorm ontstaat een eeuw later. De ronde toren werd overigens gebouwd met oude stenen. Deze zijn aangesmeerd en voorzien van een geschilderd blokmotief. Bij de meest recente restauratie, in 2012, is dit bijzondere patroon weer zichtbaar gemaakt. In 1878 koopt Willem van Schuylenburg het Kasteel Sinderen, toen al een ruïne. Met de stenen wilde Willem boerderijen bouwen. Sommige boerderijen in Sinderen hebben dan ook enkele van deze oude kasteel elementen, zoals de muurankers. In 1944 wordt Kasteel Wisch gebombardeerd en flink beschadigd. Begin jaren ’50 wordt dit gedeeltelijk gerestaureerd, waarna het gebouw vervolgens jarenlang leeg staat. Om de hele restauratie te kunnen bekostigen, wordt het kasteel in eeuwigdurende erfpacht aan Stichting Vrienden der Geldersche Kastelen geschonken. De familie was zeer belangrijk voor de Achterhoekse streek, zij gaven bijvoorbeeld gratis stukken grond voor een publiek zwembad, een school en de stoomtram. De huidige kasteelheer Philippe is beschermheer van Terborgs mannenkoor Arti Sacrum.

De vader van Olga kwam om bij dat bombardement in 1944. Zij was toen pas 17 jaar oud. Een jaar later stierf haar opa, men zegt van verdriet. Haar enige zus Elisabeth is ook geen lang leven beschoren, zij komt om bij een vliegtuigcrash. Zelf kreeg Olga vier kinderen, die zij bewust naar reguliere scholen in Terborg laat gaan. De kinderen speelden ook graag met de kinderen van tuinman Johan Jonker, die overigens ook veel verhalen en foto’s met Aggie heeft gedeeld over zijn diensttijd op het kasteel. Eén van de foto’s uit het boek waarop de kinderen samen spelen, vond ik erg grappig: De kinderen Jonker op de klompen, de kleine van Schuylenburchs droegen leren schoenen. Aggie interviewde ook garagehouder Boer uit Terborg (overgrootvader was namelijk in dienst als privéchauffeur), de rentmeester en een oud kamermeisje.

Het boek bevat werkelijk prachtige foto’s en leuke feitjes! Over de reizen naar Wiesbaden, de zoutmijn in Rusland, de schapenfarm in Chili, de goudmijn in Canada, en niet te vergeten al die smeuïge verhalen. Tijdens de Open Monumentendag dit jaar kunt u de contouren van Kasteel Oud-Wisch zelf gaan waarnemen, deze worden speciaal daarvoor nog eens uitgezet. Het boek van Aggie Daniëls is onder andere te koop via www.achterhoekseboeken.nl

IMAG1375

Klooster Loreto -Lievelde

Huize Loreto is een voormalig klooster van de paters Maristen, die daar tot juli 2011 woonden. De katholieke congregatie van de paters Maristen werd opgericht in 1816 in Lyon door de Fransman Jean-Claude Colin. Huize Loreto werd in 1951 door de paters Maristen gesticht als studiehuis van de congregatie. De naam is ontleend aan de Mariabedevaartplaats Loreto aan de oostkust van Italië.

Zondag 7 april konden leden van de PKN Kerk Lichtenvoorde een kijkje nemen in voormalig klooster Loreto in Lievelde, voor mij een eerste kennismaking met dit prachtige gebouw. In 2015 werd het klooster gekocht door de Koptisch Orthodoxe Kerk Nederland. De meeste leden van de Koptisch Orthodoxe kerk hebben Egyptische roots, ongeveer een tiende deel van de Egyptische bevolking is Koptisch Orthodox Christen. De taal werd verdrongen door het Arabisch, echter voor de liturgie gebruikt men nog wel steeds de Koptische taal. Het Koptisch is van essentieel belang geweest bij het ontcijferen van oude Egyptische teksten. Sint Marcus (evangelist) stichtte in Alexandrië de kerk van Alexandrië, de huidige Koptische Orthodoxe Kerk. We worden warm ontvangen door Suzanne en Marina, iedereen krijgt een handdruk en wordt persoonlijk welkom geheten. Samen vertelden zij ons het verhaal over het ontstaan van de Koptische kerk en de manier waarop zij het geloof beleven.

In de jaren ’60 kwamen de eerste Koptisch Orthodoxe christenen naar Nederland zoals ook de vader van Suzanne. In 1985 stichtte de eerste priester de eerste Koptische Kerk in Nederland, namelijk in Amsterdam. De Kopten zijn erg verbonden met hun kerk, vertelde Marina. Ook de jeugd is erg trouw aan het geloof. Dat heeft er wellicht mee te maken dat kinderen al op zeer jonge leeftijd diaken worden en bij veel taken mogen helpen. Suzanne vertelde dat er in Amsterdam zelfs 3 zondagsmissen zijn, waarvan één speciaal voor jongeren. Naast deze mis is er nog veel meer aanbod voor jongeren, zoals een vrijdagbijeenkomst waarbij er samen wordt gegeten. Ook is er een jongerenkoor, missiewerk voor jongeren, jongerenreizen, sportdagen en er worden zelfs Europese voetbalwedstrijden georganiseerd. Zoals de christenen uit diverse kerken ieder jaar de EO-jongerendag organiseren, organiseert ook de Koptische kerk dit jaarlijks voor hun eigen jeugd.

Aan het hoofd van de Koptische Kerk staat een eigen Egyptische paus, Tawadrous II. De Kopten hanteren een andere jaartelling (Alexandrijnse kalender) als de standaard Christelijke. Keizer Diocletianus trad wreed tegen de christenen op. Zijn eerste regeringsjaar kreeg de bijnaam ‘het jaar der martelaren’ (286 na Christus), dit is het begin van de Koptische jaartelling. De Koptische Orthodoxe kerk is de kerk van het monnikenwezen. De geschiedenis van de koptische kerk zit dan ook vol met namen van vooraanstaande monniken zoals Antonius de Grote. Hij wordt gezien als de vader van het kloosterleven. In de kerk hoorde Antonius een vers uit de bijbel: ‘Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij’ (Matt. 19: 21). Hij verkocht alles wat hij van zijn zeer rijke ouders had geërfd, gaf dat geld aan de armen en ging in de woestijn wonen. In Egypte vond men vele kloosters en woestijnvaders (de eerste christelijke monniken). De Kopten zijn dan ook heel erg blij nu een klooster in Nederland te bezitten waar inmiddels twee monniken woonachtig zijn. Het klooster dient voornamelijk als opleidingshuis voor het priesterschap, daarnaast worden er bijvoorbeeld ook retraites gehouden.

Marina en Suzanne namen ons mee naar de kerk. Voor sommigen niet geheel onbekend, zelf was ik er nog nooit geweest. Inderdaad, veel overeenkomsten. Wat anders is zijn de struisvogeleieren die tussen de iconen hangen. Deze symboliseren in de oude kerk hoop en opstanding. De overlevering vertelt dat toen Pontius Pilatus aan Maria Magdalena vroeg hoe Jezus uit de dood is verrezen, zij een ei nam en hem vroeg of hij haar kon vertellen hoe een klein kuiken uit een ei kan komen. Suzanne vertelde dat een struisvogel bovendien na het leggen van haar ei, naar het ei blijft staren tot het uitgebroed is. Zo moet iedereen die naar deze kerk komt al zijn gedachten en aandacht vol vertrouwen concentreren op het geloof, zonder alle andere wereldlijke zorgen mee te nemen. Nog een verschil is dat de priester tijdens de dienst meestal met zijn gezicht naar het heiligdom achter het roodfluwelen gordijn gericht staat, en dus grotendeels met zijn rug naar de volgelingen toe. In Griekenland bezocht ik al best veel Orthodoxe kerken. Met name de iconen en schilderingen vind ik daar prachtig!

De monniken in het klooster zijn ongehuwd. De priesters daarentegen moeten zelfs gehuwd zijn, anders kunnen ze helemaal geen priester worden. Vrouwelijke priesters zijn er niet. In Nederland zijn er 10 Koptisch Orthodoxe kerken. In de beginjaren dienden zij vooral de eigen gemeenschap, nu is dat veel opener. Amerika en Australië, waar heel veel Koptisch Orthodoxe kerken te vinden zijn, is daarin al veel verder vertelde Suzanne. In Lievelde zijn er ook diensten het Nederlands, ondanks dat er eigenlijk geen Nederlanders komen. Wel Ethiopiërs en Eritreeërs, ook daar zijn veel mensen Koptisch Orthodox Christen. Het Koptisch geloof is vooral met het Katholieke geloof te vergelijken. De bijbel is hetzelfde (OT/ NT) en zijn er 7 sacramenten. Er wordt gedoopt, er is het avondgebed en ook het vasten is belangrijk (maar liefst 200 dagen per jaar in totaal). Op woensdag en vrijdag wordt er standaard veganistisch gegeten.

De Koptische Orthodoxe kerk kent een flinke opleving de afgelopen jaren. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de Arabische lente en de overheersende dictatuur, denkt de vader van Suzanne die ook aanwezig was, want onder druk leert men bidden zegt het spreekwoord. Het klooster in Lievelde kent een groot aantal leden, mensen komen soms van ver (ook vanuit Duitsland) om een aantal uren of zelfs de hele dag in het klooster en de kapel door te brengen. Er zijn dan ook veel praktische voorzieningen zoals een grote keuken voor maaltijden, en een sportveld.

Ik vond het een bijzondere middag. We moeten niet ons niet zozeer focussen op de verschillen van andere religies, veel mooier is om te ontdekken wat ons onderling verbind. Ik denk dat we alleen maar van elkaar kunnen leren, ik ben zelf in ieder geval weer een mooie ervaring rijker!

DSC_3609
Kleine kapel.
DSC_3608
Icoon met struisvogelei.
DSC_3569-2
Prachtig glas-in-loodraam.

Streekverbetering

Het derde college van het Achterhoek College 2019 had als thema: de moderne Achterhoek en architectuur. Het eerste deel: “De moderne Achterhoek – de maakbare samenleving in een achtergesteld stukje Nederland” werd gegeven door Joanne te Winkel uit Winterswijk. Zij studeerde geschiedenis aan de universiteit en maakt deel uit van het projectteam ‘Een Nieuwe Tijd! Wederopbouw in de Achterhoek’. Dit programma is samengesteld door 11 gemeenten in de Achterhoek met als doel het bijzondere erfgoed uit de wederopbouwperiode dat de Achterhoek bezit, groots onder de aandacht te brengen. Dit zal gebeuren in het jaar 2020, aansluitend op 75 Jaar Vrede en Vrijheid in de Achterhoek. Eigenlijk is er maar weinig belangstelling voor de wederopbouw architectuur. Met dit project hoopt men een herwaardering teweeg te brengen met het erfgoed als inspiratie.

Sicco Mansholt was twaalf jaar (1945-1958) minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Hij voorzag al vroeg dat de Nederlandse landbouw gereorganiseerd moest worden. Hij wilde bedrijven die kleiner waren dan vijf hectare samenvoegen waarmee hij een gevoelige snaar raakte, aangezien zeventig procent van de boeren vlak na de oorlog een bedrijf van vijf hectare of kleiner had. Ondanks dat de boeren zich vrij snel hersteld hadden van de oorlog (in 1950 zat men alweer op hetzelfde productieniveau als voor de oorlog) bleef Nederland achter bij andere landen. Mansholt wilde dat de boeren in achtergebleven gebieden zoals Winterswijk, hetzelfde welvaarts-, en welzijnspeil zouden bereiken als de arbeiders in de industrie. Tussen 1962 en 1968 stond Winterswijk in het teken van het Streekverbeteringsprogramma , dit zou hieraan gaan bijdragen. Een groot deel van de voorlichting werd uitgevoerd door lokale boerenstandsorganisaties, deze moesten de eigen achterban helpen bij de mentaliteitsverandering (zij hadden tenslotte het vertrouwen van de boeren al). Er werd zelfs een speciaal maandblad uitgegeven om informatie over het programma in Winterswijk te verspreiden, ’t Olde Wenters’.

Men wilde de boeren moderniseren door middel van voorlichting. Zo was er bijvoorbeeld veel aandacht voor het huishouden, dat moest moderner en makkelijker. Zo hield je namelijk tijd over! Tijd over om de man te helpen. De Nederlandse Bond Voor Plattelandsvrouwen ging het land door met een reizende woon-tentoonstelling. In twee jaar tijd moest het hele platteland op de hoogte worden gebracht van moderne huishouding. Het had met name betrekking op de moderne woninginrichting, huishoudelijke apparatuur en voeding. Landbouwkundige voorlichting  (ruilverkaveling, mechanisatie, bankleningen) zou de boer helpen zijn bedrijfsstijl te optimaliseren. Agrarisch-sociale voorlichting (bedrijfsopvolging, vrijetijdsbesteding) moest een boer en zijn gezin helpen met een betere positie in de samenleving. De traditionele samenleving in het oosten van Nederland moest ook op de schop. Drie generaties die onder één dak wonen, werd gezien als afwijkend en niet iets voor ‘de moderne tijd’. Voorlichting over samenwonen was dus ook onderdeel van het Streekverbeteringsprogramma. De juiste mentaliteit om veranderingen in het bedrijf aan te brengen werd minstens zo belangrijk gevonden, anders zouden zij de voorgestelde veranderingen helemaal niet toe kunnen passen! Boeren moesten geholpen worden om zich te ontworstelen aan het traditionele cultuurpatroon want deze droegen allesbehalve bij aan vooruitgang.

Het streekverbeteringsprogramma leek aan het einde van de jaren 1960 steeds meer achterhaald, in 1970 kwam er dan ook landelijk een einde aan het programma. De infrastructuur was verbeterd, er waren meer onderwijsmogelijkheden, de industrialisatie was niet meer weg te denken en met de komst van de auto en televisie  was het blikveld van de boer vergroot. De voorlichting richtte zich nu vooral nog op geldzaken. Met enige teleurstelling werd er teruggekeken op de resultaten van het Streekverbeteringsprogramma in Winterswijk. De polder had bewezen dat de samenleving maakbaar was en ook de kleine boeren in het oosten moesten gemaakt worden tot moderne agrarische ondernemers. Nieuw land kon de overheid helemaal naar smaak inrichten, maar oud land veranderen bleek moeilijker. Het is gebleken dat je een idee niet zomaar even landelijk kunt uitrollen. In Winterswijk was dan ook niet heel veel veranderd na afloop van het streekverbeteringsprogramma. De Achterhoek hield vast aan de traditionele gewoonten, en hoe mooi is dat eigenlijk! Deze streek heeft duidelijk een sterke eigen identiteit.

Een deel van mijn eigen familie woont in de Noordoostpolder, gemaakt op de tekentafel. De hele opzet kent een duidelijke hiërarchie. Het wegen-, en watersysteem loopt van groot naar klein, de ordening van de agrarische bedrijven aan de hand van de grootte. De grote polderbedrijven liggen hierbij centraal, de kleinere aan de randen. De opzet van de tien dorpskernen was al even nauwkeurig uitgetekend. De bijna ronde vorm van de polder, maakte het logisch om in het geografische midden het streekcentrum te projecteren met voorzieningen als een ziekenhuis, schouwburg en scholen voor voortgezet onderwijs. Dit voorzieningencentrum werd de Noordoostpolder-stad Emmeloord. De fietsafstand tussen alle kernen mocht hooguit 10 kilometer bepalen. Want iedereen moest kunnen fietsen: de arbeider naar zijn werk, de kinderen naar school en de vrouw naar de winkel. Negen dorpen waren door een ringweg met elkaar verbonden (Rutten lag aan een uitloper van de kring), Emmeloord ligt in het midden op het kruispunt van de vier hoofdwegen die de polderstad dus met vier polderdorpen verbind. Deze hele theorie werd overigens razendsnel achterhaald, ook hier ging men mechaniseren en autorijden.

Het tweede deel van dit college: “Sober en solide –  Architectuur van de wederopbouw in de Achterhoek”, werd gegeven door Roger Crols. De architectuurhistoricus vertelde over de vormgeving van de moderne Achterhoek, de onbekende ruwe diamanten van de wederopbouw in onze eigen regio. Wederopbouw is meer dan alleen het herstellen van oorlogsschade. Het heeft ook te maken met modernisering, nieuwe uitbreidingswijken om de woningnood het hoofd te bieden en de ruilverkaveling in landelijk gebied. Met name Beltrum was in de Achterhoek een wederopbouwgebied van nationaal belang. Men hield hier namelijk rekening met het historisch landschap en waterwegen. Joanne vertelde ons al dat ook de Achterhoek zulke uitbreidingswijken kent, bijvoorbeeld in Zelhem aan de Abraham Kuyperstraat. Mensen van het platteland, vanuit de agrarische sector, gingen werken in de groeiende industrie. Zelhem koos voor een landelijke woonstijl, zo was de ingang bijvoorbeeld aan de achterzijde. Er was ruimte voor een moestuin, en daarnaast nog voldoende voor het houden van kippen en een varken. De keukens waren groot, zoals de woonkeukens in de boerderijen. Een kelder vond men vaak onprettig, een waterleiding veelal overbodig. De huizen aan de Prinses Beatrixstraat in Zelhem waren al wat moderner.

Zelf ben ik geboren in Bilthoven, in een portiekflat. Drie woonlagen, het aanzicht van een enorme legbatterij is mij bespaard gebleven. Buiten dat had ik gelukkig mijn grootouders in de Achterhoek wonen, waar ik dan ook iedere vakantie en lang weekend doorbracht. Ook deze portiekflats zijn uit de wederopbouwperiode. Bilthoven zelf ligt tegen de Utrechtse heuvelrug aan, ik had de natuur gelukkig om de hoek (Biltse Duinen). Veel omringende plaatsen zijn begin jaren ’70 systematisch uit de grond gestampt om Utrecht te ontzien, ik zou er voor geen geld willen wonen! Nieuwegein, Houten, en Maarssenbroek spant denk ik nog wel de kroon: 8500 woningen in 14 wijken in alfabetische volgorde langs de vier zijwegen van de hoofdweg. De meeste wijken ook nog eindigend op -kamp.. Ik ben heel dankbaar dat mijn grootouders mij de liefde voor de Achterhoek met de paplepel hebben ingegoten! Hier ben ik thuis.

Ik had er nog nooit van gehoord: de Melkflessen-test uit de jaren ‘50? De inrichting van het moderne huis klopte pas wanneer je in elke ruimte een glazen melkfles zou kunnen plaatsen, zonder dat deze uit de toon zou vallen. De wederopbouwperiode was eigenlijk best heel bijzonder, en kent ook heel wat overeenkomsten met de huidige tijd. Het project waar Joanne aan werkt, ‘Een Nieuwe Tijd’, slaat dan ook niet voor niets een brug naar het heden zoals verduurzaming van de niet zo energiezuinige gebouwen uit die wederopbouwperiode.

De Achterhoek gaat laten zien hoe dat kan: samen anpakken! Want een nieuwe tijd maak je samen. Dat levert ongetwijfeld mooie nieuwe Fotovertelsels op. Ik zeg Klomptgoed!

DSC_3636-2
Joanne te Winkel geeft college.

 

De Ploegende Boer

Zaterdag 6 april 2019 hielden de Koetsiers Aalten- Dinxperlo hun jaarlijkse ploegwedstrijd. Ze hadden geen mooiere lentedag kunnen uitzoeken! Er zijn dan ook flink wat belangstellenden op afgekomen, inclusief mijzelf, gewapend met mijn fotocamera. Het ploegen met paarden is een zo goed als verdwenen bezigheid. Vroeger trokken boeren(knechten) en hun paarden uur na uur over de stille akkers. Het was rustgevend werk, er zat geen enkele haast achter. Dat is tegenwoordig niet meer denkbaar, tijd kost geld. Er moet zoveel mogelijk rendement worden behaald om het hoofd boven water te kunnen houden. Dat is op het Griekse eiland Karpathos wel anders! Ik ben negen maal geweest en ook afgereisd naar het geïsoleerde, zeer afgelegen dorpje Avlona. Het leek wel alsof ik naar een oude documentaire keek, oude vrouwen en mannen in de traditionele klederdracht druk in de weer. Het land werd bewerkt met oude houten gereedschappen, voortgetrokken door ezels. De geur van vers brood steeg op uit zelfgebouwde ovens, gestookt op takken die ook per ezel werden aangeleverd. Hier is in de verste verte geen grote grommende tractor te bekennen..

Het boerenbedrijf heeft rond 1950 een enorme ontwikkeling doorgemaakt, in een razend tempo veranderde er van alles. Om op grotere schaal te gaan werken, werden er allerlei machines aangeschaft. Denk aan melkmachines, mechanisatie van mestverwerking en de belangrijkste ontwikkeling van allemaal: de komst van de tractor. Het ploegen met paarden was toen eigenlijk niet meer nodig en verdween stilletjes uit beeld. De kennis werd niet meer als vanzelfsprekend van vader op zoon doorgegeven. Gelukkig zijn er een aantal verenigingen die met veel passie en plezier het nostalgische ploegen demonstreren. Eén van de ploegers vertelde mij dat zijn houten ploeg al 150 jaar oud is, waarvan 80 jaar lang ongebruikt opgeborgen in de schuur. Op zijn 20e had hij zelf nog met de ploeg gewerkt. De grotendeels verroeste ploeg heeft hij met veel passie opgeknapt om op dit soort dagen het oude ambachtelijk werk te demonsteren. Ik heb mijn opa op de boerderij nooit zien ploegen met een paard, die stond alleen nu en dan voor de kar om een gezellig ritje mee te maken.

In de Achterhoek waren de boerenbedrijven halverwege de vorige eeuw over het algemeen kleinschalig en grotendeels zelfvoorzienend. Elke boer had wel ergens een stukje land waar voer voor het vee werd verbouwd, bewerkte dat dan meestal met een ploeg, een eg en een cultivator. In het najaar zaaide men bijvoorbeeld winterrogge, in het voorjaar haver, gerst, aardappelen en suikerbieten. Ploegen was dus nodig, afhankelijk van de grootte van het boerenbedrijf en de grondsoort met één of twee paarden. Op zandgrond liep een paard meestal alleen voor een zogeheten stofploegje of kleine rondgaande ploeg. Had een boer twee of meer paarden in zijn bezit, wat bovendien wel nodig was op zware kleigrond, dan gebruikte men meestal een wentelploeg. Voor het ploegwerk was het belangrijk sterke en rustige paarden te hebben, die in staat waren om een hele dag hard werken vol te houden. Behalve bij heel slecht weer dan, vertelt een toeschouwer mij, dan mocht het paard terug naar stal en kon de knecht nog wel even knollen rapen op een ander stuk land..

Goed ploegwerk hangt grotendeels af van gelijkmatigheid, het paard moet bereid zijn in hetzelfde tempo de hele dag de ploeg voort te trekken. Het type paard dat toen dit werk verrichte had meestal wat meer volume dan de huidige (sport) paarden. Het regelmatig lopen voor een ploeg zorgde voor een betere conditie (ook bij de boer zelf), meer kracht en een gelijkmatige tred. Tegenwoordig is bij de meeste paarden een wedstrijdmentaliteit aangefokt, waardoor zij niet meer de rust en gelijkmatigheid kunnen opbrengen die voor het ploegen zo belangrijk was. Volgens één van de vier deelnemers is het een kunst om de eerste voor (strook omgeploegde grond) recht te trekken, die dan vervolgens door één van de wielen van de ploeg langs die laatst getrokken voor te laten lopen, ook recht te houden. Loopt men met twee paarden, dan is het belangrijk dat het ene paard precies in de bouwvoor loopt, het andere paard er precies naast, de ploeg op de juiste hoogte af te stellen en de grondrug ook nog op de juiste manier te laten vallen. Met een paardenploeg kun je maar één voor tegelijk maken, waar een tractor er meestal vier tegelijk maakt. Ook dan is gelijkmatigheid belangrijk.

De diepgang van de ploeg is afhankelijk van het gewas. Voor aardappelen moest er bijvoorbeeld dieper geploegd worden dan voor tarwe, gemiddeld ploegde men rond de 20- 25cm diepte. Nu het ploegen met paarden zo zeldzaam is geworden, is het ook een stuk lastiger om kapotte onderdelen te vervangen, met name de draaiende delen zoals een wiel. Daarvoor is een smid nodig die deze onderdelen zelf kan maken. Ook voor het scherp maken van de scharen heb je de smid nodig, als je het namelijk zelf doet met een slijptol dan worden je scharen steeds kleiner! Afhankelijk van de grondsoort is het na ongeveer 10 ha ploegen nodig om je scharen weer te scherpen (in droge harde grond worden ze sneller bot). 1 hectare is overigens een oppervlakte van 100 meter bij 100 meter. In Corle zat vroeger ook een smederij, met opa ben ik daar meerdere malen geweest. De schuur staat er nog altijd, de gele klompen sierlijk achter de kleine raampjes.

Aan verschillende boeren heb ik dezelfde vraag gesteld, namelijk of het ploegen met paarden beter is voor de grond dan machinaal ploegen. Volgens de meesten is het machinaal ploegen al flink verbeterd. Tractoren hebben tegenwoordig veel bredere banden waardoor ze minder vaak heen en weer hoeven te rijden, en men gebruikt na het ploegen een cultivator en/ of diepwoeler om de ontstane ploegzool (een ondoordringbare laag die ontstaat door het regelmatig ploegen op vaste diepte) te doorbreken. Zo wordt de waterdoorlatendheid en structuur van de grond weer verbeterd. Ploegzolen kunnen dus ontstaan door het berijden van de grond met zware (oogst) machines. Een ploegzool ontstaat uit hele compacte grond, vaak zo hard als steen waar plantenwortels, regenwormen en pissebedden niet doorheen komen. Door een tekort aan wroetende regenwormen zijn er onvoldoende luchtkanalen waardoor de bodem dus verslijt en uitgeput raakt. De bovenste 20cm grond (bovenlaag) droogt uit, er komt minder stikstof in de bodem. Zuurstof en regenwater worden namelijk de grond ingeleid door drainagekanalen, die ontstaan door de plantenwortels en gangen van regenwormen die hun hele leventje verticaal door de grond bewegen. Voor een optimale en gezonde bodemstructuur moet de grond soms jaren met rust worden gelaten. Op dit moment heeft slechts 5% van de Nederlandse boeren ervoor gekozen om het ploegen achterwege te laten, uit angst om de eerste jaren minder inkomsten te genereren. Omschakelen van ploegen naar niet-ploegen is bovendien best lastig, het is een andere manier van telen. De boer krijgt te maken met andere onkruiden, ziekten en plagen (muizen-, en slakkenschade) die moeilijker te bestrijden zijn dan met mechanische methoden. Boeren worden zich gelukkig wel steeds bewuster van het feit dat verdichting van de grond moet worden weggenomen willen we op de langere termijn een gezonde bodemstructuur waarborgen.

 

DSC_3523-2
Ploegwedstrijd, Ploughing competition. 06-04-2019

Attamottamotta!

Een Achterhoek College over topsport kan natuurlijk maar op één plaats gegeven worden: bij de Vijverberg, thuisbasis van voetbalclub De Graafschap. Het mag dan wel niet de rijkste voetbalclub zijn en ook niet de allerbeste voetbalclub, het is wel de mooiste en boegbeeld van de Achterhoek! Hans Martijn Ostendorp, algemeen directeur van De Graafschap, was aangenaam verrast door het verzoek om deel te nemen aan het Achterhoek College 2019. Hij hoefde er echter geen moment over na te denken, De Graafschap is zoveel meer dan voetbal alleen en daar valt heel veel over te vertellen. In iedere Achterhoeker schuilt wel een blauwwit hart volgens Hans Martijn, want de Graafschap is een Volksclub. Superboer ben je bij winst en verlies, bij promotie en degradatie, en in voor-, en tegenspoed. De gedrevenheid van Hans Martijn begreep ik pas echt goed toen hij ons zijn verhaal vertelde.

Hans Martijn Ostendorp heeft zijn roots in Dinxperlo. Het voetbalstadion van De Graafschap betrad hij al op jonge leeftijd, aan de hand van zijn vader. Sindsdien kleurde ook zijn hart blauw-wit. Hij verkoos werken boven studeren en vond een baan als junior-vertegenwoordiger (het ganse land door om naar eigen zeggen spuuglelijke kleding te verkopen aan marktkooplui). Daar leerde hij de fijne kneepjes van zaken doen en wist al snel op te klimmen. Zijn politieke carrière begon met een ingezonden brief naar de  plaatselijke gemeente, een keer spreken op een raadsvergadering, zitting in een commissie en uiteindelijk wethouder van de gemeente Aalten. De politiek ging hem goed af, Hans Martijn werd zelfs burgermeester van Bunnik. Desondanks is hij altijd trouw gebleven aan De Graafschap, juichen voor een andere club is best mogelijk, maar niet vanuit het (blauw-wit) hart. Iedereen in Bunnik wist dan ook: onze burgermeester is een Superboer! Na acht jaar was het tijd voor een beslissing, burgermeester worden van een grotere gemeente of toch iets heel anders? Een langgekoesterde wens van Hans Martijn was om ooit nog eens iets voor de Achterhoek te doen. Die kans kreeg hij toen De Graafschap hem aanbood om algemeen directeur van de voetbalclub te worden. Het was niet een beslissing die over één nacht ijs ging.. Een zeker bestaan als burgermeester opgeven voor een onzeker voorzitterschap? Na het zien van een YouTube filmpje werd de knoop doorgehakt: we gaan de uitdaging aan, op naar de Achterhoek!

Hans Martijn wilde graag een blanco agenda wat betreft sociaal maatschappelijke verankering, het verduurzamen van de voetbalclub. De club was niet gewend om zo te denken, het ging eigenlijk om maar één ding: hoe verkopen we zoveel mogelijk stoelen. Dat Hans Martijn de taal van ondernemers sprak kwam goed van pas, net als zijn ervaring als bestuurder. Dat hij dialect verstaat en ook spreekt heeft zeker voordelen, het ‘houwtje touwtje’ stadion, zoals Hans Martijn de Vijverberg wel eens omschrijft, kent niet voor niets dat gemuudelijke sfeertje. Spelers die niet begrijpen hoe we leven in de Achterhoek passen hier niet vind hij, we zoeken echt naar het Graafschap DNA. En ja wat dat dan precies is? Nou gewoon: DRAN! Volgens Hans Martijn laat het zich nog het beste omschrijven in drie woorden: onverzettelijkheid, passie en strijdlustig. Zelfs bij de spelers met Afrikaans bloed, zie je iets gebeuren in de Vijverberg, ook in hen zie je al snel dat DRAN-DNA. Die sociale maatschappelijke betrokkenheid van De Graafschap uit zich door bijdragen te leveren waar de gemeente niet kan geven. Hans Martijn verwacht dan ook van de spelers dat ze drie dagdelen per maand inzetbaar zijn, dat maakt dat De Graafschap overal zichtbaar is en die rol kan vervullen. Zo is er het talentenpodium waar jongeren zich kunnen presenteren aan sponsors uit het bedrijfsleven. Hoe mooi zou het zijn, vertelt Hans Martijn, als we met onze Graafschap bus naar Groningen of Eindhoven zouden rijden om daar jongeren op te halen, zodat ook zij zich hier kunnen presenteren aan de Achterhoek! Zo hebben die sponsors en ook de businessleden de kans om de beste talenten binnen te halen. De Graafschap legt ook verbindingen tussen de leden en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zo proberen we hen weer betekenis in het leven te geven.

Na een grondig onderzoek op alle mogelijke fronten is gebleken dat de voetbalclub in de basis prima op orde is, het negatieve eigen vermogen is gelukkig al flink terug gebracht. De Graafschap staat statistisch gezien op de 16e plaats van Nederland, eigenlijk net in een té kwetsbare positie. Het streven voor de toekomst is dan ook om met hele kleine stapjes nog iets verder te stijgen. Het stadion stamt uit hetzelfde jaar als de oprichting van De Graafschap, 1954. De ligging van de Vijverberg, midden in een woonwijk, maakt uitbreiding best lastig, vanuit zijn supportershart gezien wil Hans Martijn dit liever ook niet. Hoe mooi is het dat we nu met regelmaat kunnen roepen “het is kats uutverkocht!” Het contact met de buurt is erg goed, het grootste gedeelte is hartstochtelijk supporter of zelfs werkzaam bij de club, zoals Hans Martijn zelf. Zolang je maar in gesprek blijft met elkaar, en bruggen bouwt in tijd van vrede, komt het wel goed volgens Hans Martijn. Wat een geweldige verteller! Onverzettelijkheid, passie en strijdlustig, een man met het Dran-Dna in heel zijn lijf! Een Achterhoeker die niets liever doet dan zo nu en dan, wanneer de Vijverberg leeg en verlaten in het schemerdonker nagalmt van emotie, de grasmat oplopen om zijn blauw-wit hart opnieuw te vullen met trots.

Ik vond het in elk geval een onmundig mooie avond! Een mooie rondleiding door De Vijverberg en via de schitterende spelerstunnel naar het veld. Attamottamotta spat daar van de muur! Geniaal, die spreuk vergeet ik niet meer (bijna net zo leuk als Klomptgoed). Zou er dan toch ook een beetje blauw-wit in mijn hart schuilen? In ieder geval blauw-wit genoeg om nu ook de expositie ‘Superboeren 65 jaar de Graafschap’ in het Stadsmuseum van Doetinchem te willen zien.

DSC_3176-3

Achter de Coulisse.

Het Achterhoek College 2019 is van start gegaan, en deze keer ben ik ook van de partij. De zes colleges worden op verschillende locaties gegeven, de allereerste bij het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers. Een perfecte manier om de Achterhoek beter te leren kennen! De meeste deelnemers bleken dan ook, net als ik, geen geboren en getogen Achterhoekers. Gelukkig onder ons een paar authentieke exemplaren, het dialect klonk me dan ook als muziek in de oren tussen het zeer beschaafde Nederlands (mijn rollende R verraad me nog dagelijks). Tijdens het eerste college stond het landschap centraal, de focus op het coulisselandschap. Vorig jaar volgde ik de trainingen voor Gastvrouw van het Landschap gemeente Oost Gelre, dit college sloot daar prachtig bij aan.

In  november 2018 besteedde het programma Nieuwsuur er uitgebreid aandacht aan, het Hollandse landschap verdwijnt! Zo ook het typische Achterhoekse coulisselandschap. Wat is dat eigenlijk, een ‘coulisselandschap’? Hier vind je kleine lapjes grond, omgeven door bomen en/of struiken en vaak ook een greppel. Doordat je maar een beperkte afstand kunt kijken, zie je telkens weer iets anders wanneer je dit landschap doorkruist. Op het toneel blijft het ook vaak een verrassing wat zich achter de coulissen afspeelt, vandaar de naam ‘coulisse’. Door de schaalvergroting in de landbouw, vind je de authentieke houtwallen alleen nog om grote percelen. Greppels zijn verdwenen en de  lange boomrijen onderbroken. Anno 2019 staat duurzame energie op de loer, gaat dit niet ten koste van ons mooie landschap? Is het terecht dat de overheid alleen geld in de grote natuurprojecten stopt en de kleinere landschapsmonumenten laat verslonzen? Gelukkig ontstaan er steeds meer lokale initiatieven om de eigen landschapsidentiteit te behouden.

André Kaminski, voorzitter van organisatie Stichting Achterhoek weer Mooi (stAM), verzorgd dit eerste Achterhoek College in een reeks van zes. De stAM probeert de doelstelling die centraal staat in het Deltaplan voor het Landschap (boek ‘Nederland weer Mooi’) na te streven, of in elk geval onderdeeltjes hiervan, zoals de aanleg van kruidenrijke bermen en akkerranden. Het boek dat in 2005 werd gepubliceerd vertelt hoe het moderne landschap weer mooi kan worden, met aandacht voor de identiteit van een streek en de geschiedenis. In zo’n landschap zullen dieren en planten die nu dreigen te verdwijnen zich weer thuis voelen. De Vereniging Nederlands Cultuurlandschap stelt dat wanneer we in 20 jaar tijd een bedrag van 12 miljard zouden investeren, we erin kunnen slagen om het Nederlands landschap weer karakteristiek te maken. Uiteindelijk zou het zelfs 18 miljard opleveren! Als de overheid bijna 5 miljard kan uitgeven aan een Betuwelijn, die overigens jaarlijks flink verliest leidt, verdient ons mooie Hollandse landschap dan niet minstens zoveel investering! Uit onderzoek is gebleken dat het niet alleen goed is voor de economie, het draagt ook bij aan een goede gezondheid en het welzijn van de mens.

Als we het hebben over cultureel erfgoed, hoort het coulisselandschap daar ook bij. De Achterhoekse streek barst van de landschapsmonumenten! Wat te denken van de monumentale eik bij de Radstake, de Varsseveldse kopjes en het zandpadenstelsel in Zelhem. Ze maken deel uit van onze identiteit en vertellen vaak vele verhalen. Als mensen het landschap waar ze wonen waarderen, gaan ze het meestal vanzelf beschermen. Maar waarderen we ons landschap wel genoeg? Of vinden we het eigenlijk heel gewoon dat we in deze prachtige groene zone wonen? Stel dat een boer die bereid is om die schitterende monumentale boom die hij midden in zijn weiland heeft staan (hartstikke onpraktisch) te behouden, ter compensatie een geld-busje ophangt, hoeveel mensen zouden er dan daadwerkelijk wat geld in doen? Om het cultureel erfgoed van bijvoorbeeld buurtschap de Meuhoek (bij Halle) te handhaven is €500.000 nodig. Hier vind je het laatste authentieke (kleinschalig) coulisselandschap. Op een oppervlakte van 3 km² vind je een diversiteit van grasland, akkers, landweggetjes en 3000 knotelzen. In de moderne landbouw kan zo’n stuk landschap niet gehandhaafd worden, het vraagt teveel onderhoud. De Elzen moeten allemaal geknot worden om het typische coulisselandschap in stand te houden. Vinden we dat €500.000 waard? Het bekendste schilderij van Rembrandt, De Nachtwacht, wordt dit jaar voor het eerst sinds 1976 gerestaureerd, naar verwachting kost dat 3 miljoen euro. Hetzelfde bedrag wat is berekent voor het restaureren van de Gouden Koets. Ik zou zeggen omsmelten dat ding en de opbrengst investeren in het Hollandse landschap.. 😉.

In onze groep cursisten bevind zich onder andere een agrariër en campingeigenaar. Best verhelderend om die verschillende ervaringen te horen! De grond onder onze voeten wordt door vele aspecten beïnvloed zoals cultuur, recreatie en economie. Iemand die zijn boterham moet verdienen met land-, en akkerbouw bekijkt het gehele plaatje toch echt heel anders als de campingeigenaar die het van de recreatie moet hebben. In de Achterhoek is die recreatie inmiddels minstens zo belangrijk geworden als de landbouw. De hele regelgeving zou volgens de agrariër best wat ‘gemuudelijker’ mogen. Als een boer bereid is mee te helpen om het aantal soorten dieren en planten op zijn landbouwgrond te vergroten door hier een leefgebied voor kwetsbare soorten te creëren, moet hij daarvoor eerst een gebiedsaanvraag doen bij de provincie. Dit soort stukken grond worden namelijk provinciaal toegewezen. De beheersovereenkomst die dan eventueel wordt aangegaan, is aan strenge regels gebonden. Er wordt exact bekeken hoeveel kwetsbare soorten er zich per m² bevinden, pas daarna komt een boer eventueel in aanmerking voor compensatie van dit voor hem onbruikbare stuk landbouwgrond. Volgens de boer zou het mooi zijn als de maatschappij de boer tegemoet zou komen, als in de naaste bewoners en de bezoekers.

Ik ben helemaal voor. Adopteer een boom, sponsor een bermrand en help zo mee de Achterhoek weer mooi te maken. Het was beslist een boeiende avond! Heel fijn ook om te zien dat de mannen toch echt niet zonder vrouwen kunnen als het aankomt op moderne elektronica. Over twee weken moeten we Dran! Op visite bij de Vijverberg.

DSC_2859
Femia Siero, directeur van het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers.

Et Vitam Aeternam.

Een mooie ontmoeting in Hilversum was de aanloop naar de prachtige oecumenische kerkdienst die zondag 24 februari plaatsvond in de Johanneskerk te Lichtenvoorde. Voorgangers dominee Hans Hinkamp en pastoor Scheltinga werden muzikaal ondersteund door het Gregoriaans herenkoor Jubilate Deo. Een unieke samenwerking tussen Protestantisme, het Oud-katholieke en een Rooms-Katholieke koor.

Rudolf Scheltinga is pastoor van de Oud-Katholieke Parochie van St. Agnes, in Egmond aan Zee. Deze parochie kent niet alleen de oudste, maar ook de grootste geloofsgemeenschap binnen de Oud-Kathollieke Kerk van Nederland. Ondanks dat zijn parochie zich op ruim 180km van Lichtenvoorde bevind, was het toch een soort van ‘thuiskomen’ voor Rudolf Scheltinga. Niet zo verwonderlijk als je weet dat de pastoor Achterhoekse roots heeft! Moeder Krabben werd namelijk geboren in Zieuwent, en vader Scheltinga in Eibergen. Rudolf zelf werd geboren in Bolsward, waar zijn ouders een bakkerij hadden. De uitnodiging om eens samen met dominee Hinkamp voor te gaan in de dienst, nam pastoor Scheltinga dan ook graag aan.

Dominee Hinkamp vertelde ons over Handelingen 1, vers 15 tot en met 26. Over de vervanging van Judas door (dertiende) apostel Matthias. Voor de hervormingen binnen het Katholicisme was 24 februari namelijk de feestdag van de Heilige Matthias. Zijn huidige Rooms-Katholieke feestdag is 14 mei. Matthias blijft vaak buiten beeld, zelden wordt er over hem gepreekt. Pastoor Scheltinga, die ons voordroeg uit Johannes 15, vers 1 tot en met 8, had net als eigenlijk iedereen die zondag in de Johanneskerk nog niet eerder een preek over Matthias gehoord. In de middeleeuwen behoorde het bedevaartsoord van Matthias in Trier toch echt tot de zeven drukst bezochte van het Rijnland! En omdat zijn traditionele feestdag op 24 februari viel, werden veel folkloristische gebruiken van de winter naar Matthias vernoemd. Er zijn rond die datum ook heel wat boerenwijsheden en weerspreuken ontstaan zoals: ‘Als Sint-Matthijs geeft sneeuw en ijs, dan kan men verwachten, het zal nog vriezen veertig nachten! Helaas voor Koning Winter, de Johanneskerk baadde 24 februari in het zonlicht.

Ik vond het een bijzondere Anders-Kerk-Zijn dienst (volgens pastoor Scheltinga staan de letters –AK- ongetwijfeld voor ‘Alt Katolische’). Het leek haast of dominee Hinkamp en pastoor Scheltinga regelmatig samen voorgaan in een dienst, zo vanzelfsprekend was de verbondenheid met de Heer, met elkaar en de aanwezigen. De boodschap van beide mannen was prachtig: “tegenwoordig zijn er diverse genootschappen uit vele streken, jammer genoeg verstaan zij elkaar soms niet meer, en verliest men datgene wat verbind uit het oog. Juist daarom is het belangrijk elkaar op te zoeken zoals deze zondag gebeurde. Zo blijft de verbinding bestaan, en kan deze waar nodig hersteld worden door naar elkaar te luisteren. Want als je met je hart naar de geschriften kijkt, en de liefde voor de Heer niet alleen preekt in woorden, hoeven verschillen niet te ontaarden in geschillen”. Op sommige afbeeldingen staan de twaalf apostelen met ieder een banderol in de hand. Matthias draagt de slotregel: Et Vitam Aeternam. Voor altijd, tot in de eeuwigheid. Geen mooiere manier om die zondag mee te eindigen.

DSC_2645
Oecumenische kerkdienst bij Johanneskerk in Lichtenvoorde. Mooie samenwerking van Protestantse dominee, Oud-Katholieke priester en Rooms-Katholiek Gregoriaans herenkoor.