Ontmoet de Achterhoek, etappe Rietmolen naar Rekken.

Voordat ik van start ging in Rietmolen, maakte ik eerst een korte tussenstop in Neede. Ik wilde graag eens kijken bij Natuurpark Kronenkamp. In 2019 stond dit project in de top 3 van genomineerden voor de Gouden Gelderse Roos. De voormalige rioolwaterzuivering van Neede was al sinds 2003 niet meer in gebruik. Een aantal Needenaren zagen kansen in het overwoekerde terrein met de vervallen gebouwen. Samen met de omwonenden maakten zij een plan voor een natuurpark. Zo is de voorgistingstank een winterverblijf voor vleermuizen geworden en een filter van 300 m² functioneert nu als bezoekerscentrum waar de geschiedenis van Neede op 24 panelen wordt weergegeven. Hier is tevens de grootste vleermuizenexpositie van Nederland!

Er is op het veilig gemaakte terrein een heuvel gevormd met daarin een klein openluchttheater wat ook als klaslokaal kan worden gebruikt. Een stuk natuurvriendelijke spouwmuur bied een beschutte plek aan insecten, vogels en ook vleermuizen. Vanaf de uitkijkheuvel zie je meteen de prachtige vleermuis in het metselwerk. Sinds 2018 is dit alles een gemeentelijk monument, daarmee is de toekomst van dit project gewaarborgd. Mijn vader werkte een groot deel van zijn leven bij rioolwaterzuivering De Bilt. Als kind heb ik heel wat uren op dat terrein doorgebracht. Erg leuk om te zien hoe Neede dit stukje industrie heeft omgezet in een prachtig en functioneel natuurpark.

De bushaltes van Rietmolen zijn voorlopig niet bereikbaar. Ik stapte uit bij Brammelo Roerink aan de Eibergsestraat. Een klein stukje verderop, bij de Assinkweg, pakte ik de route op. De vorige keer liep ik namelijk al het beginstukje vanuit Rietmolen in tegengestelde richting. Toen ik van huis wegfietste was het precies 0°C! Inmiddels stond de zon fier aan de hemel en kleurde de lucht helblauw. Op een doordeweekse dag kom je meestal niet heel veel andere wandelaars tegen. Dat vind ik eerlijk gezegd wel prettig. Dan kan ik me ongestoord helemaal onderdompelen in de natuur.

Al snel liep ik over prachtige kleine wandelpaadjes, al slingerend over Landgoed Het Lankheet. Het gebied is zo’n 500 ha groot. Het bestaat voornamelijk uit naaldbos, heide, hoogveen en vennen. Het (provincie) grensoverschrijdende landgoed tussen Haaksbergen en Eibergen heeft een geschiedenis die teruggaat tot het jaar 1188. Anderzijds zie je hier ook de meest moderne technieken op het gebied van waterzuivering, energiewinning, multifunctionele klimaatbossen, houtteelt, jeugdeducatie en jeugdzorg, kunst en theater. Ik zie inderdaad veel nieuwe aanplant in het bos. Ik was wederom aangenaam verrast door de mooie omgeving. Deze ‘achterhoek’ van de Achterhoek kende ik nog niet zo goed. Ergens in de verte hoorde ik twee vrouwen praten en lachen. Ze zaten op een prachtig plekje te lunchen, onder een grote boom aan de rand van de heide. Een eindje verderop volgde ik hun voorbeeld. Ik kan mezelf dan zo ontzettend bevoorrecht voelen.. Om zomaar op een doordeweekse dag op zo’n fantastische plek in het zonnetje mijn verse boterhammen te kunnen eten. Wat hebben we het goed!

In Het Lankheet is in 1999 weer begonnen met ‘het op traditionele wijze bevloeien van graslanden’. Zogeheten vloeimessen (halfronde ijzeren plaat aan een steel) worden gebruikt om het water in de vloeigoot te stuwen en zo geleidelijk over de graslanden te laten stromen. Het betreft een middeleeuws watersysteem waarbij lokale kwel -rijk aan kalk en mineralen- werd gebruikt om graslanden te bevloeien bij wijze van natuurlijke bemesting. Het opstuwen van water activeert het ‘verborgen’ ondergrondse watersysteem. Bronnen ‘ontwaken’, bodems van ooit drooggevallen beekjes vullen zich. Er zijn nog maar twee locaties in Nederland waar deze oude techniek wordt toegepast, op Het Lankheet en De Pelterheggen in Noord-Brabant. De techniek maakt dan ook officieel onderdeel uit van de nationale Inventaris Immaterieel Erfgoed. Met de komst van de kunstmest in de 20e eeuw is deze historische wijze van bemesten verdwenen. Het water moest nu juist van het grasland af om te voorkomen dat de dure kunstmest zou wegspoelen. Het grondwaterpeil daalde sindsdien enorm. Ik ga zeker nog eens kijken in het Twentse Waterpark. Vooralsnog is het Achterhoekse deel enorm genieten. Ik hoor allerlei vogels kwetteren en fluiten en zie de mooiste mossen en planten. Na even speuren heb ik de kloppende Bonte Specht gevonden.

Naarmate de wandeling volgde, werd het landschap meer open. Ik kwam langs boerderijen, ontdekte twee oude schuurtjes en liep een eindje langs de Koffiegoot. Officieel heet het beekje dat naar de Berkel stroomt de Middelhuisgoot. In de volksmond wordt het stroompje echter de “Koffiegötte” genoemd vanwege het bruine water, dat vanuit het Haaksbergseveen werd aangevoerd. Toch is het water niet vies. Waterschap Rijn en IJssel heeft in de Koffiegoot de zeldzame modderkruiper, bittervoorntjes, beekdonderpad en de beekprik gevonden. Mooi bewijs dat het water in de goot steeds zuiverder wordt!

Tot slot doemde in de verte de Piepermolen en kerktoren van Rekken op. De Piepermolen is vernoemd naar de familie Pieper die de molen van 1907 tot 1965 in bezit had. Nog een laatste foto van het prachtig nostalgisch bushokje gemaakt, inmiddels bekend als ‘Rekken Centraal’. Het bushokje zoals dat eerder bij tbs-kliniek Oldenkotte stond, is helemaal in de oude GTW-kleuren teruggebracht. Het gietijzeren haltebord is een schenking van het ov-museum in Doetinchem. De Rekkense smid Tim Vos heeft er een passende paal voor gemaakt. Die is zwart gelakt, zoals ooit standaard was bij de GTW-bushaltes.

𝑶𝒏𝒕𝒎𝒐𝒆𝒕 𝒅𝒆 𝑨𝒄𝒉𝒕𝒆𝒓𝒉𝒐𝒆𝒌, 𝒆𝒕𝒂𝒑𝒑𝒆 𝑹𝒊𝒆𝒕𝒎𝒐𝒍𝒆𝒏 𝒏𝒂𝒂𝒓 𝑵𝒆𝒆𝒅𝒆.

Woensdag 3 maart weer een kleine 20km door de Achterhoekse streek gestruind. De N315 tussen Neede en Rietmolen is tijdelijk geheel gesloten voor verkeer vanwege verbreding van deze provinciale weg, dus ook de bushalte nabij Rietmolen is onbereikbaar. Met wat extra kilometers kwam ik uiteindelijk toch bij de start van deze etappe

Neede kwam rond het jaar 1600 als gevolg van de ontwikkelingen in de Tachtigjarige Oorlog onder sterk calvinistische invloed. Na de verovering van de Heerlijkheid Borculo door Maurits van Oranje was in Neede alleen nog het Nederduitse gereformeerde geloof toegestaan. Volhardende katholieken verlieten Neede in eerste instantie voor verborgen missen, bij ’n Brook’n, ofwel Brammelerbroek, een buurtschap ten noorden van het toen nog niet bestaande Rietmolen. Uiteindelijk heeft dit wel geleid tot het ontstaan van het dorp Rietmolen. Op deze woensdag staat er een kleine warenmarkt voor de kerk. Aan de overzijde van de bijzonder ogende Sint-Caeciliakerk bezoek ik de oude begraafplaats. Hier bevind zich het monument voor de ongedoopte kinderen van Rietmolen.

Vroeger werden doodgeboren baby’s niet op de begraafplaats van de kerk begraven in gewijde grond. Omdat zij nog niet gedoopt waren, kregen zij een plek achter de Mariakapel onder de heg. In veel plaatsen moest men zelfs het eigen grafje graven. Tot ver in de jaren zestig waren dat de regels van de Katholieke kerk. Een gestorven ongedoopt kind was vroeger eigenlijk een taboe, hij of zij was namelijk niet verlost van de erfzonde. Er werd geen administratie bijgehouden, men weet dus niet precies hoeveel grafjes er zijn. Veel ouders weten niet eens meer precies waar hun baby is begraven. Met het monument is er nu eindelijk een plek gekomen die troost kan bieden. Het monument is gemaakt door kunstenares Anneke te Vregelaar uit Rietmolen. Hopelijk is ook het gevonden baby’tje uit ’s Heerenberg in Gods hand… 

Het dorp heeft overigens ook twee heuse beroemheden. – De broers Richard en Roeland Nales uit Rietmolen hebben een ‘ski-trekker’ uitgevonden waarmee ze sinds 2016 door de Buurserbeek kunnen waterskiën. Typisch iets van deze streek! Creativiteit, innovativiteit en handarbeid. Willen we iets, hebben we het niet, dan maken we het zelf!

Langzaamaan wandel ik het natuurgebied Het Needse Achterveld binnen. Het is één van de laatste natte heidegebieden in de Achterhoek. Het is geen groot gebied, zo’n 110 hectare. Er groeien hier echter wel heel veel verschillende bomen, struiken en bloemen. Dat maakt het een bijzonder, bijna niet-Nederlands gebied! Ik heb het gevoel ‘op safari’ en ver van de Achterhoek. Oude eiken, een verdronken Elzenbroekbos (‘broek’ komt waarschijnlijk van het Duitse “Bruch”, dat “Moeras” betekent), en niet te vergeten de heide met jeneverbesstruiken en wilde gagel. Deze struik vindt je alleen op natte zure heidegrond, wat op nog maar weinig plekken in Nederland het geval is. Op het Needse Achterveld kom je verschillende bollen tegen. De wilde gagel is op zijn mooist in april en mei, dan krijgt de struik zijn herkenbare oranje kleur. Vergeet vooral niet te ruiken aan deze plant (wrijven tussen je vingers), de citroenachtige zeepgeur zal je tegemoet komen. Vanwege deze geur werd de wilde gagel vroeger veel gebruikt voor in de bedstee (verdreef de vlooien). Ik geniet van iedere stap door dit prachtige stukje Achterhoek. Slechts een enkele keer kwam ik een andere wandelaar tegen. Ik hoorde vooral heel veel vrolijke vogeltjes.

Nabij het hoveniersbedrijf De Tuinen van Geerdink op de hoek van Waterleidingdijk – Visschemorsdijk, zag ik vanuit de verte de olifant al staan. Bijzondere creaties, zowel de olifant als het kantoor. Een stukje verderop staat daar, statig langs de buurserbeek, de nostalgische bushalte van de vroegere buurtbus lijn 192. Deze reed van Lichtenvoorde via Zieuwent en Mariënvelde naar Ruurlo. Halte Kerkplein was te vinden in Ruurlo. Hoe en waarom de bushalte hier is beland is mij tot op heden nog onbekend? Nog iets verderop aan de Waterleidingdijk nog meer nostalgie. Schuin tegenover Het Gedenkbos Neede ligt namelijk voormalig buitenbad Het Vleer dat op 2 juni 1934 officieel in gebruik werd genomen. De oude toegangshekken en duikplank zijn de laatste stille getuigen. Inmiddels is het een paradijsje voor de boomkikkers. Het was sowieso al een vaste verblijfplaats voor één van de grotere populaties boomkikkers in de Achterhoek.

Rondom Neede liggen prachtige kerkepaden. Via een aantal van deze paden bracht de wandelroute mij terug naar het busstation van Neede. Al wandelend moest ik denken aan de jaarlijkse jammarkt. Hopelijk kan hij deze zomer weer georganiseerd worden. Ieder jaar op de derde woensdag van augustus organiseert Neede deze Jammarkt. Begin 1900 stond in Neede namelijk de jamfabriek van Tuinbouwmaatschappij Gelderland. Het succes was groot, de jam ging de hele wereld over. Er werkten meer dan 100 mensen in de fabriek! Vooral in Nederlands-Indië werd er veel van de Achterhoekse jam gegeten. De economische crisis in de jaren ’30 maakten een einde aan het succes, de fabriek moest zijn deuren sluiten in 1931. Onderweg naar huis luister ik het tweede deel van de podcast ‘Het Onland’. Joost Engelberts ontrafelt stukje bij beetje de raadsels rondom de onopgeloste moord op de 12-jarige Rinie Wielheesen. De vijf afleveringen zijn een absolute aanrader! Net als de etappes van Mooi Achterhoek. Ik kijk ernaar uit om het volgende stukje Achterhoek te ontmoeten.

https://www.nporadio1.nl/podcasts/onland

Ontmoet de Achterhoek. Etappe Gelselaar via Noordijk naar Neede.

Vrijdag 19 februari beloofde een mooie winterse dag te worden, perfect voor weer een etappe ‘Ontmoet de Achterhoek’. Vanaf het station in Lievelde is Gelselaar prima bereikbaar, het beginpunt van deze etappe. De zon komt al boven de horizon uit als ik op de fiets stap.

De wandelroute begon met een rondje door de straatjes van Gelselaar. Met het standbeeld van de drie schrijvende meesters van Gelselaar tegenover het café, waaronder meester Hendrik Willem Heuvel. Hij werd bekend door zijn boek Oud-Achterhoeksch Boerenleven (1927). In 1890 werd hij hoofd van de school in Gelselaar en begon toen ook met schrijven. De andere twee zijn meester Krebbers (als enige van de drie geboren in Gelselaar) en van der Lugt. Via nostalgische klompenpaadjes kwam ik langs het andere bekende standbeeld, van de drie ganzen. In mijn vorige column beschreef ik al waarom ganzen zo symbolisch zijn voor Gelselaar. De spotnaam ‘gaanzegat’ uit het aloude rijmpje ”Borculo is een stad, Geesteren is nog wat, Gelselaar is een gaanzegat” is niet voor niets omgebogen tot de erenaam ‘ganzendorp’.

Wie zeker geen standbeeld heeft gekregen is de wonderdokter van Gelselaar, Stephanus (Asteleiner) de Hongaar. Zowel meester Heuvel als meester Krebbers schreven over deze merkwaardige emigrant. Bij ziekte en tegenslag gingen de mensen destijds liever naar een man als Stephanus dan een echte arts. In de diaconierekeningen van die tijd kwam zijn naam dan ook vaker voor dan die van de echte dokters! Stephanus was volgens hemzelf gespecialiseerd in het uitbannen van duivels en heksen en het genezen van paarden. Onderaan mijn column vind je de link naar een krantenbericht.

Al snel liet ik Gelselaar achter me en wandelde ik richting Noordijk. Met een brede glimlach wel te verstaan, wat een mooie route! Zon op mijn snoet, volop fluitende vogeltjes en heel afwisselende wandelpaden. Ik werd aangenaam verrast door de natuur in het Noordijkerveld, hier had ik nog niet eerder gewandeld. Vroeger was dit een uitgebreid heidegebied. Hiervan is slechts een klein stukje over, wat nu natuurgebied De Bollert heet. Het Noordijkerveld is tevens een waterwingebied, waar per jaar 0,7 miljoen kubieke meter water wordt gewonnen. Vanwege de hoge waterstanden en de smeltende sneeuw, waren sommige wandelpaadjes een ware uitdaging!

Het buurtschap Noordijk is vooral bekend vanwege het jaarlijkse paardensport evenement Bollert Brons. De deelnemers komen uit het hele land voor wedstrijden dressuur, springen en cross. De hindernissen worden door een speciale aankleedcommissie fantastisch versierd. Weer iets om op mijn Achterhoekse ‘moet-ik-nog-eens-naartoe-lijstje’ toe te voegen. Helaas is ook de Oale Schole nog gesloten, thuisbasis van de Historische Vereniging Oud Noordijk. Door het archiveren en bewaren van allerlei oude voorwerpen, documenten, foto’s en gebruiken, wordt er aandacht geschonken aan de geschiedenis van Noordijk en zijn bewoners. Ook maar aan mijn lijstje toevoegen. Het oude stationsgebouw is herkenbaar aan de naam ‘Noordijk’ dat nog altijd fier op de gevel prijkt. Het was ruim 20 jaar een halte aan de spoorlijn Neede- Hellendoorn (geopend mei 1910). Een huis met een verhaal.

Na een aantal modderige en drassige (klompen) paden is het beklimmen van de Needse berg een laatste kuitenbijter(tje). Deze stuwwal uit de voorlaatste ijstijd (Saalien), is met zijn 34,6 meter hoog natuurlijk geen echte berg. Bovenop deze heuvel staat de uitkijktoren en de Hollandse molen. Aan de noordkant van de heuvel ligt het dal met de Buurserbeek, in het zuiden is dat de Bolksbeek. Het hoger gelegen deel van de Needse Berg was honderd jaar geleden een heideterrein. Tegenwoordig vindt je hier het grootste esgebied van de gemeente Berkelland. Natuurlijk klom ik even omhoog, ik was benieuwd hoe ver ik vandaag kon kijken. Tot in Duitsland!

Vanaf de heuvel daalde ik af naar het centrum van Neede. De geboorteplaats van Willem Sluyter, predikant en dichter. Beroemd zijn de door hem geschreven dichtregels ‘Waer iemand duisent vreugden soek Mijn vreugt is in dees’ achter-hoek’. Ik kan van alles over hem gaan vertellen, ik kan dat echter veel beter overlaten aan Arend Heideman. In Eibergen bezocht ik één van zijn lezingen over Willem Sluyter en heb daar veel van opgestoken. Arend kan prachtig en vol passie vertellen over deze Achterhoekse beroemdheid. Op Facebook heeft hij een leuke pagina: Willem Sluiter en zijn Achterhoek. Er komen tal van interessante en vermakelijke anekdotes voorbij. Hij schreef vanuit zijn passie voor cultuurhistorie en poëzie het boek ‘Willem Sluiter anno nu, de kleine leeuwerik. Via de link hieronder kom je op zijn zeer informatieve website, inclusief een prachtige Willem Sluiter auto,- of fietsroute. http://www.willemsluiter.nl

Voor de grote kerk in Neede staat een monument dat de Needenaren herinnert aan het eens zo prachtige postkantoor. Het was volgens de inwoners een statige architectonische villa, een ontmoetingsplek. Tot ieders teleurstelling werd het in 1978 gesloopt. Toen de Historische Kring Neede zijn 40e verjaardag vierde, gaven zij het monument cadeau aan de Needse gemeenschap. Het was namelijk de sloop van het postkantoor, die aanleiding vormde om de actiegroep Oud Neede (voorloper van de Historische Kring) op te richten. Leuk om zo ook als jonger persoon meer te ontdekken over het verleden van de Achterhoekse streek. En ook deze wandelingen brengen me op heel veel prachtige nieuwe plekjes! Ik kijk uit naar de volgende etappe van Mooi Achterhoek.

https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMSAEN01:000055124:mpeg21:a0070

Lievelde, ontmoet de rust en ruimte.

Vrijdag 12 februari een winterwandeling niet al te ver van huis. Het openbaar vervoer is nog niet helemaal op schema gezien de winterse omstandigheden. Vanaf huis wandel ik in een kwartiertje naar de bushalte, waar de bus mij naar het treinstation in Lievelde brengt. Niet om verder te reizen, vandaag wandel ik nog maar eens door Lievelde. Bedekt onder de witte laag sneeuw ziet alles er vast weer heel anders (mooi) uit (ondanks de straffe oosten wind).

Al snel stop ik om mijn spiegelreflexcamera tevoorschijn te halen. Het witte weidse landschap is prachtig, op de achtergrond het klooster. Huize Loreto is een voormalig klooster van de paters Maristen, die daar tot juli 2011 woonden. In 1951 werd het klooster gesticht door de paters Maristen als studiehuis van de congregatie. In 2015 werd het klooster gekocht door de Koptisch Orthodoxe Kerk Nederland. Ik kreeg er in 2019 een prachtige rondleiding, dit fotovertelsel vind je via deze link: https://klomptgoed.nl/2019/04/16/klooster-loreto-lievelde

Even verderop aan de brakerweg ligt de mij wel bekende onderduikershut. Daar hebben tijdens de oorlog diverse mensen ondergedoken gezeten: een Britse piloot, een deserteur uit het Duitse leger, een Poolse soldaat die deserteerde uit het Duitse leger en twee Nederlanders die weigerden voor de Arbeitseinsatz te werken. Zij werden van eten voorzien door mevrouw Weenink-Stoverink, die in een boerderij vlakbij woonde. Het leek erop alsof de berg sneeuw het dak van het schuurtje heeft doen bezwijken? De onderduikershut zelf ligt nog een eindje verder aan het pad. Aan de Bellenbroeksdijk was het een drukte van belang! Vanaf de ijsbaan Lievelde kwamen de vrolijke stemmen en muziek me al tegemoet. Het is een goed georganiseerde ijsbaan met veel voorzieningen. Om te kijken heb je eigenlijk ook een ticket nodig. Vanaf het weiland aan de achterzijde kon ik gelukkig (op gepaste afstand) toch even wat mooie winterse plaatjes schieten.

Ik wijk heel even van de route af om ook een kijkje te nemen bij de andere ‘onderduikplek’ in Lievelde, namelijk bij de bunker aan de Grensweg. Deze werd in de oorlog gebruikt door de Duitsers. Enige tijd na de bevrijding nam Aaltje Kraake stilzwijgend haar intrek in de bunker. In 1949 kwam zwerver Fokke Rotman ook in de bunker wonen, en zo had Lievelde er twee markante inwoners bij! Uiteindelijk komt er naast de bunker op kosten van de gemeente Lichtenvoorde een houten woninkje ad f 756,12. De St. Vincentiusvereniging Groenlo en het R.K. Armbestuur in Lievelde dragen in maart 1955 de kosten voor het beddengoed en de verdere inrichting. In 1958 overlijd Fokke en verlaat Aaltje het woninkje. In 2005 was de woonkeet verdwenen, van de bunker was slechts een zandkuil en enkele muurresten over. Vrijwilligers van de vereniging voor Agrarisch Natuurbeheer Groen Goed in Lievelde hebben in 2005 de bunker zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht. Op de site van de Vereniging Oudheidkunde Lichtenvoorde vind je het uitgebreide verhaal. In 1984 bouwde Corsogroep Teeuws zelfs een wagen ter ere van Aaltje en Fokke, zo bekend waren ze dus in de omgeving. Toen ik het verhaal voor het eerst las, was dat voor mij HET bewijs van het lange bestaan van het Achterhoekse naoberschap. Was dit in het westen gebeurt, dan was de kans wel erg groot geweest dat ze zonder enig schroom waren weggestuurd.. En wat doet men hier? Er werd gezorgd voor betere omstandigheden, geheel passend bij de leefwijze van Aaltje en Fokke.

Het natuurgebied Koolmansdijk heb ik leren kennen tijdens mijn training voor Gastvrouw van het Landschap Oost-Gelre. We kregen toen een uitgebreide en interessante rondleiding door het gebied van een gids van Staatsbosbeheer. Hij nam ons mee over het wandelpad (laarzenpad) dwars door de velden, normaal nat en drassig maar toen dus even niet. Het jaar 2018 waren immers dramatisch droog. De (normale) hoge waterstand van dit natuurgebied, aan de rand van het Oost-Nederlands Plateau, was altijd al ellende voor de boeren. De voormalige maisakkers en intensief gebruikt grasland zijn inmiddels veranderd in een zeer divers en gezond stuk natuur. In 2001 is de zwaar bemeste bodem afgegraven, in 2006 bloeiden de eerste orchideeën! De unieke ligging zorgde voor dit enorme zelf herstellend vermogen. De ondergrondse kleilaag zorgt voor een sterke opwaartse stuwing van kalkrijk grondwater in dit zogeheten blauwgrasland. Door wat ooit als ‘kwaliteitsverbetering’ gezien werd (gebruik van kunstmest, verlaging grondwaterstand, verzuring) is er nog maar heel weinig blauwgrasland in Nederland, slechts 30ha. De vele soorten orchideeën waren die herfst natuurlijk allang uitgebloeid.

En ook vandaag zal ik die zeker nog niet gaan spotten, maar wat heb ik genoten van dit gedeelte van mijn sneeuwwandeling! De gele paaltjesroute volgen was allesbehalve gemakkelijk. Er waren mij slechts enkele wandelaars voor gegaan de afgelopen dagen, ik zakte dan ook diep weg in de gigantische sneeuwlaag. Gelukkig dat ik wel iets van een spoor kon volgen, want nu en dan kraakte het kwelwater flink onder mijn voeten. Keurig vanaf het wandelpad heb ik immens genoten van de rust en de ruimte, de route doet zijn naam alle eer aan. Prachtig om alle wildsporen dwars door de velden en weilanden te zien gaan.

Zo langzaamaan brengt de rondwandeling mij terug naar het treinstation. Nog even een paar winterse foto’s maken bij Loco Lievelde. Jammer dat ik er nu niet even neer kan ploffen voor één van hun heerlijke (vega) burgers. Mijn meegebrachte boterham en warme thee smaken gelukkig ook prima. Al met al een kleine 20km gewandeld.

Ontmoet de Achterhoek. Etappes Gelselaar via Geesteren naar Borculo.

De tweede wandeling uit de reeks Ontmoet de Achterhoek bracht mij van Gelselaar naar Geesteren Gld met als eindpunt Borculo (23km). Tegenwoordig is Geesteren in de winter goed bereikbaar. In heel, heel vroeger tijden was dat wel anders. Het dorp lag veel lager dan het omliggende moeras,- en veengebied waardoor het in de winter vaak overstroomde en vervolgens onbereikbaar was.

Gelselaar is mij zeker niet onbekend. Als het even kan bezoek ik iedere zomer de jaarlijkse ganzenmarkt. Men demonstreert oude ambachten, er zijn diverse kunstexposities en tal van kinderen (in historische klederdracht) doen mee aan de verkiezing beste ganzenhoed(st)er van het jaar. Vlak buiten het centrum bevind zich de permanente Gelselaarse ganzenweide en het levensgrote ganzenbordspel. Via een klompenpad vanuit het dorp brengt de wandelroute je naar deze plek. Op de graslanden rondom Gelselaar worden al eeuwen lang ganzen gehouden. Het laaggelegen gebied is erg nat, en daarom minder geschikt voor agrarische doeleinden. Bijna alle gezinnen hadden hun eigen koppel ganzen goed voor dons, vlees en eieren. In vroeger tijden was een ‘kiekevisite’ dan ook niet ongebruikelijk! Ging je in ondertrouw, dan toonde je het nieuwe donzen beddengoed aan de naobers en familie. Toen het Twentekanaal werd aangelegd in 1930 verbeterde de waterhuishouding enorm. Zo verdween langzaamaan de ganzenhouderij, ook mede de snelle ontwikkeling in landbouw. Gelukkig kun je tijdens die jaarlijkse ganzenmarkt nog even proeven van vervlogen tijden.

Net achter het levensgroot ganzenbord vind je de restanten van Havezate Bevervoorde. Veel is er niet bekend over dit versterkte huis dat in 1326 de naam ‘thus Geldesler’ droeg. De naam veranderde meerdere malen (Wiskinck, Mensinck, ’t Jonkeren). De laatste van Bevervoorde overleed kinderloos waarna de havezate sterk in verval raakte. Halverwege de 19e eeuw zijn er op kadastrale kaarten amper nog een spoor terug te vinden van Bevervoorde. Om het verdwenen kasteel weer zichtbaar te maken wordt de stichting ’t Jonkeren opgericht. In 2003 zijn de oude grachten weer uitgediept en met jonge aanplant worden de oude contouren van de havezate weer zichtbaar gemaakt. Het is leuk om er even een kijkje te nemen.

Nog meer klompenpaden en zandwegen brengen me op deze koude dag naar Geesteren. De eerste etappe zit erop. Hier was ik nog niet eerder dus neem ik even de tijd om het dorp te verkennen. De hervormde kerk op het marktpleintje valt meteen op door het bijzondere dak. Namelijk een zadeldaktoren met trapgevels, uniek voor onze streek. Diverse steegjes bieden uitzicht op de toren. Behalve een windhaan, heeft de kerk ook een windhen. Ook dat schijnt nogal bijzonder te zijn.

In het dorp staat (langs de wandelroute) een bronzen beeld van een vrouw met in haar hand een boodschappentas en aan haar voeten zit een hond. Het beeld verwijst naar de legende van de Sprakelberg, een kort verhaal dat in 1892 werd geschreven door Daniël  Martinus Maaldrink (predikant en schrijver uit Geesteren). Een inwoonster van Geesteren vatte het 160 pagina’s tellende verhaal kort samen. Onderaan deze blog vind je de link naar de legende.

Dat Borculo, mijn eindpunt van vandaag, in 1925 werd getroffen door een catastrofale stormramp wist ik wel. Massa’s ramptoeristen (in twee weken tijd een half miljoen mensen) kwamen naar de Achterhoek en veroorzaakten lange files, in die tijd een zeer bijzonder gebeuren omdat er toen nog helemaal niet zoveel auto’s waren! Er werden zelfs betaalde busreizen georganiseerd. In het Stormrampmuseum (Borculo) kun je meer te weten komen over deze natuurramp. Dat Geesteren in 1988 ook werd geteisterd door een gigantische windhoos, was mij niet bekend. Op de 25e juli dat jaar vierde Geesteren zijn 1000-jarig bestaan. Aan het feest kwam echter een abrupt einde door een verschrikkelijk noodweer. Een gigantische windhoos trok zelfs de grote feesttent van de grond!

Even buiten het dorp wandel ik langs korenmolen de Ster. Deze molen is niet dezelfde molen zoals hij werd gebouwd in 1859. De molen werd maar liefst drie maal door de bliksem getroffen en brandde drie maal geheel af (1866, 1900, 1902). Een houten lijst langs de weg geeft een mooi doorkijkje op de molen. Jammer dat het winkeltje gesloten is, niets is zo lekker als pannenkoekenmeel gekocht bij een Achterhoekse korenmolen! Via een paadje dwars door de weilanden verlaat ik de omgeving van Geesteren.

Na een prachtig wandelpad langs de Berkel kom ik uit bij Villa Beekvliet. Het statige huis ligt er idyllisch bij, zo aan de Slinge. Het in neo-renaissancistische stijl gebouwde zomerverblijf is behoorlijk zeldzaam in deze regio. In 1902 lieten twee zussen de villa bouwen. De wandelroute loopt door het mooie natuurgebied rondom de villa. Even verderop wandel ik door Buurtschap de Heure, Borculo. Een prachtige wandeling langs boerenerven en de allerdikste fladderiep van Nederland! Rond 1835 werd de boom hier geplant en heeft inmiddels een omtrek van ruim 6 meter. De bloesems hangen aan lange stelen in bundeltjes bij elkaar waardoor ze soms fladderen in de wind. Vandaar de naam.

Vlak voor het einde van deze route loop ik langs het boothuis van Stichting de Berkelzomp, in 1987 opgericht door een aantal vrijwilligers. Zij wilden graag de authentieke Berkelzomp herbouwen en er ook weer mee gaan varen zodat toeristen de aloude berkelvaart opnieuw kunnen beleven. Het Waterschap had nog een oude bouwtekening van de Berkelzomp in bezit. De Technische school van Borculo was nauw betrokken bij de bouw van de nieuwe Berkelzomp die op 27 april 1989 in Borculo te water werd gelaten. De zomp werd vernoemd naar één van de laatste Berkelschippers, Gerard Wolfs, bijnaam de Jappe. Wil je meer lezen over het leven van deze laatste Eibergse Berkelschipper klik dan op de link onderaan mijn blog.

Zijn boerderijtje (uit 1850) dat zich bevond in Holterhoek is overigens afgebroken en herbouwd op camping De Vlierhof in Eibergen waar het nu wordt verhuurd als groepsaccommodatie. De oorspronkelijke materialen zijn zoveel mogelijk hergebruikt en binnen heerst nog de authentieke sfeer van weleer. Mocht ik de buurt zijn, ga er zeker even langs.

Legende van de Sprakelberg

Laatste Berkelschipper de Jappe

𝑶𝒏𝒕𝒎𝒐𝒆𝒕 𝒅𝒆 𝑨𝒄𝒉𝒕𝒆𝒓𝒉𝒐𝒆𝒌. 𝑬𝒕𝒂𝒑𝒑𝒆 𝑩𝒐𝒓𝒄𝒖𝒍𝒐 – 𝑹𝒖𝒖𝒓𝒍𝒐.

Omdat ik heel graag ieder hoekje van de Achterhoekse streek goed wil leren kennen, heb ik me voorgenomen in 2021 de wandeletappes van Ontmoet de Achterhoek te volgen. Zaterdag 9 januari lip ik de etappe Borculo – Ruurlo. Het beloofde een mooie dag te worden, dus vroeg uit de veren. Om 08.30 uur stapte ik in de trein naar Ruurlo om vandaaruit de bus naar Borculo te nemen. Tussentijds had ik voldoende ruimte om even naar Kasteel Ruurlo te wandelen. Het kasteelpark is altijd vrij toegankelijk en had vandaag een magische wintersfeer door het witte laagje rijp.

Eenmaal in Borculo wilde ik graag iets meer zien dan de plekken die de route aandoet. Flink doorstappen was er niet bij, het dorp was één grote ijsbaan! Op 19 december 2015 werden er door de Ridders van Gelre (Omroep Gelderland) ter ere van het 400-jarig bestaan van Heerlijkheid Borculo vier muurgedichten onthuld, waaronder die van Erika Löwenberg. Haar gedicht is te zien op de muur van de synagoge. De familie van Erika had een winkel aan de Steenstraat, zij gingen de boer op om textiel te verhandelen. De roodharige Erika raakte bevriend met Hennie, dochtertje van bakker Veldink. Erika schreef een gedichtje in het poesiealbum van Hennie dat altijd bewaard is gebleven. Dit gedichtje prijkt nu dus op de muur van de synagoge. Erika werd geboren in Ochtrup op 12 mei 1928. In 1936 vluchtte zij met haar ouders naar Nederland. Op 18 november 1942 werd zij weggevoerd. Zij overleed op 10 september 1943 in kamp Auschwitz. Er is ook nog een ander gedicht met betrekking tot Erika aan de synagoge verbonden, namelijk over kabouter Erika. In 2020 werd door de Stichting Borculo ‘Beleef de Berkelstad’ een kabouterroute gemaakt. De route brengt kinderen langs bijzondere plekken uit het verleden, waar zich de door Joske Elsinghorst (Overal Kansen) ontworpen kabouterdeurtjes bevinden. In het routeboekje staat het gedichtje over kabouter Erika:

Hier bij de synagoge woont kabouter Erica
Hier voelt zij zich vrolijk en fijn
Samen met andere Joodse kabouters Rita en Sallo
en ook Saartje en Hein
In het Joodse geloof en de gebruiken
Voelt Erika zich helemaal thuis
Ze begrijpt niet, dat er ooit mensen waren
Die Joden verjoegen uit hun huis
In die oorlog werd je gestraft
als je anders was dan de rest
Terwijl verschillend zijn zo prachtig is
Als we dat blijven vieren is dat toch het best

Het is prachtig wandelweer. Deze etappe brengt me onder andere langs het Galgenveld, een gebied van ongeveer acht hectare even buiten Borculo. Volgens de verhalen verwijst de naam terug naar de periode rond 1600. De Bisschop van Münster zou een gedeelte ervan hebben gebruikt om de ter dood veroordeelden te verhangen. Rond 1930 begon me met het uitgraven van een waterplas, natuurlijke bronnen zorgden voor schoon water. Op 1 juni 1935 werd het natuurbad feestelijk geopend. De regionale functie was uniek voor die tijd. Op 29 mei 1992 werd ‘Zwembad annex Openluchttheater ’t Galgenveld’ wederom officieel geopend. In mei 2015 werd een replica van de grote houten toegangspoort geplaatst zoals die er stond in 1935.

Museum de Lebbenbrugge is helaas gesloten. Blijft dus op mijn lijstje van nog te bezoeken Achterhoekse musea staan. Het oudste gedeelte (achterhuis) van dit Nedersaksisch boerenhuis is waarschijnlijk rond 1400 gebouwd. Het voorhuis is waarschijnlijk halverwege de 16e eeuw gebouwd, toen de Lebbenbrugge tevens jachthuis van de Heer van Borculo werd. Het museum ligt aan een oude Hessenweg (handelsweg). Het was hier in de 17e eeuw zo druk met zogeheten kiepkearls dat de Staten van Gelderland in 1679 besloot dat de Heer van Borculo tol mocht vragen bij de boerderij. Zo kreeg het dus de functie van tolhuis. Op de voorgevel staan de toltarieven zelfs nog vermeld. Niet veel later konden de reizigers en handelaren er ook wat drinken en zelfs overnachten, het tolhuis werd toen tevens herberg. Tijdens de vredesonderhandelingen in Münster kreeg de boerderij tijdelijk de functie van postkantoor, één van de eerste postkantoren van ons land! Sinds 1934 is het als museum in gebruik.

Het kleine trekpontje brengt me naar de overzijde van de Slinge. Langs de oever wandel ik verder langs wat ook wel de ‘ijsvogelroute’ wordt genoemd. En waarachtig, binnen enkele minuten zie ik het kleine blauwe vogeltje langs het riet fladderen! Op landgoed Beekvliet is het volop genieten van de schitterende natuur. Ik loop langs akkers, weilanden, oude houtwallen en singels. In het bos staan talloze oude zomereiken van bijna 200 jaar oud. Op de heide heerst nog steeds die magische sfeer door het witte laagje rijp.

Bij Schaapskooi Beekvliet houd ik even rust. De achtkantige schaapskooi is behoorlijk uniek, namelijk één van de allerlaatste van dit soort in Nederland. De wandelpaden rondom Ruurlo zijn mij niet onbekend, hier wandelde ik al vele malen eerder. Niettemin is het altijd weer genieten, want wat is de natuur hier mooi! Natuurlijk neem ik weer even een foto van de beroemde handwijzer uit de televisieserie ‘De Zevensprong’ uit 1982. Joost Prinsen was één van de acteurs. Vroeger vond ik dat een serieus enge man.. Terug op station Ruurlo geeft mijn wandelnavigatie aan dat ik ruim 20 kilometer heb afgelegd. Mijn nieuwe wandelschoenen zijn meer dan goedgekeurd.

Als je meer wilt lezen over de familie van Erika:

https://hisvebo.nl/emma-lowenberg/

Over oude Hessenwegen.

Vrijdag 21 februari was de eerste bijeenkomst in 2020 van Stichting Achterhoek weer Mooi. Op het programma stond een bezoek aan Hanzestad Doesburg. Zo’n dertig deelnemers, waaronder ikzelf, verzamelden zich bij De Roode Tooren. Het museum, dat sinds eind jaren ’70 is gevestigd in het voormalig politiebureau van Doesburg, heeft naast de permanente tentoonstellingen ook wisselende exposities. De huidige expositie ‘Hessenwegen en Kiepkerels in de Achterhoek’ is voor Stichting Achterhoek weer Mooi (kortweg StAM) met name interessant vanwege de oude hessenwegen/ handelspaden die her en der nog in het Achterhoekse landschap te vinden zijn.

Hessenwegen in Nederland zijn wegen die werden gebruikt van eind 17e eeuw tot begin 19e eeuw door Duitse handelaren. Van oorsprong kwamen zij hoofdzakelijk uit het Duitse Hessen en trokken zij via de Achterhoekse streek naar het westen, veelal naar Amsterdam. Al snel werden handelaren uit andere Duitse regio’s, vanwege hun taal en beroep, ook Hessen genoemd. De IJssel vormde voor de voerlieden (handelaren) een barrière. Alleen bij Zwolle, Deventer, Zutphen, Doesburg of Arnhem konden zij de rivier oversteken. De meest gebruikte route (oudste, gemakkelijkste en veiligste) liep via Zwolle. Toen in 1643 de schipbrug bij Doesburg in gebruik werd genomen, was dat voor veel voerlieden een reden om hun route te verleggen en hier de rivier over te steken. Dat het al snel één van de belangrijkste Hessenroutes in ons land werd, kan worden vastgesteld aan de hand van snel stijgende opbrengsten van tol-, en bruggelden.

Doordat sommige Hessenwegen (zandwegen) veel gebruikt werden, ontstonden er soms diepe sporen op de route. Meestal losten de voerlieden dat op door naast het bestaande spoor een nieuw spoor te gaan maken (er bestonden toen nog geen standaard as-breedten voor de karren). In sommige gebieden hadden de Hessenwegen dan ook een breedte van een paar honderd meter! De Hessenkerels waren in de Achterhoek legendarische figuren. Een aantal gezegden herinneren hier nog aan zoals: hi-j vret as ’n Hesse! In de Achterhoek vind je ook nog vele herbergen die met het Hessenverkeer verbonden waren, zoals Het Wapen van Heeckeren in Hummelo. Niet alle Duitse handelaren trokken door naar Amsterdam. Sommigen trokken rond langs de dorpen en afgelegen boerderijen met een grote korf (kiep) op hun rug om hun koopwaar te verhandelen. Zo kregen deze marskramers al snel de bijnaam ‘kiepkearl’. Deze kiepkearls gebruikten meestal een netwerk van bestaande voetpaden (kerkepaden/ lijkwegen) in plaats van de voor hen moeilijk begaanbare Hessenwegen. Het Doesburgsepad (tussen Hummelo en Drempt) was zo’n handelspad.

Na het bezoek aan de expositie bij het museum kregen we een rondleiding door de Martinikerk in Doesburg. De kerk, gewijd aan Sint Maarten, werd in 1235 gebouwd als Romaanse kerk. De kerk en toren werden in de loop der jaren door vele rampen getroffen. Op verschillende panelen in de Martinikerk wordt deze hele geschiedenis weergegeven. In 2015 werd de kerk opnieuw ingericht voor multifunctioneel gebruik, zo vind je nu achter in de kerk een keuken, toiletten en een winkeltje. Een prima plek dus voor STaM om de laatste stand van zaken betreffende de landschapsmonumenten te bespreken. Van iedere deelnemer wordt namelijk gevraagd een door hem of haar gekozen landschapsmonument in eigen omgeving te gaan onderzoeken en beschrijven.

Eén van de deelnemers, Bernard Berendsen, vertelde vandaag wat meer over zijn modelbeschrijving van een landschapsmonument. Het Brook is een stuk bos in buurtschap het Woold in de gemeente Winterswijk. Het bosperceel is onderdeel van Scholtengoed Het Roerdink. Oude historische kaarten geven een goed beeld van de grens en de landweren. Zo ontdekte Bernard dat op sommige plekken de aarden wal wel twee meter hoog was. Op de Algemene Hoogtekaart Nederland was de oude gracht van Het Roerdink nog te zien. In de brochure ‘Winterswijk: een nieuwe kijk op oude bossen’ vond Bernard informatie over de verschillende boomsoorten in het stukje monumentale bos. Bernard is nu ongeveer halverwege de modelbeschrijving van Het Brook. De volgende stap is in gesprek gaan met verschillende eigenaren.

Tot slot kregen we nog een boeiende presentatie van Davy Kastelein (archeoloog voor de gemeente Zutphen en de regio Achterhoek) over de Gasthuiskerk in Doesburg. De protestantse kerk werd gebouwd in de 14e eeuw, waarschijnlijk als ziekenzaal. Van oorsprong was het kerkje namelijk een gasthuis met kapel. In 1354 werd de eerste priester aangesteld en in 1402 kwam het eerste altaar waardoor het gebouw een specifieke kerkfunctie kreeg. Davy deed met zijn team verschillende opgravingen in en rondom de kerk. Langs de buitenmuur vond men vele skeletten. Nader onderzoek liet zien dat bijvoorbeeld één van hen een soldaat moest zijn geweest (vele verwondingen aan schedel en lichaam). Twee bijzondere skeletvondsten zijn permanent te zien in het museum De Roode Tooren. De meest bijzondere vondst was wel een zilveren penning uit Lund (nu Zweden, toen Denemarken). De munt werd geslagen tussen 1286 en 1319 onder koning Erik Menved, en vrij zeldzaam (er zijn enkele vondsten bekend in Zutphen en Kampen). Het toont de vroege handelscontacten aan van Doesburgse handelaren met Denemarken. Daar hadden we natuurlijk al van alles over gezien bij de expositie.

Het was weer een waardevolle en leerzame middag door Stichting Achterhoek weer Mooi! Ik weet in ieder geval alweer veel meer over die mooie Hanzestad Doesburg. Het museum De Roode Tooren is gratis toegankelijk en de expositie is zeker een bezoekje waard.

roodetooren
Expositie over Hessenwegen en Kiepkearls in museum De Roode Tooren.

Martinikerk
Rondleiding door de Martinikerk te Doesburg.

Kasteel Slangenburg.

Sinds de veertiende eeuw was het kasteel in handen van een hele reeks kasteelheren uit het geslacht Van Baer (ruim tweeënhalve eeuw). De eerste vermelding hiervan was in het jaar 1354 (Maes Thomas Van Baer). De laatste bewoner uit die familie was generaal Frederik Johan Van Baer. Daarna is de Slangenburg vaak van eigenaar veranderd. Meestal door vererving, maar ook tweemaal door verkoop. De laatste verkoop vond plaats in 1895 toen de Duitse houthandelaar en grootindustrieel Arnold Passmann uit Duisburg (vestingstadje Ruhrort) het kasteel en aangrenzend landgoed kocht van de familie Van der Goltz. Eigenlijk alleen maar vanwege de hoeveelheid hout die er te kappen was. Bij het eerste bezoek aan zijn kasteel was hij echter meteen zo enorm verknocht aan het huis en de omgeving dat het de bestemming van buitenhuis kreeg. Na de oorlog werd Slangenburg als “vijandelijk vermogen” van de Passmann familie ontnomen en verbeurd verklaard. Het kasteel kwam onder beheer van het Nederlands Beheersinstituut voor vijandelijke en foute vermogens. Al snel gaven zij het landgoed in handen gaf van Staatsbosbeheer. Sinds de jaren vijftig is Rijksgebouwendienst verantwoordelijk voor het onderhoud van het kasteel en beheert Staatsbosbeheer het landgoed.

Frederik Johan Van Baer verloor zijn vrouw Dorothea Petronella na een ernstige ziekte toen ze pas anderhalf jaar getrouwd waren. Frederik is nooit hertrouwd en verrijkte de Slangenburg met schilderingen op muren en plafonds die hem constant herinnerden aan zijn geliefde vrouw. Daarbij werden de toepasselijke Romeinse/ Griekse mythologische voorstellingen toch wel iets aangepast: veel schilderingen bevatten elementen die te maken hebben met de liefde van Fredrik voor zijn vrouw of met het alleen achterblijven van hemzelf. Je zou hiermee kunnen zeggen dat kasteel Slangenburg wel iets weg heeft van Paleis Huis ten Bosch in Den Haag. In de Oranjezaal liet Amalia van Solms schilderingen en schilderijen aanbrengen om haar overleden man Frederik Hendrik van Oranje te eren. In kasteel Slangenburg deed Frederik Johan van Baer in deze zelfde eeuw dus iets soortgelijks.

Van Baer was behalve officier en kunstliefhebber ook een uitstekend landbouwkundig econoom. In die tijd lag het kasteel in een eenzame streek omgeven door heidevlaktes en vochtige bossen. Hij kocht van de stad Doetinchem een groot stuk van die heide. Dwars over het terrein legde hij een uitgebreid lanenstelsel aan (in de vorm van een trapezium) dat nog steeds in zijn originele vorm aanwezig is en daardoor uniek in Nederland en Europa. Een groot deel van de heide werd ontgonnen en bebost met eiken, beuken en dennen. In 1679 legde hij ook het park rondom het kasteel aan in de toen geliefde formele parkstijl. Hiervan is weinig bewaard gebleven. Frederik bouwde het kasteel zoals hij die erfde (die toen alleen bestond uit de westelijke toren met aangrenzend bouwwerk) uit tot het huidige kasteel in U-vorm. Toch zijn vooral in het kasteel zelf de sporen van Frederik nog zichtbaar. Zijn liefde voor de natuur en de landbouw zie je terug in de vele schilderijen en prachtige uitgesneden vruchten en akkerproducten in lambriseringen en houten lijsten.

Het kasteel wordt gebruikt als zelfstandig gastenhuis. Het enige dat voor publiek toegankelijk is, is de kapel van het klooster. Tenminste tot begin van dit jaar, want tijdelijk zijn er exclusieve rondleidingen door het kasteel. Dat wilde ik als Gastvrouw van het Landschap Gemeente Oost Gelre uiteraard niet missen! Dat het kasteel tegenwoordig de functie van luxe pension heeft (18 gastenkamers) is niet zomaar. Dat komt omdat het kasteel ooit het thuis was van de benedictijner orde. In 1945, na de confiscatie door de Nederlandse staat stond het klooster leeg, te huur. De monniken wilden zich ook graag vestigen in het oosten van Nederland. Zij konden het kasteel toen huren. Vanuit de Slangenburg hebben zij toen de nog steeds bestaande Sint Willibrordsabdij gebouwd, iets verderop gelegen. De benedictijnen hadden als regel dat een men passanten (pelgrims) een onderdak moest kunnen bieden. Dat is de reden dat er nu nog steeds geslapen kan worden in het kasteel. De rondleiding begint met een stukje historie (en een kop thee) in het koetshuis door de gids. Ik had me thuis alvast een beetje ingelezen. De rondleiding begint in het oudste gedeelte van het kasteel, de toren en drie aangrenzende vertrekken. Het was gelukkig heerlijk behaaglijk in de oude waterburcht. Iedere gids heeft zo zijn eigen favoriete verhaal, de onze kon zeer veel vertellen over de schilderingen op muren en plafonds. Welke mythen en sagen bij welke schildering horen. In de grote zaal bleek hij ook nog eens uitstekend piano te kunnen spelen. Al luisterend en bewonderend wandelden we ruim een uur door het kasteel. Het nieuwe gedeelte is duidelijk veel eenvoudiger als het oude oorspronkelijke deel. Dat maakte de rondleiding niet minder bijzonder! Ik vond het geweldig om nu eens de binnenkant van de kasteelmuren te kunnen bekijken, ik kan het iedereen van harte aanbevelen. Na de rondleiding stond er nog een drankje klaar in het gezellige koetshuis.

Meer foto’s onder Portfolio -Kasteel Slangenburg-

DSC_2645-2

Vlasrokkendag.

Het verbouwen van vlas gebeurt al eeuwenlang in Nederland, het liefst op kleigrond. Van de 17e tot en met de 19e eeuw was er een levendige en belangrijke vlasindustrie in Zieuwent. Het dorp stond tot i de verre omstreken bekend om de goede kwaliteit van het vlas, “alleruitmuntendst vlas” zelfs volgens een boek uit 1840. Enkele boerderijnamen herinneren nog aan deze periode (Waevas, Pelleweaver, Vlasheuvel). Een van de Achterhoekse vlasspinners vertelde me dat er tegenwoordig eigenlijk alleen nog in Zeeuws-Vlaanderen vlas wordt verbouwd.

Zaterdag 11 januari 2020 vond de allereerste Achterhoekse Vlasrokkendag dan ook plaats in Zieuwent. De Oudheidkundige Verenigig Zuwent had de Achterhoekse Vlasspinners die dag uitgenodigd om in het Buurt-, en Clubhuis ’t Kevelder hun kennis en kunde op het gebied van vlas verbouwen, bewerken, spinnen en linnen weven te demonstreren aan belangstellenden. De spinners hadden verschillende soorten spinnewielen meegebracht, zo ook het Achterhoekse wiel. Zij hadden tevens hun linnencollectie meegenomen. Ook de Oudheidkundige Vereniging toonde linnen textiel uit hun eigen collectie zoals doekrollen en ondergoed, alles afkomstig uit Zieuwent.

In onze huidige maatschappij is er een groeiende belangstelling naar duurzame, eerlijke, biologische en klimaatneutrale kleding. Zo is er dus volgens de Achterhoekse vlasspinners ook een groeiende interesse in het werken met vlas en linnen. De katoenteelt behoort tot één van de meest water-verslindende gewassen (één kilo katoen kost ongeveer 8000 ltr water, waarvan 72% regenwater). De vlasteelt daarentegen verbruikt nog niet de helft van die hoeveelheid water en heeft ook veel minder bestrijdingsmiddelen nodig. Helaas is de kennis en kunde op dit gebied volgens de Achterhoekse vlasspinners nogal verspreid en ook moeilijk te achterhalen. Vandaar deze Vlasrokkendag in ’t Kevelder in samenwerking met de Oudheidkundige Vereniging Zuwent. Niet alleen een mooie manier om een prachtig stukje authentieke nijverheid te demonstreren, zeker ook om meer kennis naar boven te halen en deze veilig te stellen voor de toekomst. Missie geslaagd! Het was een druk bezochte eerste editie met belangstelling van verschillende regionale omroepen en dagbladen.

Vlas, wat is dat nou eigenlijk? Een stengelvezelplant vertelt één van de spinners mij, net als Hennep. Het gaat uiteindelijk om de vezelbundels. Deze zitten met pectine vast op de houtachtige binnenkant. Textielvlas wordt gezaaid rond de 100e dag in het nieuwe jaar (begin april), zo’n 2400 zaadjes per m². Na ongeveer 100 dagen vind de oogst plaats, als de onderste blaadjes geel worden. De plant wordt met wortel en al uit de grond getrokken, en na één à twee dagen drogen in bossen gebonden om na te rijpen en te bleken. Het vlas bloeit met witte of blauwe bloemen. Blauw bloeiend vlas heeft fijnere vezels en is daardoor zwakker van wit bloeiend vlas.

De eerste belangrijke bewerking noemt men ‘repelen’, het oplossen van de pectine. De vlasstengels worden door een grove kam gehaald die de zaadbollen van de stengels trekt. Soms gebruikt men ook een zware houten hamer om de zaadbollen mee kapot te slaan. De tweede belangrijke bewerking is het ‘roten’ van de stengels. De meest eenvoudige en goedkoopste manier is ‘dauwroten’. De vlasstengels werden dan enkele weken op het land uitgespreid. Onder invloed van dauw, regen en zon ontstaan er schimmels die de pectine oplossen en het vlas een mooie grijze kleur geven. Geel vlas ontstaat door te roten in stromend water. Na het roten moet het vlas weer drogen.

Voor de beste vezelkwaliteit werd het gerote en gedroogde vlas een paar maanden bewaard voor men het verder ging bewerken. Die bewerkingen bestonden bijvoorbeeld uit het ‘braken’ van de stengels (breken met een handbraak), het zwingelen van het vlas (de vlasbundel werd langs een plank gehangen en met een houten spaan werden de restjes stro eruit geslagen) en tot slot het hekelen (het uitkammen van de vezelbundels op steeds fijnere kammen).

Wat is nou die vlasrok?! Het is een bos vlasvezels die met een lang lint om een stok worden gebonden zodat ze niet in de war raken. Soms werden de vlasvezels ook aan een riem om het middel bevestigd. Aan de meeste spinnewielen hing een kopje met een mix van water en lijnzaad. Dit gebruiken de spinners om hun vingers nat te maken tijdens het spinnen, zo krijg je een gladde en sterke draad. Ik had wel eens ergens gelezen dat vlas tegen de klok in wordt gesponnen? De vlasvezels hebben een natuurlijk draaiing naar links, dus deze richting adviseert men bij het spinnen van vlas. Eén van de spinners vertelde me echter wat oude hemden te hebben onderzocht en deze bleken ‘gewoon’ rechtsom gesponnen.

Ik vond het een leerzame middag! Wat mij betreft voor herhaling vatbaar. Ik zou zeggen op naar de Farm & Countryfair!

 

DSC_2397
Vlasrokkendag in ’t Kevelder te Zieuwent.

DSC_2378
Alle stadia van het vlas verwerken zijn te zien.

DSC_2375
Prachtige structuren en materialen.

DSC_2370
Vlasrok met lint erom.

DSC_2413
Daar is ie dan, de vlasrok!

DSC_2396
Vlas dient nat gesponnen te worden.

DSC_2386
Doekrollen.

DSC_2380
Hekelen van het vlas.

 

Razzia in Aalten.

30 januari 2019 was het 75 jaar geleden dat er in Aalten een razzia plaatsvond. Op zondag 30 januari 1944 werden de Westerkerk (Hogestraat) en  de Christelijk Gereformeerde kerk (Berkenhovestraat) overvallen. De Duitsers wilden de mannen arresteren (tussen 19-23 jaar) die de tewerkstelling ontdoken. Het is één van de grootste oorlogsdrama’s in de Achterhoek. Achtenveertig mannen werden opgepakt, waarna men hen eerst naar de Koepel in Arnhem bracht en later naar het doorgangskamp Amersfoort. Sommige mannen verbleven hier slechts enkele weken, anderen maanden achtereen. Het grootste gedeelte van de arrestanten werd tewerkgesteld, bij boeren vlak over de Duitse grens of in fabrieken in het Ruhrgebied. Na een poosje doken de meesten van hen opnieuw onder. Niet alle mannen hadden zoveel geluk, een aantal belandde in de concentratiekampen Neuengamme en Ravensbrück.

De Duitsers die de Aaltense kerken niet precies wisten te vinden, vroegen iemand op straat de weg vroegen naar de Oosterkerk. Deze persoon kreeg een angstig voorgevoel en stuurde de Duitse soldaten naar de kleinere Christelijk Gereformeerde kerk. Het aantal arrestanten hier viel ‘gelukkig’ mee, zes mannen werden opgepakt. Dhr. H.J. Papiermole heeft nog één van hen weten te redden. In een uniformjasje van de Luchtbeschermingsdienst hield hij de Duitse overvalwagen staande en bulderde luid: ‘Ausweisse sofort!’ De Duitsers gaven hem het stapeltje persoonsbewijzen en Papiermole pikte er één uit. Hij zei dat de bewuste man voor hem werkte en verbood de Duitsers hem af te voeren. Eenmaal in de achtertuin van dhr. Papiermole gaf hij de jongeman zijn persoonsbewijs terug en gebood hem zich onmiddellijk uit de voeten te maken.

De Westerkerk in Aalten zat die zondagmorgen op de 30e januari 1944 overvol. Dit had onder andere te maken met de voorganger die ochtend, Jan Ridderbos uit Kampen. Ridderbos was behalve predikant ook hoogleraar Oude Testament aan de Theologische Hogeschool in Kampen en werkte mee aan de Christelijke Encyclopedie, een voorname bekendheid binnen de Nederlandse geloofsgemeenschap. Veel Scheveningse evacuees die normaal thuisbleven, waren deze zondag ook mee naar de kerkdienst. Tom Visser die boven op de galerij zat, zag door de ramen dat de Duitsers de kerk omsingelden en waarschuwde de mensen. Er werd extra veel gezongen die ochtend, zoals de langste Psalm 119, zodat een grote groep mannen de kans kregen zich te verstoppen. Via de consistoriekamer en een luik op de galerij klommen zij naar zolder. De Duitsers verstoorden de kerkdienst niet, zij wachtten buiten totdat deze afgelopen was. Bij alle vier de uitgangen werd gepost, de kerkgangers mochten alleen door de hoofdingang vertrekken waar alle persoonsbewijzen werden gecontroleerd. Iedereen die geen papieren bij zich had en niet tot de ‘gezochten’ behoorde kon zichzelf vrijkopen door een boete van twee gulden te betalen. Mannen probeerden zich te verstoppen in de klokkentoren, op de orgelzolder en boven de consistorie. Het plafond bestond hier slechts uit gestuukt gaas, het gewicht van de mannen die naast de balken stapten was te veel en veroorzaakte een gat en scheuren in het plafond dat meteen gezien werd door de Duitsers. Zij haalden iedereen weer naar beneden en arresteerden velen van hen.

In die tijd verbleven er veel Scheveningse evacuees in Aalten, voornamelijk ouderen, vrouwen en kinderen. In december 1942 en januari 1943 werden zij door de Duitsers gedwongen hun huizen te verlaten voor de aanleg van de Atlantikwall. In totaal verbleven er zo’n 500 Scheveningse evacuees bij Aaltense gastgezinnen.  Eén van hen, Barendina Visser werd met haar drie kinderen ondergebracht bij de familie Hoopman in het buurtschap Dale en was ook aanwezig bij de razzia. Gerrit Hoopman, één van de drie zonen van het gastgezin kon aan de razzia ontsnappen dankzij Barendina. De Scheveningse vrouw die altijd haar klederdracht aanhad, gaf Gerrit haar hoofdijzer, schoudermantel en rok. Vermomd als Scheveningse wist hij de kerk te ontvluchten. Simon Visser, destijds 10 jaar oud weet het nog goed, vooral de opvallende witte sportsokken van Gerrit die onder de rok van zijn moeder uitkwamen! Hij vertelt erover in de door Linda Brummelman gemaakte documentaire ‘Door het ijzer gespaard’ die in 2014 tijdens de 70-jarige herdenking werd uitgezonden. Ook Cor Buijs had geluk. Hij zat ondergedoken in Lintelo en ging naar de kerk om illegale verzetskranten van Trouw te verspreiden. Een Scheveningse was bereid deze onder haar mantel en rokken te verbergen om ze zo de kerk uit te smokkelen. Als de Duitsers dit hadden ontdekt, was het leed niet te overzien geweest! De werkelijke naam van Cor Buijs was namelijk typerend Joods: Moshe Boas Berg.

Alle gearresteerde mannen werden naar de consistorie in de Westerkerk gebracht. Ter bemoediging las dominee Gerritsma Psalm 121 voor. Deze psalm heeft vele van de mannen hun leven lang troost geboden. Voordat de mannen werden overgebracht naar Arnhem zagen verschillende mensen kans om de gevangenen nog wat te overhandigen. Spulletjes als een stukje zeep, een klein geschreven briefje of een bijbeltje. Soms ook wat te eten, zoals een plak roggebrood of een paar boterhammen. Vijf van hen hebben de oorlog niet overleefd. De mannen die wel terugkeerden waren voor het leven getekend. Zo ook Gerrit Hendrik Nobel, organist in de Westerkerk tijdens die verschrikkelijke ochtend. Zijn zoon Erik was aanwezig bij de herdenkingsdienst en vertelde dat hij veel heeft meegekregen van de diepe littekens die het bij zijn vader heeft achtergelaten. De kinderen kregen het met de paplepel ingegoten: alles wat Duits is, is slecht! De oorlog was nooit ver weg, die invloed draagt Erik de rest van zijn leven mee. Want ook was de oorlog afgelopen, voor zijn vader hield hij nimmer op.

Het Nationaal Onderduikmuseum begon enkele jaren geleden met het achterhalen van de namen van de destijds gearresteerde mannen. Aan de hand van diverse oproepen hebben zij van 42 mannen gegevens weten te achterhalen. Het onderzoek leverde veel persoonlijke verhalen op, en diverse mensen schonken oude bewaarde dagboeken, notities en andere documentatie aan het museum. Zes september 2019 werd er een expositie geopend waarin er aandacht is voor die voorwerpen en verhalen. Men vind het belangrijk om ook de link naar het heden onder de aandacht te brengen. Vrede is voor ons net zo vanzelfsprekend geworden als snel internet. Maar vrede vraagt om onderhoud, discriminatie is opnieuw in opkomst. Het kwetsen van mensen wordt gedoogd onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’. Vrijheid is niet vanzelfsprekend. In deze herdenkingsdienst werd stilgestaan bij hen die geen keuze hadden zoals wij. Nog altijd zijn er over de hele wereld velen die geen keuze hebben, die worden onderdrukt en opgejaagd.

Anja Tolkamp klom op de ochtend van de herdenkingsdienst, voor de eerste keer via een steile ladder naar de zolder van de Westerkerk. Haar vader, Jan Tolkamp, was één van de 42 mannen die zich daar hadden verstopt. Hij belandde in een concentratiekamp, waar hij wist te overleven. Anja groeide op in Aalten, zij heeft altijd geweten wat haar vader meemaakte, erover vertellen deed hij echter zelden. Op verzoek van zijn kleindochters schreef hij in 2005 zijn verhalen op papier. In 2009 ontmoette Jan Marijke van Dijk tijdens één van haar exposities (Een diepe voor in de aarde). Jan vroeg Marijke of zij wellicht iets kon met zijn verhaal. Vele intensieve gesprekken volgde, Jan en Marijke ontwikkelden een unieke vriendschap. De memoires van Jan zijn door Marijke verwerkt in het boek ‘Over Leven’. Zijn fragmenten en haar afbeeldingen zijn samengebracht in zes handgedrukte en –gebonden edities, waarvan 4 in bezit van de familie Tolkamp.  Eén exemplaar ligt permanent tentoongesteld in het herdenkingscentrum Nationaal Monument Kamp Amersfoort, en het zesde exemplaar is beschikbaar voor exposities.

In de Oosterkerk bevind zich een prachtig gedenkraam, maar liefst acht meter hoog. Het werd geschonken door de overlevenden ter nagedachtenis aan de hulp die de Aaltense inwoners boden aan kinderen, joden, onderduikers, evacuees en mensen die honger leden. Ontwerper Marius Richters heeft in het glas-in-loodraam verschillende dingen uitgebeeld. Centraal staan een boer en boerin, omgeven door hongerende kinderen en een onderduiker. Aan beide kanten zijn marcherende Duitse soldaten afgebeeld. Links onderin staan vrouwen en kinderen om hulp en voedsel te bedelen, aan de rechterkant keren zij bevoorraad huiswaarts. De metselaar en ploegende boer bovenin staan symbool voor de wederopbouw. In 1946, op 13 juli, werd het raam onthuld.

Van 6 september 2019 t/m 23 februari 2020 kun je de expositie over deze razzia bezichtigen in het Nationaal Onderduikmuseum.

DSC_2281
Gedenkraam in de Oosterkerk -Memorial window in the Oosterkerk of Aalten